- Arrest van 19 januari 2012

19/01/2012 - F.10.0133.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De materiële vergissing waardoor de directeur der belastingen buiten de bezwaartermijn, ontheffing van overbelasting mag verlenen, is een feitelijke vergissing die voortvloeit uit een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens bij ontstentenis waarvan de aanslag wettelijke grondslag mist; het invullen in de aangifte in de vennootschapsbelasting van andere cijfers dan de door de algemene vergadering goedgekeurde jaarrekening kan op een materiële vergissing van de accountant berusten (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0133.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der directe belastingen te Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6/604,

eiser,

tegen

DATA SERVICES BELGIUM bvba, met zetel te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 361, in vereffening, voor wie optreedt als vereffenaar mr. Geert Defreyne, met kantoor te 9050 Gent, Kortrijksesteenweg 361,

verweerster,

met als raadsman mr. Marc Wauman, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2610 Antwerpen, Berkenlaan 45.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 april 2010.

Waarnemende eerste voorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Op grond van artikel 376, § 1, WIB92, zoals van toepassing op dit geschil, kan de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar ambtshalve ontheffing verlenen van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen op voorwaarde dat die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd, op voorwaarde dat de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond.

De materiële vergissing in de zin van voormeld artikel 376, § 1, is een feitelijke vergissing die voortvloeit uit een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens bij ontstentenis waarvan de aanslag wettelijke grondslag mist.

2. De appelrechters oordelen dat:

- het invullen in de aangifte voor het aanslagjaar 2000 van andere cijfers dan deze van de door de algemene vergadering goedgekeurde jaarrekening 1999 berust op een materiële vergissing in de zin van artikel 376 WIB92;

- gezien de beslissingen van de algemene vergadering waarbij de jaarrekening 1998 werd rechtgezet en de jaarrekening 1999 werd goedgekeurd rekening houdend met de verbeterde jaarrekening 1998, niet kan worden gesteld dat bij het invullen van de onjuiste cijfers in de aangifte een beslissing werd genomen of een appreciatie werd gedaan en dat het aannemelijk lijkt dat het een vergissing betreft van de accountant, om reden dat deze het dossier pas overnam van een ander boekhoudkantoor.

De appelrechters gaan aldus ervan uit dat de nieuwe accountant van de verweerster bij het invullen van de aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2000 een materiële vergissing heeft begaan. Ze hebben dus zonder schending van de aangewezen wetsbepalingen, kunnen oordelen dat de door de accountant opgestelde en ingediende aangifte, behept was met een materiële vergissing als bedoeld in artikel 376, § 1, WIB92, zoals van toepassing op dit geschil.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. De tevergeefs door het eerste onderdeel aangevochten reden, is een zelfstandige reden die de bestreden beslissing schraagt.

Het onderdeel, ook al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is dus niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 191,36 euro voor de eiser en op 199,42 euro voor de verweerster.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van

Volsem, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Overbelastingen

  • Materiële vergissing