- Arrest van 2 februari 2012

02/02/2012 - C.11.0093.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De termijn om cassatieberoep in te stellen tegen een uitspraak in het raam van de procedure van collectieve schuldenregeling heeft geen aanvang genomen wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de kennisgeving van de bestreden beslissing conform artikel 1675/16 Gerechtelijk Wetboek gebeurd is (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0093.N

1. G.M.,

2. C.V.,

eisers,

aan wie rechtsbijstand werd verleend op 23 december 2010 onder nummer G.10.0201.N,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen Tienen, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 11,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest,

2. ATRADIUS CREDIT INSURANCE, met zetel te 5100 Jambes (Namen), avenue Prince de Liège 74-78,

3. ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24,

4. RIJKSINSTITUUT VOOR SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met zetel te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 6,

5. K.S.,

6. ONDERLING BEROEPSKREDIET cvba, met zetel te 9000 Gent, Graaf van Vlaanderenplein 19,

7. STATER BELGIUM, met zetel te 1000 Brussel, Kanselarijstraat 17A,

8. INTERSOCIALE, met zetel te 1120 Brussel, Oorlogkruisenlaan 94,

9. C.B.,

10. W.V.B.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2010.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 29 november 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eerste verweerder werpt een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op: het bestreden arrest werd bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 1675/16 Gerechtelijk Wetboek op 5 juli 2010 ter kennis gebracht van alle partijen, waaronder de eisers, en geldt als betekening, zodat het cassatieberoep, betekend op 3 februari 2011 en neergelegd op 14 februari 2011, laattijdig is.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat stuk 60 van het gerechtsdossier in hoger beroep een stuk is met als hoofding "kennisgeving art. 1675/16 Gerechtelijk Wetboek", onder meer geadresseerd aan de beide eisers, maar niet vergezeld is van het bewijs van de verzending, aangetekend of bij gerechtsbrief.

Aangezien niet blijkt dat dit stuk ter kennis werd gebracht conform artikel 1675/16 Gerechtelijk Wetboek, heeft de termijn om cassatieberoep in te stellen, geen aanvang genomen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Middel

3. Krachtens artikel 1675/7, § 1, Gerechtelijk Wetboek, doet de beschikking van toelaatbaarheid inzake collectieve schuldenregeling een boedel ontstaan waartoe alle goederen van de schuldenaar op het ogenblik van de beschikking behoren, alsook de goederen die hij tijdens de uitvoering van de collectieve aanzuiveringsregeling verkrijgt.

4. In het arrest van 2 oktober 2008 in de zaak nr. 134/2008 diende het Grondwettelijk Hof te antwoorden op de prejudiciële vraag of artikel 1675/7, § 1, Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt doordat de wetgeving over de collectieve schuldenregeling, opgenomen in de artikelen 1675/2 tot 1675/9, Gerechtelijk Wetboek, noch enige andere wetgeving, erin voorzien dat de schadevergoedingen worden uitgesloten uit de boedel waarmee rekening wordt gehouden bij de collectieve aanzuiveringsregeling, terwijl de vergoeding voor schade die aan de persoon is verbonden en die aan de gefailleerde toekomt uit onrechtmatige daad, op grond van artikel 16, vierde lid, Faillissementswet, uit het actief van het faillissement wordt uitgesloten.

In het genoemde arrest heeft het Grondwettelijk Hof gezegd voor recht dat artikel 1675/7, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het de vergoeding voor schade die aan de persoon is verbonden en die aan de schuldenaar toekomt uit onrechtmatige daad, niet uitsluit uit de boedel waarmee rekening wordt gehouden bij de collectieve schuldenregeling.

5. Artikel 1675/7, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dient aldus gelezen te worden dat de schuldvorderingen die strekken tot vergoeding van schade aan de persoon van de schuldenaar uit de boedel dienen gehouden te worden.

Hierbij kan geen onderscheid worden gemaakt naargelang deze schuldvorderingen betrekking hebben op schade die vóór of na de opening van de procedure van collectieve schuldenregeling wordt geleden.

6. De appelrechters die enkel de schuldvorderingen tot vergoeding van de schade geleden "tijdens de procedure van collectieve schuldenregeling" uitsluiten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Verwijzing

7. Krachtens artikel 10 van de wet van 13 december 2005 tot wijziging van de artikelen 81, 569, 578, 580, 583, 1395, Gerechtelijk Wetboek:

- treden de artikelen 2, 3, 5, 1° en 9 van deze wet in werking op een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad te bepalen datum, uiterlijk op 1 september 2007;

- worden in afwijking van artikel 3, Gerechtelijk Wetboek de beroepen die na de inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde bepalingen ingesteld zijn tegen beslissingen van beslagrechters bij wie de zaak op geldige wijze aanhangig is gemaakt voor de inwerkingtreding van die bepalingen, voor de hoven van beroep gebracht.

8. Luidens artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, ingeval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, heeft deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft.

9. Uit deze wetsbepalingen volgt dat de verwijzing dient te gebeuren naar een hof van beroep.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het zegt voor recht dat enkel de schadeloosstellingen bepaald in de politievonnissen van 23 mei 1997 en 5 november 2004 en in het correctioneel vonnis van 9 februari 2006 voor een beperkt bedrag van 9.000 euro, meer interest, buiten de boedel van de collectieve schuldenregeling blijven en oordeelt over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, raadsheer Eric Stassijns, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 2 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Begin

  • Collectieve schuldenregeling

  • Kennisgeving uitspraak

  • Wijze