- Arrest van 30 januari 2012

30/01/2012 - S.10.0032.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Buiten het geval bedoeld in artikel 25ter Arbeidsongevallenwet en de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 2000, heeft de werkgever van een werknemer die getroffen is door een arbeidsongeval, ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar geen enkele aanspraak op welke vergoeding ook, noch op grond van de Arbeidsongevallenwet, noch op grond van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0032.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. R.D.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest,

2. M.V.M.,

verweerster, minstens in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 16 maart 2009.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het middel

1. De eerste verweerder werpt drie gronden van niet-ontvankelijkheid van het middel op:

- het middel is nieuw;

- het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat de artikelen 4, 1°, 34 en 37bis, § 2, Arbeidsongevallenwet en artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector niet als geschonden worden aangewezen;

- door aan te voeren dat de sommen die de verweerder ontving het bedrag van het gewaarborgd loon overschreden en in die mate onverschuldigd werden betaald, vereist het middel een onderzoek van feiten.

2. Uit de vaststellingen van het arrest en de stukken van de rechtspleging blijkt dat:

- de eerste verweerder in zijn appelconclusie zonder meer aanvoerde dat de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde vergoedingen wegens een arbeidsongeval in de publieke sector onderworpen is aan een verkorte verjaringstermijn van zes maanden;

- de eiser in zijn appelconclusie repliceerde dat de verjaringstermijn van vijf jaar bepaald in de Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing is op de tegen de eerste verweerder ingestelde vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde vergoedingen.

De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

3. De grief van de eiser die ervan uitgaat dat er geen enkele rechtsgrond bestaat voor de betalingen die de eiser aan de eerste verweerder heeft gedaan en deze betaalde sommen geen arbeidsongevallenvergoedingen uitmaken, volgt uit de aangevoerde schending van de als geschonden aangewezen artikelen 58 en 59 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977. Die grief volgt niet uit wettelijke bepalingen die het recht van de tweede verweerster op arbeidsongevallenvergoeding betreffen.

De tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet eveneens worden verworpen.

4. Uit de vaststellingen van het arrest en het beroepen vonnis blijkt dat de eiser aan de eerste verweerder het gewaarborgd loon heeft terugbetaald dat deze laatste aan de tweede verweerster had uitbetaald, alsook dat de vordering van de eiser betrekking heeft op bedragen die aan de eerste verweerder verder werden betaald voor de periode volgend op het tijdvak dat door het gewaarborgd loon wordt gedekt.

Ook de derde grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid van het middel

5. Krachtens artikel 25ter Arbeidsongevallenwet wordt de werkgever, indien hij overeenkomstig de artikelen 52, 70 of 71 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gewaarborgd loon verschuldigd is aan de getroffene voor een arbeidsongeval overkomen in dienst van een andere werkgever, in de rechten van de getroffene gesteld volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten. De Koning bepaalt in dit geval aan wie de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid die betrekking hebben op de periode die door het gewaarborgd loon wordt gedekt, worden uitbetaald.

Artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 mei 2000 tot uitvoering van artikel 25ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt dat wanneer in het geval bedoeld in artikel 25ter van de wet, de getroffene alleen verbonden is met een arbeidsovereenkomst met de gesubrogeerde werkgever, de verzekeringsonderneming die tot schadeloosstelling is gehouden op grond van de artikelen 25, 25bis, 26, tweede lid, of 27 van de wet, aan deze werkgever de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid betaalt die betrekking hebben op de periode die door het gewaarborgd loon wordt gedekt tot beloop van het bedrag van dit gewaarborgd loon. Het gedeelte van de vergoeding dat dit bedrag van het gewaarborgd loon overstijgt, wordt aan de getroffene uitbetaald.

Artikel 3 van voormeld koninklijk besluit van 19 mei 2000 bepaalt:

"Wanneer de getroffene op het ogenblik van het ongeval of in de gevallen bedoeld bij artikel 25, 25bis, 26, tweede lid, of 27 van de wet met verschillende werkgevers door een arbeidsovereenkomst is verbonden, betaalt de verzekeringsonderneming:

1° aan de gesubrogeerde werkgever de vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid die betrekking hebben op de periode die door het gewaarborgd loon wordt gedekt tot beloop van het door deze werkgever betaalde gewaarborgde loon;

2° aan de werkgever waarbij het ongeval zich heeft voorgedaan het resterende saldo van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de artikelen 54, 72 of 74 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

In afwijking van het vorig lid verdeelt de verzekeraar de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid ponds-pondsgewijs over de verschillende werkgevers, wanneer de som van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid lager ligt dan de som van de door elk van de werkgevers betaalde gewaarborgde lonen."

De partijen betwisten niet dat de voormelde bepalingen ook toepassing vinden wanneer de in de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel vastgestelde arbeidsongevallenregeling van toepassing is op het aan het slachtoffer overkomen arbeidsongeval.

Buiten het geval bedoeld in artikel 25ter Arbeidsongevallenwet en de artikelen 2 en 3 van voormeld koninklijk besluit van 19 mei 2000, heeft de werkgever van een werknemer die getroffen is door een arbeidsongeval, ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar geen enkele aanspraak op welke vergoeding ook, noch op grond van de Arbeidsongevallenwet, noch op grond van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel.

6. Krachtens artikel 59, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, blijven de sommen die inzake pensioenen ten onrechte werden uitbetaald door de in artikel 58 vermelde machten en organismen, verworven door hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling niet gevraagd werd binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand gedurende welke de uitbetaling is geschied.

Volgens artikel 58 van de voormelde wet van 24 december 1976 zijn de bepalingen van hoofdstuk IV van toepassing op de schuldvorderingen die voortvloeien uit sommen die inzake pensioenen onverschuldigd werden uitbetaald door onder meer de openbare schatkist, en moet onder pensioenen in de zin van deze wet ook worden verstaan: de vergoedingen toegekend krachtens de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel.

Uit het opschrift van hoofdstuk IV, eerste afdeling, van de voormelde wet van 24 december 1976 en uit het geheel van de bepalingen van artikel 59, blijkt dat de in § 1 bepaalde verjaringstermijn van zes maanden alleen geldt voor de terugvordering van bedragen die inzake vergoedingen, toegekend krachtens de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, werden uitbetaald aan de personeelsleden van de overheidssector of aan hun rechthebbenden.

7. De vordering die een tewerkstellend overheidsbestuur instelt tegen een andere werkgever van een personeelslid dat getroffen is door een arbeidsongeval overkomen in dienst van dat overheidsbestuur, strekkende tot terugbetaling van vergoedingen die het overheidsbestuur aan die werkgever heeft betaald buiten het geval bedoeld in artikel 25ter Arbeidsongevallenwet en de artikelen 2 en 3 van voornoemd koninklijk besluit van 19 mei 2000, betreft geen schuldvordering voortvloeiend uit bedragen die inzake vergoedingen, toegekend krachtens de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, werden uitbetaald aan de personeelsleden van de overheidssector of aan hun rechthebbenden, zoals bedoeld in hoofdstuk IV, eerste afdeling, van de voormelde wet van 24 december 1976. De verjaringstermijn van zes maanden bepaald in artikel 59, § 1, eerste lid, van deze wet is bijgevolg niet van toepassing op de voornoemde vordering.

8. Het arrest stelt vast dat de eiser van de eerste verweerder de terugbetaling vordert van het bedrag dat de eiser over de periode van juni 2003 tot en met september 2004 aan de eerste verweerder had betaald op grond van "fictieve loonbrieven" verzonden door het sociaal secretariaat van de eerste verweerder, dit ten einde het inkomstenverlies te dekken dat de tweede verweerster bij de eerste verweerder had opgelopen ingevolge haar arbeidsongeschiktheid.

Het arrest dat oordeelt dat de eerste verweerder desalniettemin een beroep kan doen op de verjaringstermijn van zes maanden bepaald bij artikel 59, § 1, eerste lid, van de voormelde wet van 24 december 1976 verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de tegen de eerste verweerder ingestelde vordering van de eiser en over de kosten.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van de tweede verweerster.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 30 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Aanspraken van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar

  • Rechtsgrond