- Arrest van 7 februari 2012

07/02/2012 - P.11.1732.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 6 E.V.R.M., noch artikel 14 I.V.B.P.R. bepalen dat in de fase van het vooronderzoek of van het gerechtelijk onderzoek het psychiatrisch deskundigenonderzoek moet plaatsvinden in aanwezigheid van een tolk, een raadsman of een raadsgeneesheer van de onderzochte (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1732.N

C B,

beklaagde, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. S S, in eigen naam en als vertegenwoordiger van haar kinderen H B en Y B,

burgerlijke partij,

2. S B,

burgerlijke partij,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 september 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 19 januari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Verzoek tot uitstel

1. Krachtens artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, kunnen de partijen, wanneer het openbaar ministerie schriftelijk conclusie neemt, ten laatste op de rechtszitting en uitsluitend in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, een noot neerleggen waarin geen nieuwe middelen mogen worden aangebracht.

De conclusie van het openbaar ministerie werd neergelegd ter griffie van het Hof op donderdag 19 januari 2012. Op dezelfde datum werd de eiser in kennis gesteld van deze neerlegging, dit is tijdig overeenkomstig artikel 1105, derde lid, Gerechtelijk Wetboek.

Er is geen reden om de behandeling van de zaak uit te stellen of in voortzetting te zetten.

Dit houdt geen schending in van artikel 6 EVRM.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2. Op burgerlijk gebied bevestigt het arrest het beroepen vonnis dat de eiser veroordeelt tot betaling van een voorschot van 7500 euro aan de verweerster S S in eigen naam en een onderzoeksmaatregel beveelt, en dat de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding op vordering van die verweerster aanhoudt. Het arrest verwijst de zaak voor verdere afhandeling naar de eerste rechter.

Die beslissing is geen eindbeslissing.

Het cassatieberoep is in zoverre het tegen die beslissing is gericht, niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.e EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de eiser werd tijdens het gerechtelijk onderzoek aan een psychiatrisch deskundigenonderzoek onderworpen; dit onderzoek werd uitgevoerd op niet-tegensprekelijke wijze en zonder dat de eiser de mogelijkheid kreeg zich te laten bijstaan door een tolk; met de reden dat het deskundigenverslag geen gevolg heeft voor de beoordeling van de schuldvraag maar slechts relevant is voor de redengeving voor de strafmaat, weigert het arrest het verzoek van de eiser die tot de maximumstraf wordt veroordeeld, dit verslag uit het debat te weren in te willigen.

4. In zoverre het onderdeel gericht is tegen het verloop van het gerechtelijk onderzoek, en meer in het bijzonder, tegen de wijze waarop de psychiatrische expertise verliep, is het niet gericht tegen het arrest.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

5. Artikel 6.3.e EVRM en artikel 14.3.d IVBPR (lees 14.3f IVBPR) hebben alleen betrekking op het debat voor de vonnisgerechten.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

6. Artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR bepalen niet dat in de fase van het vooronderzoek of van het gerechtelijk onderzoek het psychiatrisch deskundigenonderzoek moet plaatsvinden in aanwezigheid van een tolk, een raadsman of een raadsgeneesheer van de onderzochte. Het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak worden in acht genomen wanneer de partijen de mogelijkheid krijgen om de gegevens te doen kennen, noodzakelijk voor hun verdediging, en om kennis te nemen van elk stuk of van elke opmerking die aan de rechter wordt voorgelegd en die te betwisten.

Nadat de rechter de schuldvraag heeft beoordeeld, mag hij rekening houden met alle gegevens, eigen aan de persoon van de beklaagde, op voorwaarde dat zij aan de tegenspraak zijn onderworpen en niet de wijze bestraft wordt waarop de beklaagde zich heeft verdedigd.

7. De appelrechters gronden hun oordeel over de schuldigverklaring van de eiser niet op het deskundigenverslag.

Zij houden met de bevindingen van de gerechtsdeskundige uitsluitend rekening bij de beoordeling over de strafmaat.

Aldus miskennen zij noch het recht op een eerlijk proces, noch het recht van verdediging.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verzoek het psychiatrisch deskundigenonderzoek dat op niet-tegensprekelijke wijze en zonder bijstand van een tolk, een raadsman of een raadsgeneesheer werd uitgevoerd, uit het debat te weren.

9. Met de reden "dat de door de verdediging gehekelde passages in het vonnis die verwijzen naar de gegevens van deze aangehaalde deskundigenverslagen, enkel betrekking hebben op de redengeving omtrent de strafmaat en geen element uitmaken van de beoordeling van de schuldvraag", beantwoorden de appelrechters eisers verweer over de beweerde onwettigheid van het deskundigenverslag en oordelen zij dat er geen reden is het te weren uit het debat.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek: de eiser werd schuldig verklaard aan een moordpoging, gepleegd op 27 december 2009; door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 23 juni 2010 werd deze misdaad gedenatureerd tot een wanbedrijf zodat het slechts met een correctionele gevangenisstraf kon worden bestraft; een correctionele gevangenisstraf bedroeg op het ogenblik van de feiten maximaal tien jaar gevangenisstraf; ingevolge artikel 2 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen (hierna: Wet Assisen) werd de maximale correctionele gevangenisstraf evenwel verhoogd tot twintig jaar; krachtens artikel 2 Strafwetboek dient de minst zware straf te worden toegepast, dit is te dezen de maximale straf die op het ogenblik van de feiten werd bepaald voor dit wanbedrijf; het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte tot de maximumstraf van twintig jaar terwijl op het ogenblik van het feit de maximumstraf slechts tien jaar bedroeg.

11. Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: "Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast."

Uit die bepaling volgt dat een zwaardere strafwet niet retroactief mag worden toegepast.

12. Er is een zwaardere straf in de zin van de voormelde bepaling indien de straf die de beklaagde kon oplopen op het ogenblik van de rechterlijke beslissing, zwaarder is dan de straf die hij kon oplopen op het tijdstip van het plegen van de feiten.

13. Krachtens artikel 394 Strafwetboek werd moord op het ogenblik van het plegen van het feit zowel als op het ogenblik van de rechterlijke beslissing gestraft met levenslange opsluiting. Poging tot moord werd en wordt krachtens artikel 52 Strafwetboek gestraft met de straf die, overeenkomstig de artikelen 80 en 81, onmiddellijk lager is dan die gesteld op de misdaad zelf, te weten tijdelijke opsluiting of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar.

14. Op het tijdstip van de feiten waaraan de eiser is schuldig verklaard, kon de poging tot moord niet worden gecorrectionaliseerd. De berechting ervan kon enkel gebeuren door het hof van assisen dat aan de eiser een straf van twintig tot dertig jaar opsluiting kon opleggen. Het hof van assisen kon, zo het bij toepassing van de artikelen 79 en 80, tweede lid, Strafwetboek verzachtende omstandigheden aannam, deze straf vervangen door opsluiting van vijftien tot twintig jaar of door een kortere termijn of door een gevangenisstraf van ten minste drie jaar.

15. Artikel 2, derde lid, 2°, Wet Verzachtende Omstandigheden, zoals gewijzigd door het op 1 mei 2010 in werking getreden artikel 230 Wet Assisen, laat de correctionalisering van de misdaad van poging tot moord toe.

16. De eiser is bij beschikking van de raadkamer te Gent van 23 juni 2010 met aanneming van verzachtende omstandigheden voor dit feit verwezen naar de correctionele rechtbank.

17. Artikel 25, vijfde lid, Strafwetboek, zoals gewijzigd bij het op 21 januari 2010 in werking getreden artikel 2 Wet Assisen, bepaalt dat de duur van de correctionele gevangenisstraf ten hoogste twintig jaar bedraagt voor een gecorrectionaliseerde misdaad strafbaar met opsluiting van twintig tot dertig jaar.

De straf die aan de eiser na aanneming van verzachtende omstandigheden kon worden opgelegd, bedroeg op het ogenblik van de feiten twintig jaar opsluiting en op het ogenblik van de rechterlijke beslissing twintig jaar gevangenisstraf.

Het middel dat aanvoert dat de straf op het ogenblik van de rechterlijke beslissing strenger was dan de straf op het tijdstip van de feiten waaraan de eiser is schuldig bevonden, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 107,28 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 7 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Aan de behandeling ten gronde voorafgaande fase

  • Bijstand van een tolk, advocaat of raadsgeneesheer

  • Artikel 6, E.V.R.M. en artikel 14, I.V.B.P.R.