- Arrest van 7 februari 2012

07/02/2012 - P.12.0054.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De in artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet 1874 bepaalde termijn van veertig dagen vanaf de aanhouding voor de mededeling aan de vreemdeling van het bevel tot aanhouding dat door de vreemde bevoegde overheid werd afgeleverd, is slechts van toepassing voor zover daarvan niet afgeweken wordt door een bepaling in een bilaterale uitleveringsovereenkomst tussen België en de verzoekende buitenlandse overheid.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0054.N

C L H,

verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, gedetineerd,

eiser,

met als raadslieden mr. Isa Gultaslar en mr. Redwan Mettioui, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het middel voert schending aan van artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet 1874: het arrest stelt de eiser niet in vrijheid; overeenkomstig de voormelde wetsbepaling moet de vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot uitlevering mededeling krijgen van het bevel tot aanhouding van de verzoekende buitenlandse overheid binnen de veertig dagen te rekenen van zijn arrestatie; op het ogenblik van de uitspraak van het arrest had die mededeling niet plaatsgevonden zodat die termijn was overschreden en de eiser, die aangehouden is op 17 november 2011, in vrijheid diende te worden gesteld.

2. De in artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet 1874 bepaalde termijn is slechts van toepassing voor zover daarvan niet afgeweken wordt door een bepaling in een bilaterale uitleveringsovereenkomst tussen België en de verzoekende buitenlandse overheid.

3. Artikel 10, § 4, van het uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika ondertekend op 27 april 1987, in zijn overeenkomstige versie met de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van 25 juni 2003 (hierna Uitleveringsverdrag België-VSA), bepaalt: "Een persoon, die, naar luid van deze Overeenkomst, het voorwerp is van een voorlopige aanhouding kan in vrijheid worden gesteld, indien de Regering van de aangezochte Staat binnen 75 dagen, te rekenen vanaf de dag van de voorlopige aanhouding, geen officieel verzoek tot uitlevering vergezeld van de stukken bedoeld in artikel 7, heeft ontvangen."

4. Uit die bepaling volgt dat wanneer het verzoek tot uitlevering van een persoon uitgaat van de Verenigde Staten van Amerika en die persoon het voorwerp uitmaakt van een voorlopige aanhouding, de termijn binnen dewelke hij mededeling moet krijgen van een officieel verzoek tot uitlevering, vastgesteld is op vijfenzeventig dagen te rekenen van de voorlopige aanhouding en niet op veertig dagen.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet 1874: het arrest laat na de onregelmatigheid van eisers arrestatie vast te stellen; eisers arrestatiebevel maakt geen melding van het Uitleveringsverdrag België-VSA dat het arrest nochtans van toepassing acht.

6. In zoverre het onderdeel de regelmatigheid van het arrestatiebevel aanvecht, is het niet gericht tegen het arrest en is het niet ontvankelijk.

7. De enkele omstandigheid dat het arrestatiebevel melding maakt van artikel 5 Uitleveringswet 1874 en niet van het Uitleveringsverdrag België-VSA, heeft niet voor gevolg dat het onregelmatig is. Het volstaat dat het onderzoeksgerecht dat geroepen is uitspraak te doen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, vaststelt dat de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van een arrestatiebevel vervuld zijn. Het arrest dat aldus oordeelt en die vaststelling doet, is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden.

Tweede middel

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.2 EVRM en artikel 9.2 IVBPR: bij zijn aanhouding werd de eiser niet gehoord door de onderzoeksrechter en was er geen tolk aanwezig die hem kon vertalen welke de juiste motieven van zijn voorlopige aanhouding en van zijn arrestatie zijn; evenmin blijkt dat een advocaat werd aangewezen die hem kon informeren en bijstaan bij zijn aanhouding; aldus is het arrestatiebevel strijdig met de vermelde verdragsbepalingen.

9. Het onderdeel, dat gericht is tegen eisers aanhouding, preciseert niet hoe en waardoor het arrest de vermelde verdragsbepalingen schendt.

Het onderdeel is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.2 EVRM en artikel 9.2 IVBPR: het voorlopig aanhoudingsbevel is niet regelmatig gemotiveerd; het bevat noch de vermeldingen in het officieel verzoek van de Amerikaanse overheid, noch de redenen over de hoogdringendheid, noch deze die zijn aanhouding rechtvaardigen, noch de precieze informatie betreffende de beschuldiging; aldus kan de eiser de regelmatigheid van zijn aanhouding niet nagaan.

11. Het onderdeel, dat gericht is tegen eisers voorlopig aanhoudingsbevel, preciseert niet hoe en waardoor het arrest de vermelde verdragsbepalingen schendt.

Het onderdeel is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet of onvoldoende eisers conclusie.

13. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die, zoals hier, geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvervolging.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

14. Voor het overige preciseert het middel niet op welk in conclusie ontwikkelde verweer het arrest niet of onvoldoende antwoordt.

Het middel is in zoverre onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 69,66 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 7 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Passieve uitlevering

  • Termijn waarbinnen het buitenlands bevel tot aanhouding moet worden medegedeeld

  • Algemene termijn van veertig dagen van artikel 5, tweede lid, Uitleveringswet 1874

  • Afwijkende termijn in bilateraal verdrag tussen België en de verzoekende buitenlandse overheid