- Arrest van 6 februari 2012

06/02/2012 - C.10.0693.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter niet vaststelt dat de tekst van de dadingsovereenkomst een andere afstand bevat dan die welke betrekking heeft op de bijdrage in de helft van de herstellings- en verbeteringskosten, die in 1985 gemaakt moesten worden om de toenmalige toestand te verhelpen, kan hij niet wettig beslissen dat het geschil dat tussen de partijen in 1996 was ontstaan, begrepen was in de dading (1). (1) In zijn andersluidende conclusie had het O.M. geoordeeld dat de appelrechters, door te beslissen dat 'het proces-verbaal van de algemene vergadering van 16 januari 1985 duidelijk is' en dat 'het vochtprobleem dat de eiser thans aanklaagt', in tegenstelling tot wat hij betoogt, 'kennelijk is veroorzaakt door dezelfde factoren als die welke ten grondslag liggen aan het vochtprobleem in 1983-1984, dat uitgerekend tot de dading van 16 januari 1985 heeft geleid', en dat 'gezien de aard van het probleem waarmee de eigenaar van de vertrekken in de kelder geconfronteerd werd (vocht) en het feit dat de kelder (per definitie) gedeeltelijk ingegraven was (een algemeen bekende situatie), konden de overeenkomstsluitende partijen bovendien redelijkerwijs aannemen dat het vochtprobleem vroeg of laat, na verloop van tijd, opnieuw zou opduiken. De dading werd gesloten met het oog op dat te voorziene gegeven', hun uitleggingsbevoegdheid hadden uitgeoefend door de draagwijdte te bepalen van een wilsovereenkomst betreffende de dading, binnen de grenzen van die overeenkomst. Laatstgenoemde wilsovereenkomst was duidelijk verwoord en had betrekking op hetzelfde, goed gelokaliseerde vochtprobleem waarbij, gelet op de omstandigheden die de partijen op dat ogenblik goed kenden, ook gewezen wordt op de gevolgen van een mogelijke evolutie, die rekening houdt met de plaatsgesteldheid en de voorzienbaarheid van die gevolgen. De appelrechters, die de draagwijdte van de dading op grond van de voormelde feiten op onaantastbare wijze beoordelen, miskennen volgens het O.M. de in het middel bedoelde wetsbepalingen dus niet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0693.F

D. M.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

LES ROSES, vereniging van mede-eigenaars,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 juni 2010.

De zaak is bij beschikking van 23 januari 2012 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste onderdeel

Luidens artikel 2048 Burgerlijk Wetboek blijven dadingen beperkt tot hun voorwerp: wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven.

Artikel 2049 van dat wetboek bepaalt dat dadingen slechts de geschillen regelen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt.

Afstand van recht wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn.

Het bestreden vonnis stelt het volgende vast :

- het appartement van de eiser vertoonde in 1983 voor het eerst een vochtprobleem;

- op 16 januari 1985 hebben de heer Z., de vorige eigenaar van dat appartement, en de verweerster een dading aangegaan waarvan akte is genomen in een proces-verbaal van de algemene vergadering van de mede-eigenaars, volgens hetwelk beide partijen, "met het oog op een snelle en minnelijke regeling van deze zaak", zich ertoe verbonden "de herstellings- en verbeteringskosten elk voor de helft te dragen".

- "die dading werd uitgevoerd en het probleem leek opgelost tot [de eiser] nieuwe klachten indiende met betrekking tot vocht in de litigieuze vertrekken";

- op de algemene vergadering van 18 september 1996 heeft de verweerster, naar aanleiding van die klachten, beslist "het terras en het tuintje van het flatgebouw opnieuw te laten onderzoeken en een aangifte ‘waterschade' in te dienen bij de verzekeringsmaatschappij", tevens preciseerde zij in welke mate de verweerster de werkzaamheden zou bekostigen.

Het vonnis stelt niet vast dat de tekst van de dadingsovereenkomst een andere afstand bevat dan die welke betrekking heeft op de bijdrage in de helft van de herstellings- en verbeteringskosten, die in 1985 gemaakt moesten worden om de toenmalige toestand te verhelpen.

De appelrechters hebben uitsluitend op grond dat "het vochtprobleem dat [de eiser] thans aanklaagt, kennelijk is veroorzaakt door dezelfde factoren als die welke ten grondslag liggen aan het vochtprobleem in 1983-1984, dat uitgerekend tot de dading van 16 januari 1985 heeft geleid" en dat "de dading werd gesloten met het oog op het te voorziene gegeven [dat] het vochtprobleem vroeg of laat, na verloop van tijd, opnieuw zou opduiken", niet wettig kunnen beslissen dat het geschil dat tussen de eiser en de verweerster in 1996 is ontstaan, begrepen was in de dading die de verweerster en de heer Z. hadden aangegaan.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het uitspraak doet over de hoofdvordering en in zoverre het uitspraak doet over de kosten van eerste aanleg en hoger beroep.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu, Alain Simon, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Afstand van rechten, rechtsvorderingen en eisen

  • Beoordeling