- Arrest van 18 januari 2012

18/01/2012 - P.11.1163.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de opzet van de wet van 5 augustus 2003 blijkt dat onder de onderzoekshandeling die als voorwaarde is gesteld opdat de Belgische rechtscolleges bevoegd zouden blijven, elke handeling moet worden verstaan waarbij de onderzoeksrechter, bij de uitoefening van zijn opdracht om de waarheid te achterhalen, de inlichtingen vergaart die relevant zijn voor de berechting van de zaak ; noch het proces-verbaal waarbij een burgerlijke partijstelling ontvankelijk wordt verklaard, noch de stukken betreffende de overdracht of mededeling van het dossier aan het parket, kunnen in aanmerking worden genomen als onderzoekshandelingen in de zin van de voormelde wet, aangezien die akten van de rechtspleging niet het begin vormen van het eigenlijke gerechtelijk onderzoek (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2012, nr. ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1163.F

Y. E.- U. e.a.,

mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. S. A.- S., e.a.,

mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 juni 2011, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 8 december 2010.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 9 december 2011 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof, waarop de verweerders geantwoord hebben met een op 4 januari 2012 neergelegde nota.

Op de rechtszitting van 14 december 2011 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric

Close verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Met toepassing van artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 1993 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, bevestigt het arrest, ten aanzien van de verweerders, dat de strafvordering in België niet ontvankelijk is omdat de aangeklaagde feiten geen misdrijven zijn in de zin van de artikelen 136bis tot 136quater Strafwetboek en dat er, ook al was dit het geval, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet, nog geen onderzoekshandeling was gesteld.

Eerste middel

De drie onderdelen samen

In zoverre het middel een schending aanvoert van de artikelen 136bis tot 136quater Strafwetboek, ofschoon alleen de regelmatigheid van de motivering wordt bestreden, faalt het naar recht.

Het arrest beslist dat de Belgische rechtscolleges niet bevoegd zijn omdat er geen onderzoekshandeling was gesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003.

Die beslissing heeft tot gevolg dat de conclusie waarin de eisers aanvoeren, eensdeels, dat de door hen aangeklaagde feiten misdrijven zijn in de zin van de artikelen 136bis tot 136quater Strafwetboek en, anderdeels, dat bij onzekerheid dienaangaande een college van deskundigen dient te worden aangesteld, niet relevant is.

Uit de in het middel vermelde conclusie blijkt niet dat de eisers onder de slachtoffers van de aangeklaagde genocide iemand hebben vermeld die, op het ogenblik van de feiten, Belgisch onderdaan was, in België als vluchteling was erkend of aldaar al sinds op zijn minst drie jaar verblijft.

De kamer van inbeschuldigingstelling diende bijgevolg haar beslissing waarbij zowel de door de klagers gevorderde omschrijving als het verzoek om tot bewijs hiervan een deskundigenonderzoek te bevelen worden afgewezen, niet met redenen te omkleden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Uit de opzet van de wet van 5 augustus 2003 blijkt dat onder de onderzoekshandeling die als voorwaarde is gesteld opdat de Belgische rechtscolleges bevoegd zouden blijven, elke handeling moet worden verstaan waarbij de onderzoeksrechter, bij de uitoefening van zijn opdracht om de waarheid te achterhalen, de inlichtingen vergaart die relevant zijn voor de berechting van de zaak.

In strijd met wat het middel aanvoert, kunnen noch het proces-verbaal waarbij een burgerlijkepartijstelling wordt geakteerd, noch de stukken betreffende de overdracht of mededeling van het dossier aan het parket, in aanmerking genomen worden als onderzoekshandelingen in de zin van de voormelde wet, aangezien die akten van de rechtspleging niet het begin vormen van het eigenlijke onderzoek.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Internationaal humanitair recht

  • Zware schendingen

  • Wet van 5 augustus 2003

  • Overgangsrecht

  • Zaak waarin een gerechtelijk onderzoek loopt

  • Belgische rechtscolleges blijven bevoegd