- Arrest van 25 januari 2012

25/01/2012 - P.11.1104.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, als bedoeld in de artikelen 399 en 400 van het Strafwetboek, bestaat in de ongeschiktheid van het slachtoffer tot het verrichten van gelijk welke lichamelijke arbeid; die verzwarende omstandigheid houdt alleen rekening met de zwaarwichtigheid van de verwondingen, ongeacht de sociale status van het slachtoffer of zijn gewoonlijke en professionele arbeid; het feit dat het slachtoffer in een welbepaald economisch en sociaal milieu een activiteit kan uitoefenen die in de lijn ligt van zijn opleiding, sluit dus niet uit dat hij ongeschikt is in de zin van de voormelde wetsbepalingen (1). (1) Zie Cass. 19 april 2006, AR P.06.0040.F, AC, 2006, nr. 223.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1104.F

D. B.,

mr. Muriel Ponthière, advocaat bij de balie te Luik en mr. Arnaud Babut du Marès, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

A. E.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 9 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de strafvordering

Eerste middel

In zoverre het middel aanvoert dat het arrest de bewijskracht van het geheel van de gegevens van het strafdossier miskent, komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling door het hof van beroep van de bewijswaarde van alle gegevens van het dossier.

In zoverre het middel aanvoert dat de bewijskracht van de eerste verklaring van de eiser in het proces-verbaal van de politie van 19 januari 2005 is miskend, verwijt dit het arrest niet dat het oordeelt dat dit proces-verbaal een bewering bevat die er niet in voorkomt of geen vermelding bevat die er wel in voorkomt. Het verwijt het arrest dat het ofwel geen acht heeft geslagen op een passage die volgens de eiser zijn versie zou rechtvaardigen, ofwel dat het feitelijke gegevens daar tegenover heeft gesteld die verschillen van of strijdig zijn met de door hem aangevoerde gegevens.

Dergelijke grief voert geen miskenning van de bewijskracht van de akten aan.

Voor het overige verwijt de eiser het arrest dat het oordeelt dat de verweerder als parkingbewaker het recht had om zijn voertuig niet te laten passeren.

Aangezien de appelrechters oordelen dat het voor de beoordeling van eisers gedrag niet uitmaakte of de verweerder al dan niet parkingbewaarder was, heeft de grief geen belang.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het arrest antwoordt op de conclusie van de eiser die betwistte dat het slachtoffer door zijn voertuig was weggeslingerd, door met name te verwijzen naar de door de verbalisanten vastgestelde sporen op de motorkap.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Volgens de eiser heeft het hof van beroep niet naar recht kunnen beslissen dat het slachtoffer blijvend ongeschikt was tot het verrichten van persoonlijke arbeid, in de zin van artikel 400 Strafwetboek, vermits uit zijn eigen vaststellingen blijkt dat het slachtoffer geen inkomensverlies heeft geleden, dat zijn toestand op de arbeidsmarkt niet in het gedrang is gekomen en dat hij geen letsel eraan heeft overgehouden dat in de wet wordt aanvaard.

De ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid als bedoeld in de artikelen 399 en 400 van het voormelde wetboek, bestaat in de ongeschiktheid van het slachtoffer tot het verrichten van gelijk welke lichamelijke arbeid. Die verzwarende omstandigheid houdt alleen rekening met de zwaarwichtigheid van de verwondingen, ongeacht de sociale status van het slachtoffer of zijn gewoonlijke en professionele arbeid.

Het feit dat het slachtoffer in een welbepaald economisch en sociaal milieu een activiteit kan uitoefenen die in de lijn ligt van zijn opleiding, sluit dus niet uit dat hij ongeschikt is in de zin van de voormelde wetsbepalingen, wat het arrest naar recht vaststelt door zich te baseren op het percentage dat de naar gemeen recht aangewezen deskundige heeft aangenomen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

Eerste onderdeel

De eiser oefent kritiek uit op de beslissing waarbij hem een zwaardere straf wordt opgelegd dan in eerste aanleg, ofschoon in hoger beroep de redelijke termijn overschreden bleek te zijn, wat het arrest ook vaststelt.

De rechter dient de door hem opgemerkte overschrijding van de redelijke termijn te bestraffen.

Wanneer dat feit geen invloed had op de bewijsvoering of op de uitoefening van het recht van verdediging, kan de rechter ofwel de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager is dan de wettelijke minimumstraf, overeenkomstig artikel 21ter, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, ofwel een bij wet bepaalde straf uitspreken die daadwerkelijk en op meetbare wijze is verminderd ten opzichte van die welke hij opgelegd zou hebben indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet zou hebben vastgesteld.

Wanneer de appelrechters die de beslissing van de eerste rechter op dat punt wijzigen, de overdreven duur van de rechtspleging vaststellen, moeten zij de door hen uitgesproken straf verlagen in verhouding tot die welke zij zouden opgelegd hebben indien de zaak zonder vertraging zou zijn berecht, en niet in verhouding tot de straf die de eerste rechter heeft opgelegd.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Voor het overige motiveert het arrest de keuze van de straf en de strafmaat, door met name erop te wijzen dat de eiser opzettelijk het slachtoffer met zijn voertuig heeft omvergereden nadat hij het had beledigd en bedreigd, dat de dader van die feiten moet leren beseffen dat dit geen normaal gedrag is, dat hij dient herinnerd te worden aan de plicht om andermans fysieke en morele integriteit te eerbiedigen en aan het verbod op geweld als oplossing van een conflict.

Met die overwegingen heeft het hof van beroep zijn beslissing naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed.

Het middel kan wat betreft niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat de afwijzing van de opschorting niet kan gegrond worden op het in het arrest vermelde risico dat bij hem een gevoel van straffeloosheid zou kunnen ontstaan, omdat hij reeds zes weken voorlopig was aangehouden.

Aangezien de voorlopige hechtenis geen straf is, kan het arrest, ondanks het aangevoerde bevel tot aanhouding, niet oordelen dat de gevraagde opschorting het doel van de vervolging niet zou kunnen waarborgen.

Het arrest schendt evenmin de artikelen 195 Wetboek van Strafvordering en 3, vierde lid, of 8, § 1, eerste lid, Probatiewet, door te beslissen dat de werkstraf waarmee de eiser heeft ingestemd, meer nog dan een uitstel, zelfs een probatieuitstel, het beoogde helend en ontradend doel zal bereiken.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering

De eiser, beklaagde, bezit de hoedanigheid niet om cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering tegen zijn verzekeraar, vrijwillig tussengekomen partij.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Het vijfde middel is aangevoerd tot staving van een cassatieberoep waarvoor de eiser de hoedanigheid niet bezat om het in te stellen en behoeft bijgevolg geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre

Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 25 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier

Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verzwarende omstandigheid

  • Ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid