- Arrest van 6 februari 2012

06/02/2012 - C.10.0432.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De schrapping van de registratie als aannemer, bepaald in artikel 9, §1, 4°, van het koninklijk besluit van 26 december 1998, zoals het van toepassing was op de feiten, is geen straf maar het gevolg van de verdwijning van een van de toekenningsvoorwaarden van die registratie; die schrapping is een maatregel die is genomen om het oorspronkelijke doel van preventie en openbare veiligheid te blijven verwezenlijken (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0432.F

EURO NOVO DOMINGOS bvba,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 9 januari 2009.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 18 januari 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en, voor zover nodig, de voormelde wet van 13 mei 1955 ;

- artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981, en, voor zover nodig, de voormelde wet van 15 mei 1981 ;

- de artikelen 12, 14 en 159 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt, met bevestiging van het beroepen vonnis, de oorspronkelijke vordering van de eiseres tot nietigverklaring van de beslissing tot schrapping van haar registratie als aannemer, die op 15 maart 2007 werd genomen door de registratiecommissie van Waals-Brabant, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en in het bijzonder om de volgende redenen:

"De grief van (de eiseres) heeft in wezen echter meer betrekking op de onwettigheid van de opdrachten die aan de registratiecommissies zijn toegekend door het voormelde koninklijk besluit, wanneer zij het hierboven geciteerde artikel 9, § 1, 4°, toepassen.

Volgens (de eiseres) zijn immers alleen de gerechtelijke rechtscolleges bevoegd om te oordelen over de vraag of zij al dan niet een sociaalrechtelijk misdrijf heeft gepleegd, zodat de commissie artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft geschonden toen zij, om haar beslissing te verantwoorden, de haar voorgelegde feiten als misdrijven omschreef en ze bewezen verklaarde. Die feiten hebben immers niet geleid tot een vonnis waarin verklaard wordt dat die feiten aan de zijde van (de eiseres) misdrijven opleveren en zelfs niet tot een vervolging in rechte.

Zij verliest zodoende uit het oog dat de te dezen toepasselijke reglementaire bepalingen de registratiecommissies geen rechtsprekende bevoegdheid toekennen maar slechts een administratieve bevoegdheid om te beslissen over een aanvraag tot registratie en de schrapping van de registratie (Cass., 22 november 1985, A.C., 1985-86, nr. 200) en dat de strafvordering het nemen van een administratieve beslissing waarvoor andere criteria gelden dan het plegen van een strafrechtelijk misdrijf, niet opschort (Luik, 25 juni 1992, J.L.M.B., 1993, 1026, en de noot B. Louveaux).

Om de registratie van een aannemer te schrappen in de zin van artikel 9, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 26 december 1998, is het noodzakelijk maar voldoende dat de aannemer zijn sociale of fiscale verplichtingen in ernstige mate of herhaaldelijk heeft verzuimd. Het bewijs van dat verzuim kan worden geleverd aan de hand van de - niet-tegengesproken - processen-verbaal die werden opgemaakt door de sociale inspecteurs van de inspectiedienst van de dienst toezicht op de sociale wetten, van de Rijksdienst van Sociale Zekerheid en van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

Bijgevolg maakt het in dit geval weinig uit dat het arbeidsauditoraat haar niet gerechtelijk heeft vervolgd. Het recht dat aan (de eiseres) is toegekend door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wordt immers gevrijwaard door het beroep dat zij tegen de beslissingen van de registratiecommissies kan instellen voor de rechtbank van eerste aanleg, met de daarbij horende garanties van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Dat rechtscollege kan, net als het rechtscollege in hoger beroep, de administratieve beslissing nietig verklaren op grond, bijvoorbeeld, dat het verzuim niet kan worden aangemerkt als een ernstige inbreuk of dat de beslissing tot schrapping niet in verhouding staat tot de vastgestelde tekortkoming(en)".

Grieven

Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, impliceert dat de wet die een inbreukmakende gedraging strafbaar stelt duidelijk en precies verwoord moet zijn, zodat eenieder, op het ogenblik dat hij zich op een bepaalde manier gedraagt, weet dat zijn gedrag strafbaar is.

Het aldus omschreven legaliteitsbeginsel is ook van toepassing op de administratieve sancties die, door het voorwerp of het doel ervan, een strafrechtelijk karakter hebben.

Artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat "de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen".

Omdat de eiseres in ernstige mate zou hebben verzuimd haar fiscale, sociale en loonverplichtingen na te komen, heeft de registratiecommissie van Waals-Brabant te dezen beslist haar registratie te schrappen met toepassing van artikel 9, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 26 december 1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.

Krachtens artikel 9, § 1, 4°, van dat koninklijk besluit schrappen de registratiecommissies de registratie van de aannemer van ambtswege wanneer hij ofwel herhaaldelijk ofwel op ernstige wijze in overtreding is geweest op het vlak van de fiscale, sociale en loonverplichtingen of op het vlak van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de uitoefening van in artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit bedoelde werkzaamheden.

De in artikel 9, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 26 december 1998 bedoelde inbreukmakende gedraging, die erin bestaat ernstige overtredingen te hebben begaan op het vlak van de fiscale, sociale en loonverplichtingen of op het vlak van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de uitoefening van in artikel 1 van het koninklijk besluit bedoelde werkzaamheden, is niet voldoende duidelijk en precies omschreven om te voldoen aan het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel.

Het arrest schendt bijgevolg artikel 159 van de Grondwet door te beslissen om artikel 9, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 26 december 1998 toe te passen en door te weigeren de beslissing tot schrapping nietig te verklaren die de registratiecommissie van Waals-Brabant had genomen op grond van een dergelijke reglementaire bepaling die niet conform de Grondwet en het wettelijkheidsbeginsel is.

Het arrest schendt bijgevolg tevens artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 12 en 14 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 26 december 1998 tot uitvoering van de artikelen 400, 401, 403, 404 en 406 WIB92 en van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals het op de feiten van toepassing is, onderwerpt de registratie als aannemer aan de voorwaarde dat de aannemer, op het ogenblik van de beslissing van de registratiecommissie bedoeld in afdeling 5, met name :

- 9° niet op ernstige wijze in overtreding is met de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de uitoefening van in artikel 1 bedoelde werkzaamheden;

- 10° tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan de beslissing van de registratiecommissie, niet herhaaldelijk of op ernstige wijze in overtreding is geweest op het stuk van de fiscale, sociale en loonverplichtingen of op het stuk van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de uitoefening van in artikel 1 bedoelde werkzaamheden.

Krachtens artikel 9, § 1, 4°, van het koninklijk besluit wordt de registratie als aannemer geschrapt wanneer de betrokkene herhaaldelijk of op ernstige wijze in overtreding is geweest op het stuk van de fiscale, sociale en loonverplichtingen of op het stuk van de wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de uitoefening van in artikel 1 bedoelde werkzaamheden.

Die bepalingen hebben tot doel te ontmoedigen een beroep te doen op aannemers die de betreffende wetgeving herhaaldelijk of op ernstige wijze hebben overtreden en bijgevolg onvoldoende of niet meer voldoende garanties bieden dat zij de fiscale en sociale wetgeving en, over het algemeen, de wetgeving betreffende de uitoefening van hun activiteit zullen eerbiedigen.

Hieruit volgt dat de beslissing tot schrapping die genomen wordt op grond van voormeld artikel 9, § 1, 4°, geen straf is maar het gevolg van de verdwijning van een van de toekenningsvoorwaarden van die registratie. Die schrapping is een maatregel die genomen werd om het oorspronkelijke doel van preventie en openbare veiligheid te blijven verwezenlijken.

Voormeld artikel 9, § 1, 4°, is bijgevolg niet onderworpen aan het beginsel van de wettelijkheid van de strafbaarstellingen, bedoeld in artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR alsook artikel 12 Grondwet.

In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

Voor het overige is het middel in zoverre het schending aanvoert van artikel 14 Grondwet, dat geen verband houdt met de wettelijkheid van de strafbaarstellingen, alsook van artikel 159 Grondwet, welke schending geheel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de voormelde bepalingen, niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Geregistreerd aannemer

  • Schrapping

  • Straf

  • Aard