- Arrest van 19 januari 2012

19/01/2012 - F.10.0142.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepaling van het K.B. van 26 oktober 2007, dat de erin vastgestelde basis-, mimimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld worden per aanleg, verhindert niet dat, wanneer twee of meer rechtsvorderingen wegens samenhang worden gevoegd, de rechter twee of meer rechtsplegingsvergoedingen kan toekennen, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken; wanneer de rechter oordeelt dat de samengevoegde zaken geen afzonderlijke geschillen zijn, dan is slechts een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0142.N

H. F.,

eiser,

met als raadsman mr. Peter Van Boxelaere, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Tweebruggenstraat 9, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 september 2010.

Waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat het tweede verblijf van de eiser te Gent een standvastig en bestendig karakter had verworven waardoor de huur en de huurlasten voor de aanslagjaren 1989 en 1990 niet in aanmerking kwamen als beroepskosten.

2. Door die beslissing hoefden ze niet meer te antwoorden op het doelloos geworden verweer van de eiser met betrekking tot de echtheid van de beroepskosten en het achterhouden van bewijsstukken.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Anders dan waarvan de drie in dit onderdeel aangevoerde grieven uitgaan, laten de appelrechters hun beslissing niet steunen op vaststellingen die het beroepen vonnis niet bevat.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

4. De appelrechters oordelen dat het tweede verblijf van de eiser te Gent een standvastig en bestendig karakter had verworven waardoor de huur en de huurlasten voor de aanslagjaren 1989 en 1990 niet in aanmerking kwamen als beroepskosten.

5. Door die beslissing hoefden ze niet meer te antwoorden op het doelloos geworden verweer van de eiser met betrekking tot de houding die de verweerder heeft aangenomen in de periode waarin de eiser te Gent nog geen standvastig en bestendig verblijf had.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters onterecht oordelen dat de eiser de omvang van de kosten niet bewijst, noch dat het beroepskosten zijn, dit niettegenstaande hij "door overlegging van het huurcontract en de berichten van indexering van de huurprijs en van facturen voor gas, water en elektriciteit wel het bewijs leverde".

7. Het onderdeel vraagt in zoverre een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

8. In zoverre het onderdeel miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, vermeldt het niet de daarop toepasselijke geschonden wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is in zoverre eveneens niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

9. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, beantwoorden de appelrechters met de redenen die het bestreden arrest (ro 2.1.4) vermeldt, het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

10. Artikel 1, eerste en tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding, bepaalt dat de in dit besluit vastgestelde basis-, minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek worden vastgesteld per aanleg.

11. Deze bepaling verhindert niet dat, wanneer twee of meer zaken wegens samenhang worden gevoegd, de rechter twee of meer rechtsplegingvergoedingen toekent, indien hij oordeelt dat de samengevoegde zaken afzonderlijke geschillen uitmaken.

Wanneer de rechter oordeelt dat de samengevoegde zaken geen afzonderlijke geschillen zijn, dan is slechts één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

12. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat bij samenhang altijd twee of meer rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd zijn, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel preciseert niet waarin "personen die zich in eenzelfde situatie bevinden op een verschillende manier" zouden worden behandeld.

Het onderdeel is wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

14. Artikel 1017, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.

15. Uit die bepaling volgt dat de rechter de gedingkosten kan omslaan telkens wanneer de partijen over en weer in enig geschilpunt worden afgewezen.

Voor de toepassing van deze bepaling is derhalve niet vereist dat de partijen wederzijdse vorderingen hebben ingesteld.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 116,22 euro voor de eiser en op 230,39 euro voor de verweerder.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van

Volsem, en in openbare rechtszitting van 19 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Basis-, minimum- en maximumbedragen

  • Vaststelling per aanleg

  • Gevolg

  • Samenvoeging van zaken