- Arrest van 3 februari 2012

03/02/2012 - C.09.0236.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechtsvordering tot onderzoek naar het vaderschap en tot erkenning van het vaderschap van een andere man die wordt ingesteld door een tijdens het huwelijk van zijn moeder verwekt kind, is ontvankelijk zelfs als de afstamming ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder bevestigd wordt door een bezit van staat (1). (1) Zie GwH, arrest nr. 122/2011 van 7 juli 2011; art. 323 BW voor de opheffing ervan bij art. 24 Wet 1 juli 2006, BS 29 dec. 2006.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0236.N

N. W.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

M.-J. D.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 30 september 2008.

In een arrest van 11 juni 2010 heeft het Hof, na het eerste middel te hebben afgewezen, de uitspraak over de gegrondheid van het tweede en derde middel aangehouden tot het Grondwettelijk Hof zou hebben geantwoord op de twee prejudiciële vragen die in het dictum van dit arrest werden gesteld.

Het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord in het arrest nr. 122/2011 van 7 juli 2011.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert drie middelen aan. Het derde is gesteld als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, bekrachtigd door België op 16 december 1991 en ten aanzien van België in werking getreden op 15 januari 1992;

- de artikelen 22 en 22bis Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de op artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek gegronde rechtsvordering van de eiseres tot onderzoek naar het vaderschap en tot erkenning van het vaderschap van een andere man niet ontvankelijk en veroordeelt haar in de kosten.

Grieven

Artikel 7 van het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind bepaalt dat het kind, voor zover mogelijk, het recht heeft zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.

Artikel 22 Grondwet bepaalt dat ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, terwijl artikel 22bis bevestigt dat het kind recht heeft op eerbiediging van zijn morele en lichamelijke integriteit.

Zowel het recht om zijn ouders te kennen als het recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven houden voor het kind het recht in om een rechtsvordering te stellen tot onderzoek naar het vaderschap zonder hierbij gehinderd te worden door een bezit van staat dat onweerlegbaar is ten aanzien van de man van zijn moeder.

Het arrest dat de rechtsvordering van de eiseres tot onderzoek naar het vaderschap en tot erkenning van het vaderschap van een andere man verwerpt op grond dat het oud artikel 323 Burgerlijk Wetboek voor een dergelijke rechtsvordering de voorwaarde oplegt dat er geen bezit van staat is ten aanzien van de vader wiens vaderschap vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317 Burgerlijk Wetboek, schendt derhalve de artikelen 7 van het Verdrag van New York, 22 en 22bis Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Derde middel

In het arrest van 11 juni 2010 heeft het Hof aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag gesteld of het oud artikel 323 Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en 22bis Grondwet schendt in zoverre het een kind verbiedt zijn biologische vader op te sporen en diens vaderschap te doen erkennen, wanneer het is verwekt tijdens het huwelijk van zijn moeder en zijn afstamming ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder bevestigd wordt door een bezit van staat.

In het arrest van 7 juli 2011 heeft het Grondwettelijk Hof geantwoord dat het bovenvermelde artikel 323 artikel 22 Grondwet schendt, op grond dat de voorwaarde van het bezit van staat die inhoudt dat de wetgever in alle omstandigheden de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap heeft laten prevaleren op de biologische werkelijkheid, zonder aan de rechter de bevoegdheid te laten rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen, het recht op eerbiediging van het privé-leven van de kinderen op onevenredige wijze aantast.

Het bestreden arrest verantwoordt derhalve niet naar recht de beslissing waarbij de rechtsvordering van de eiseres tot erkenning van het vaderschap van een andere man wordt verworpen op grond dat, krachtens het oud artikel 323 Burgerlijk Wetboek, het bezit van staat een beslissend middel van niet-ontvankelijkheid is.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 3 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtsvordering tot onderzoek naar het vaderschap en tot erkenning van het vaderschap van een andere man

  • Kind geboren tijdens het huwelijk

  • Bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot van de moeder

  • Ontvankelijkheid