- Arrest van 1 februari 2012

01/02/2012 - P.12.0008.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering, regelt met name de controleprocedure voor de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, die in het geval van toepassing van artikel 189ter van datzelfde wetboek zijn bepaald ; de termijn die het oplegt voor de voorafgaande inzage van het dossier, is noch substantieel noch op straffe van nietigheid voorgeschreven (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2012, nr. ………………….

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0008.F

J. B.,

mr. Renaud Molders, advocaat bij de balie te Luik, en mr. Cédric Moisse, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 23 januari 2012 een conclusie neergelegd.

Op de rechtszitting van 1 februari 2012 heeft afdelingsvoorzitter Frédéric Close verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, waarvan de schending wordt aangevoerd, regelt met name de procedure voor de controle van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, die bij toepassing van artikel 189ter van datzelfde wetboek is voorgeschreven. De termijn die het oplegt voor de voorafgaande inzage van het dossier, is noch substantieel noch op straffe van nietigheid voorgeschreven.

De eiser heeft er zich bij de kamer van inbeschuldigingstelling over beklaagd dat hij noch gebruik heeft kunnen maken van dat recht op inzage, noch de nodige tijd heeft gekregen om zijn verdediging voor te bereiden, en hij heeft verklaard dat hij zich het recht voorbehield om dergelijk middel aan te voeren tot staving van een cassatieberoep.

Hij heeft echter geen rechtsgevolg afgeleid uit het ingeroepen middel, heeft niet verzocht dat het onderzoek van de zaak zou worden verdaagd en in zijn conclusie heeft hij zijn verweermiddelen en excepties aangevoerd met betrekking zowel tot de aanhangigmaking van de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling als tot de bijzondere opsporingsmethoden.

Daaruit volgt dat de eiser zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen en dat hij een eerlijk proces heeft verkregen, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 januari 2009 tot wijziging van de artikelen 189ter, 235ter, 335ter en 416 Wetboek van Strafvordering, blijkt dat, wanneer het onderzoeksgerecht de zaak naar het vonnisgerecht heeft verwezen zonder dat eerst de controle is uitgevoerd over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de feitenrechter of het Hof van Cassatie de zaak aan het openbaar ministerie kunnen overzenden opdat dit de zaak, voor de in artikel 235ter bepaalde controle, zou aanbrengen bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling.

Noch artikel 189ter, vierde lid, waarvan de schending is aangevoerd, noch enige andere wetsbepaling verbieden het openbaar ministerie, dat bevoegd is voor de strafvordering, het initiatief te nemen om de voormelde controle waarvan vastgesteld wordt dat hij niet werd uitgevoerd, te vorderen teneinde elk tussengeschil over de bijzondere opsporingsmethoden te voorkomen dat de rechtsgang zou kunnen belemmeren.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 1 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bijzondere opsporingsmethoden

  • Toezicht op de regelmatigheid daarvan

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Toezicht bepaald in art. 189ter, vierde lid, Sv.

  • Toepasselijke procedure

  • Termijn voor de inzage vooraf van het dossier

  • Substantieel of op straffe van nietigheid voorgeschreven termijn