- Arrest van 18 januari 2012

18/01/2012 - P.11.0996.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0996.F

S. C.,

mr. Pascal Rodeyns, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, jeugdkamer, van 9 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 12 januari 2012 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 18 januari 2012 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

In het kader van een rechtspleging die was gevoerd op grond van artikel 36, 4°, Jeugdbeschermingswet, heeft de jeugdrechtbank te Luik op 22 december 2010 een vonnis gewezen, waarbij de aan de eiser tenlastegelegde feiten bewezen worden verklaard, het behoud in zijn gezinsomgeving wordt bevolen onder toezicht van de bevoegde sociale dienst, op voorwaarde dat hij een prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut zou leveren en waarbij hij hoofdelijk met zijn ouders wordt veroordeeld in de kosten.

De vader van de eiser heeft "in eigen naam en in zijn hoedanigheid van vader en wettelijk vertegenwoordiger" van zijn zoon, hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

Het bestreden arrest verklaart dat het hoger beroep dat de vader van de eiser, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon heeft ingesteld, niet ontvankelijk is en verklaart alleen het hoger beroep ontvankelijk dat de vader persoonlijk, in zijn hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij heeft ingesteld. Het verklaart dat hoger beroep niet gegrond, bevestigt de bestreden beslissing en veroordeelt de vader in de appelkosten.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ambtshalve middel : schending van artikel 58, eerste lid, Jeugdbeschermingswet

Het ontvankelijk cassatieberoep van de vader of moeder tegen een vonnis van de jeugdrechtbank waarbij beschermende maatregelen ten aanzien van een minderjarige worden bevolen, met toepassing van artikel 36, 4°, Jeugdbeschermingswet, heeft tot gevolg dat die minderjarige en de tweede ouder in het geding worden betrokken, ook als laatstgenoemden niet persoonlijk hoger beroep hebben ingesteld.

Daaruit volgt dat het hof van beroep, wanneer het kennisneemt van het hoger beroep dat de vader van een minderjarige, in zijn hoedanigheid van vader, instelt tegen de beslissing waarbij de feiten bewezen zijn verklaard en die waarbij de beschermende maatregelen zijn bevolen, zich dient uit te spreken over de grondslag van het hoger beroep tegen die beslissingen.

Nadat het arrest heeft beslist dat de vader van de eiser in de zaak geen partij was in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, maar alleen in eigen naam, verklaart het zijn hoger beroep ontvankelijk in de hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke voor zijn minderjarige zoon en niet ontvankelijk voor het overige.

Het arrest voegt daaraan toe dat wegens de beperkte draagwijdte van het hoger beroep van de vader de appelrechter het vonnis niet mag wijzigen in het belang van de minderjarige die geen hoger beroep heeft ingesteld, en dat laatstgenoemde niet ontheven kan worden, noch van de maatregelen, noch van de burgerrechtelijke veroordelingen die de eerste rechter heeft opgelegd.

Door geen uitspraak te doen over de beslissingen in verband met de eiser, miskent het arrest de devolutieve werking van het hoger beroep en schendt het artikel 58, eerste lid, Jeugdbeschermingswet.

Voor het overige is het recht van de minderjarige om een apart hoger beroep in te stellen, een persoonlijk recht dat alleen hijzelf of zijn advocaat kan uitoefenen. Zijn vader en moeder kunnen hem niet vertegenwoordigen als hij rechtsmiddelen aanwendt tegen de beslissingen van de jeugdgerechten op de strafvordering.

Daaruit volgt dat het hof van beroep, in strijd met wat de eiser aanvoert, zijn beslissing om het hoger beroep dat de vader in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige heeft ingesteld, niet ontvankelijk te verklaren, naar recht verantwoordt

Het overige gedeelte van het middel van de eiser behoeft geen antwoord daar het niet tot ruimere vernietiging of vernietiging zonder verwijzing kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep dat de vader van de eiser in diens naam in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de eiser heeft ingesteld, niet ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik, jeugdkamer, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Minderjarige heeft een als misdrijf omschreven feit gepleegd

  • Jeugdrechtbank

  • Beschermende maatregelen

  • Hoger beroep van de vader of de moeder

  • Devolutieve kracht