- Arrest van 26 januari 2012

26/01/2012 - C.11.0108.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een werk van letterkunde of kunst wordt auteursrechtelijk beschermd als het oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur(1); hierbij is niet vereist dat het werk de stempel draagt van de persoonlijkheid van de auteur (2). (1) Zie HvJ, 16 juli 2009, C-5/08, Infopaq International v. Danske Dagblades Forening, Jur. 2009, I, 6569. (2) Art. 1, §1, eerste lid, Auteurswet 1994, zoals gewijzigd bij art. 2 van de wet van 22 mei 2005 houdende de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0108.N

ARTESSUTO nv, met zetel te 8000 Brugge, Elf Julistraat 38,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. B&T TEXTILIA nv, met zetel te 9950 Waarschoot, Oostmoer 10,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. INDECOR-EUROPE nv, met zetel te 8750 Wingene, Beernemsteenweg 97,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 oktober 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 Grondwet.

Aangevochten beslissingen

De 7de kamer van het hof van beroep te Gent verklaart de vordering van eiseres in zoverre zij gesteund was op het tekeningen- en modellenrecht, meer bepaald artikel 3 van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom ("BVIE"), ontoelaatbaar wegens het gebrek aan depot, op grond van de volgende overwegingen:

"C. De vordering voor zover ze gegrond is op het Tekeningen- en Modellenrecht

12. [Eiseres] toont niet aan dat zij het wettelijk vereiste depot (artikel 3.3 en 3.5 BVIE) verricht heeft om aanspraak te kunnen maken op een tekeningenrecht.

Bijgevolg is haar vordering niet toelaatbaar voor zover zij gegrond is op het Tekeningen- en Modellenrecht." (bestreden arrest, p. 9, randnr. 12)

Grieven

Eiseres betwistte niet dat de litigieuze tekeningen nooit bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom werden gedeponeerd conform de vereisten van artikel 3.5 van het BVIE (syntheseconclusie eiseres d.d. 14 januari 2010, p. 12, randnr. 20).

Daarentegen wierp eiseres in haar conclusie d.d. 14 januari 2010 wel op dat de opdrachtgever van een tekening de bescherming geniet van het tekeningen- en modellenrecht, zelfs al werd deze tekening niet als dusdanig gedeponeerd:

"21. Op 22 juni 2007 heeft het Benelux Gerechtshof echter in zijn Electrolux-arrest (BenGH 22 juni 2007, nr. A/2006/3/13, - stuk 17) gesteld dat de regel van art. 3.8.2 BVIE, waarin bepaald wordt dat de opdrachtgever beschouwd wordt als de ‘ontwerper' in de zin van het modellenrecht, zowel betrekking heeft op gedeponeerde als op niet gedeponeerde tekeningen en modellen.

In het Electrolux-arrest overwoog het Benelux Gerechtshof immers ten aanzien van art. 6 lid 2 BTMW (thans art. 3.8.2 BVIE):

11. Uit deze voorschriften, in onderling verband beschouwd, volgt dat artikel 6, lid 2, van de BTMW - evenals artikel 6, lid 1 - dat onder de daar omschreven omstandigheden een ander als ontwerper aanwijst dan degene door wiens inspanningen het model of de tekening tot stand gekomen is, mede betrekking moet hebben op niet-gedeponeerde modellen of tekeningen. Anders zou de BTMW verhinderen dat die ander, de opdrachtgever of de werkgever reeds voor het depot - thans de inschrijving van het depot - tot de uitvoering van het voortbrengsel overeenkomstig het model zou kunnen overgaan. Zonder het bepaalde in artikel 6, lid 2 van het BTMW, zou deze anders immers jegens de werkelijke ontwerper de bevoegdheid missen tot het deponeren van een nog niet gedeponeerd model of tekening (eigen onderlijning) (stuk 17). Gelet op het feit dat het Benelux-gerechtshof uitspraak deed in een ‘Belgische' zaak op prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie, verwierp het Belgische Hof van Cassatie in zijn arrest van 7 februari 2008 (Pas. 2008, afl. 2, 374 - stuk 18) dan ook de cassatievoorziening die was ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 2 maart 2005 (NjW. 2006, 565). In dit arrest had het hof van beroep onder meer geoordeeld dat een beursstand kan beschermd worden door het auteursrecht en door het tekeningen- en modellenrecht. ‘Of er al dan niet een depot is geweest, is verder niet bepalend om de toepassing van de BTMW uit te sluiten', aldus dixit het hof van beroep.

Dit principe werd overigens recentelijk ook bevestigd door het Nederlandse Gerechtshof te Amsterdam, waar in een arrest van 3 februari 2009 geoordeeld werd dat:

‘Genoemde bepalingen (3.8.2 j° 3.29) van het BVIE (evenals voorheen de BTMW) komen er - voor de onderhavige situatie samengevat - op neer dat indien een model op bestelling is ontworpen de opdrachtgever, behoudens andersluidend beding tussen opdrachtgever en ontwerper, als ontwerper wordt beschouwd en dat aan deze (opdrachtgever) daarmee ook het auteursrecht inzake dat model toekomt' (eigen onderlijning) (stuk 19).

22. Sinds het Electrolux-arrest staat het dan ook vast dat de opdrachtgever van een tekening de bescherming geniet van het tekeningen- en modellenrecht, ook al is deze tekening niet als dusdanig gedeponeerd. [Verweersters] pleiten in hun conclusies dan ook tegen deze duidelijke rechtspraak in.

In casu is het dan ook duidelijk dat de vordering van [eiseres] zoals gesteund op het tekeningen- en modellenrecht eveneens ontvankelijk is. De litigieuze tekeningen worden immers door mevrouw C. steeds in opdracht van [eiseres] getekend, zodat [eiseres] als opdrachtgever van deze tekeningen ab initio geacht wordt de houder te zijn van de tekening- en modellenrechten op deze tekeningen. Overigens doet dit - in tegenstelling tot hetgeen [verweersters] beweren - geen afbreuk aan het feit dat mevrouw C. op auteursrechtelijk vlak houder van de morele rechten op deze tekeningen blijft.

De vordering op grond van het tekeningen- en modellenrecht is dan ook wel degelijk ontvankelijk."

De appelrechters beperken zich er in het aangevochten arrest toe vast te stellen dat eiseres niet aantoont dat zij het volgens artikel 3.3 en 3.5 van het BVIE wettelijk vereiste depot heeft verricht om aanspraak te kunnen maken op een tekeningenrecht, doch beantwoorden geenszins het hierboven beschreven en door eiseres in conclusie uitvoerig uitgewerkte middel volgens hetwelk de opdrachtgever van een tekening - in casu eiseres - de bescherming geniet van het tekeningen- en modellenrecht, zelfs al werd deze tekening niet als dusdanig gedeponeerd, en bijgevolg een depot niet vereist is om bescherming te genieten onder artikel 3 van het BVIE.

Door niet te antwoorden op een door eiseres regelmatig in conclusie aangevoerd middel, schenden de appelrechters de motiveringsplicht zoals vervat in artikel 149 Grondwet.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (de "Auteurswet").

Aangevochten beslissingen

De appelrechters oordelen dat de litigieuze tekeningen van de hand van mevrouw A. C. niet in aanmerking komen voor bescherming door het auteursrecht en verklaren de vordering van eiseres in zoverre zij gesteund was op het auteursrecht ongegrond op grond van de volgende overwegingen:

"De vordering voor zover ze gegrond is op een schending van het auteursrecht.

A. Algemeen uitgangspunt: vrijheid van handel, waarvan de vrijheid van kopie een bijzondere toepassing is

14. Op grond van artikel 7 van het Decret d'Allarde van 2/17 maart 1791 geldt de vrijheid van beroep en bedrijf. Dit impliceert de vrijheid van mededinging. De vrijheid van de mededinging vindt een concrete toepassing in de vrijheid van kopie (cr. ook Gotzen, F, "De eerlijke gebruiken en de rechten van intellectuele eigendom", in Stuyck, J. en Wytinck, P., De nieuwe wet handelspraktijken, Kluwer, 261-263).

Intellectuele eigendomsrechten vormen een uitzondering op de vrijheid van handel en meer bepaald op de vrijheid van kopie. Intellectuele eigendomsrechten in het algemeen en het auteursrecht in het bijzonder kennen een monopolie toe.

Anderzijds kunnen een inbreuk op het auteursrecht, en het onterecht maken van een kopie in het algemeen, aanleiding geven tot concurrentievervalsing.

Het auteursrecht beoogt "free riding", dit wil zeggen het ongeoorloofd gebruik maken van de inspanningen tot ontwikkeling en innovatie van een ander, te voorkomen en te beteugelen.

De uitzondering op de vrijheid van handel is derhalve aan welbepaalde voorwaarden gebonden, die niet zozeer door de wet zelf ingevuld zijn, maar door rechtspraak en rechtsleer op basis van internationale verdragen en de dagelijkse praktijk bepaald zijn.

Zo moet, om auteursrechtelijke bescherming te genieten, een werk uitgedrukt zijn in een bepaalde vorm, die mededeelbaar is aan het publiek (ideeën zijn niet beschermd, maar behoren tot het publiek domein). Bovendien moet het werk oorspronkelijk zijn.

B. Oorspronkelijkheid in de zin van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten ("de Auteurswet")

15. Om auteursrechtelijke bescherming te verkrijgen is het een noodzakelijke maar voldoende voorwaarde dat een voortbrengsel de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker. Er moet een aanwijsbare activiteit zijn van de menselijke geest. Tussen het werk en de auteur moet een band bestaan. De omvang van de intellectuele inspanning is niet belangrijk (Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; Cass., 2 maart 1993, Pas., I, 234; Cass., 24 februari 1995, R. W., 1995-'96, 433 en I.R. D.I., 1996, 28; Cass., 10 december 1998, R. W. 1999-2000, 325; Cass., 11 maart 2005, www.cass.be).

Die intellectuele inspanning is de onontbeerlijke voorwaarde om aan het werk het nodige individuele karakter te geven waardoor een vorm ontstaat. De vorm moet de stempel van de persoonlijkheid dragen. De vorm moet zodanig beïnvloed zijn door de persoon dat het werk een eigen persoonlijk karakter vertoont (ibidem).

Artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/29, omgezet in de Belgische Auteurswet, bepaalt dat de auteurs het uitsluitende recht hebben om de volledige of gedeeltelijke reproductie van hun werken toe te staan of te verbieden. De bescherming van het recht van de auteur om reproductie toe te staan of te verbieden betreft dus een "werk".

Uit de algemene opzet van de Berner Conventie, inzonderheid van artikel 2, leden 5 en 8, ervan, volgt echter dat voor de bescherming van bepaald materiaal als werken van letterkunde en kunst wordt verondersteld dat het gaat om scheppingen van de geest.

Richtlijn 2001/29, die geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht vaststelt, is, zoals blijkt uit de punten 4, 9 tot en met 11 en 20 van de considerans ervan, gebaseerd op hetzelfde beginsel.

Aldus kan het auteursrecht in de zin van artikel 2, sub a, van richtlijn 2001/29 slechts gelden met betrekking tot materiaal dat oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan (H. v. J., Infopag, 16 juli 2009, Arrest

C-5/08, www.curia.eu, inz. ro. nrs. 32-37).

De vorm mag niet ontleend zijn aan een bestaand werk en moet dus een eigen oorspronkelijk karakter hebben. De vorm moet het resultaat zijn van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes (HR., 30 mei 2008, N.J. 2008, 556).

Drukt het werk de activiteit uit van zijn auteur? Heeft het werk een individueel karakter? Een zekere mentale activiteit is vereist, zoniet komt de persoonlijkheid van de auteur niet tot uiting in het werk.

Elementen die op zich niet origineel zijn kunnen door de wijze waarop ze samen gebracht zijn een origineel geheel opleveren.

De artistieke noch de esthetische waarde zijn relevant om te bepalen of een werk al dan niet auteursrechtelijk beschermd is (Cass., 27 april 1989, Pas. 1989, I, 908; Srowel, A., ‘L'originalité en droit d'auteur: un critère à géometrie variable, J. T., 1991, 513 (inz. 514-515)).

Handigheid, technische vaardigheid of omvangrijk werk (zonder de persoonlijke inbreng van de maker) zijn onvoldoende opdat een werk auteursrechtelijk beschermd zou zijn.

Nieuwheid is in beginsel geen criterium om een werk auteursrechtelijk te beschermen (De Visscher, F. en Michaux, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 23 en 31, met verwijzing; Strowel A., ‘L'originalité en droit d'auteur: un critère à géometrie variable, J. T., 1991, 513-514), net zo min als omvangrijk opzoekingswerk of een grote inspanning om het werk te maken (ibidem). Wat nieuw is, is niet automatisch origineel. Wat origineel is, kan nieuw zijn en zal vaak een aspect van nieuwheid impliceren. De twee begrippen vallen evenwel niet samen. De maker van een later werk mag nog steeds bewijzen dat zijn werk onafhankelijk van het eerste werk tot stand gekomen is.

Een origineel werk is niet vanzelfsprekend. Het is ook niet banaal. Geen auteursrechtelijke bescherming wordt verleend indien de vorm zo banaal of triviaal is dat geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen.

De bewijslast berust bij [eiseres] (toepassing van artikel 870 Gerechtelijk Wetboek). Deze bewijslast beperkt zich tot het aanduiden waarin de originaliteit van de creatie ligt. Zij dient aan te tonen dat de vormgeving van de tekeningen het resultaat is van de eigen keuzes van de ontwerper (De Visscher, F. en Michaux, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 24, met referenties).

C. Toepassing in deze zaak

[Eiseres] slaagt er in de voorliggende zaak niet in aan te tonen dat de voorgelegde tekeningen origineel zijn.

Zeer belangrijk bij de beoordeling van het geheel van de tekeningen zijn de kleuren, die zogeheten ‘oude kleuren' zijn. Het is niet betwist dat [eiseres] aanvankelijk met [eerste verweerster] heeft samengewerkt precies omdat deze laatste ontwerpen in deze oude kleuren kon weven. [Eiseres] kan zich niet op een eigen intellectuele schepping beroepen met betrekking tot de kleuren, nu deze precies van [eerste verweerster] afkomstig zijn.

Het thema van een stadsgezicht is eeuwenoud en werd reeds eerder aangewend op wandtapijten, kussens, tassen en dergelijke meer. Ook om deze reden is er geen originaliteit in de zin van de auteurswet.

De variaties die [eiseres] aangebracht heeft in de bestaande stadsgezichten vormen geen intellectuele inspanning die aan het werk het nodige individuele karakter geven waardoor een vorm ontstaat. De vorm draagt niet de stempel van de persoonlijkheid van mevrouw C.. De vorm is niet zodanig beïnvloed door haar persoon dat het werk een eigen persoonlijk karakter vertoont. De intellectuele schepping van de auteur is niet aantoonbaar in de tekeningen.

Het feit dat er eerder een procedure tot beslag inzake namaak is geweest en dat in het kader daarvan bepaalde uitspraken gedaan zijn, verandert niets aan al het voorgaande, nu de bodemrechter niet gebonden is door de prima facie beoordeling van de rechten in het kader van het toestaan van een beslag inzake namaak en nu de deskundige geen juridisch oordeel kan en mag vellen.

Om deze redenen is de oorspronkelijke vordering, voor zover ze gegrond is op het auteursrecht, ongegrond. Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd." (bestreden arrest, p. 10 t.e.m. 13 bovenaan, randnrs. 14 t.e.m. 17)

Grieven

Overeenkomstig artikel 1 Auteurswet heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren.

Opdat een werk wettelijk beschermd zou worden door het auteursrecht, is vereist, maar volstaat het ook dat het materiaal oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan.

Bij zijn onderzoek naar de oorspronkelijkheid (of originaliteit) van een werk, dient de feitenrechter derhalve enkel en alleen na te gaan of het om een (i) eigen (ii) intellectuele (iii) schepping van de auteur gaat.

Het woord ‘eigen' dient in die zin te worden geïnterpreteerd dat de auteur het werk zelf moet hebben gemaakt en het vanzelfsprekend niet van een derde mag hebben gekopieerd. Het woord ‘intellectuele' betekent dat de auteur moet hebben nagedacht over hoe hij het werk zal creëren, hetgeen een bepaalde mentale activiteit veronderstelt. Het begrip ‘schepping' tenslotte betekent ‘creatie', met andere woorden: een voortbrengsel.

Om van auteursrechtelijke bescherming te genieten is bijgevolg niet vereist dat het werk een ‘individueel karakter' heeft. Evenmin is vereist dat het werk van ‘persoonlijkheid' getuigt of ‘zodanig beïnvloed is door de persoon (van de auteur) dat het werk een eigen persoonlijk karakter heeft'. Om van auteursrechtelijke bescherming te genieten, is evenmin vereist dat het werk ‘de stempel van de persoonlijkheid van de auteur' draagt.

Opdat een werk de bescherming van het auteursrecht zou genieten, is het noodzakelijk doch voldoende dat het werk oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Andere of bijkomende voorwaarden worden niet gesteld.

De appelrechters overwegen met betrekking tot de litigieuze tekeningen van de hand van mevrouw A. C. dat deze tekeningen niet door het auteursrecht worden beschermd omdat de variaties die eiseres heeft aangebracht in de bestaande stadsgezichten geen intellectuele inspanning vormen "die aan het werk het nodige individuele karakter geven waardoor een vorm ontstaat". Nog volgens de appelrechters dienen de litigieuze tekeningen auteursrechtelijke bescherming te worden ontzegd omdat "de vorm niet de stempel draagt van de persoonlijkheid van mevrouw C." en omdat "de vorm niet zodanig is beïnvloed door haar persoon dat het werk een eigen persoonlijk karakter vertoont".

Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Door aldus te oordelen, stellen de appelrechters immers bijkomende voorwaarden aan een werk opdat het auteursrechtelijke bescherming zou genieten (meer bepaald, dat het werk een ‘individueel karakter' zou vertonen, dat het ‘de stempel van de persoonlijkheid van de auteur' zou dragen en dat ‘de vorm ervan zodanig beïnvloed is door de persoon van de auteur dat het diens persoonlijk karakter vertoont'), terwijl de appelrechters enkel dienden na te gaan of het om een (i) eigen (ii) intellectuele (iii) schepping van de auteur ging.

Hieruit volgt dat de appelrechters het wettelijk vereiste van de originaliteit of oorspronkelijkheid, zoals vervat in artikel 1 Auteurswet, miskennen (schending van artikel 1 Auteurswet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De eiseres concludeerde over de ontvankelijkheid van haar vordering in zoverre gesteund op het tekeningen- en modellenrecht zoals het middel aanvoert.

2. De appelrechters beantwoorden dit verweer niet.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

3. Krachtens artikel 1, § 1, eerste lid, Auteurswet 1994, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 22 mei 2005 houdende de omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn 2001/29/EG van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren.

4. Een werk van letterkunde of kunst wordt krachtens deze bepaling auteursrechtelijk beschermd als het oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur. Hierbij is niet vereist dat het werk de stempel draagt van de persoonlijkheid van de auteur.

5. De appelrechters oordelen: "De variaties die [de eiseres] aangebracht heeft in de bestaande stadsgezichten vormen geen intellectuele inspanning die aan het werk het nodige individuele karakter geven waardoor een vorm ontstaat. De vorm draagt niet de stempel van de persoonlijkheid van Mevrouw C.. De vorm is niet zodanig beïnvloed door haar persoon dat het werk een eigen persoonlijk, karakter vertoont. De intellectuele schepping van de auteur is niet aantoonbaar in de tekeningen."

6. De appelrechters die aldus vereisen dat een werk om de bescherming van het auteursrecht te genieten de stempel dient te dragen van de persoonlijkheid van de auteur, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit de hogere beroepen van de verweersters ontvankelijk verklaart.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 26 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Werk van letterkunde of kunst

  • Bescherming