- Arrest van 8 februari 2012

08/02/2012 - P.12.0215.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De oproeping om te verschijnen strekt tot eerbiediging van het recht van verdediging en is dus niet de akte waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de raadkamer die uitspraak doet inzake voorlopige hechtenis (1). (1) De eiser, die sedert 17 oktober 2011 onder aanhoudingsbevel is geplaatst, was opgeroepen om te verschijnen voor de raadkamer om uitspraak te horen doen over de vordering van de procureur des Konings tot zijn internering. Aangezien de regeling van de rechtspleging sine die was verdaagd wegens de uitvoering van aanvullende onderzoeksopdrachten, heeft de raadkamer uitspraak gedaan over de handhaving van de voorlopige hechtenis, nadat zij de eiser en diens raadslieden had verzocht om zich desbetreffend te verdedigen. Voor het Hof heeft de eiser met name aangevoerd dat de zaak niet bij de raadkamer aanhangig was gemaakt om uitspraak te doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, aangezien hij niet was opgeroepen om daarover uitspraak te horen doen. Het arrest beslist evenwel dat de zaak bij de raadkamer aanhangig was gemaakt door de vordering tot internering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0215.F

G. D. L.,

mrs. Vincent Colson en Adrien Masset, advocaten bij de balie te Verviers.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 26 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser had voor de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerd dat de raad-kamer niet wettelijk belast was met het toezicht op de voorlopige hechtenis, zodat noch de raadkamer noch de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd waren om dat toezicht uit te oefenen.

Met overneming van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie antwoordt het arrest dat de raadkamer, nadat zij het onderzoek van de regeling van de rechtspleging sine die had verdaagd, op de rechtszitting die voorzien was voor de behandeling van de vorderingen tot internering, de eiser en zijn raadslieden heeft gehoord over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Met eigen redenen voegt het daaraan toe dat de eiser zich niet heeft kunnen vergissen omtrent de draagwijdte van de aan hem gerichte oproeping.

Aangezien uit de stukken van de rechtspleging niet blijkt dat de eiser voor de raadkamer heeft betwist dat hij op regelmatige wijze voor die rechtszitting was opgeroepen, antwoordt de kamer van inbeschuldigingstelling aldus op zijn con-clusie.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het arrest zegt niet dat de oproeping de vermelding bevat dat de internering ge-vorderd wordt niet alleen "wegens de feiten die [de] voorlopige hechtenis [van de eiser] gronden" maar ook wegens "de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die veiligheidsmaatregel".

Het arrest zegt immers niet dat die vermeldingen in de oproeping staan, maar wel in de vordering op grond waarvan die oproeping was gedaan.

Het middel dat berust op een onjuiste lezing van de beslissing, mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

De eiser voert aan dat, aangezien hij niet werd opgeroepen om uitspraak te horen doen over de handhaving van zijn voorlopige hechtenis, hij zonder titel of recht is aangehouden, zodat een gerecht dat op verwijzing na cassatie uitspraak doet, niet bij machte zal zijn om een wettelijke grondslag voor zijn vrijheidsberoving te vin-den.

De oproeping om te verschijnen die strekt tot eerbiediging van het recht van ver-dediging, is niet de akte waarbij de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de raadka-mer die uitspraak doet inzake voorlopige hechtenis.

Dat rechtscollege wordt immers gevat door de vordering van het openbaar minis-terie.

Ten slotte heeft de onregelmatigheid van de rechtspleging voor de raadkamer die van maand tot maand uitspraak moet doen over de voorlopige hechtenis, en die voortvloeit uit het feit dat de inverdenkinggestelde en zijn raadsman niet op re-gelmatige wijze zouden zijn opgeroepen voor de rechtszitting, niet de nietigheid tot gevolg van de handhaving van de voorlopige hechtenis wanneer, zoals te de-zen, de wettelijke vormvoorschriften zijn nageleefd in hoger beroep.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser beperkt zich ertoe om de grief te herhalen die reeds in het derde onder-deel van het eerste middel is uiteengezet en waarop hierboven werd geantwoord.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Aanhangigmaking