- Arrest van 8 februari 2012

08/02/2012 - P.11.1918.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter is verplicht rekening te houden met de reeds bij eindbeslissing uitgesproken straffen, wanneer de te berechten en de reeds berechte misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van hetzelfde strafbaar opzet; het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1918.F

S. A. S.,

mr. Cédric Lefebvre, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

N. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 11 oktober 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvorde-ring

De eiser verwijt de appelrechters dat zij hem op onrechtmatige wijze, voor twee van de acht telastleggingen waarvoor hij veroordeeld werd, het voordeel hebben ontzegd van vrijstelling of vermindering van straf, als bepaald in artikel 65, twee-de lid, Strafwetboek.

Die bepaling legt de rechter de verplichting op rekening te houden met de reeds bij eindbeslissing uitgesproken straffen, wanneer de te berechten en reeds berechte misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet.

Het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats heeft in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken.

Ofschoon de bodemrechter op onaantastbare wijze oordeelt of dat opzet aanwezig is, staat het aan het Hof om na te gaan of de rechter, uit de door hem vastgestelde feiten, zowel het bestaan of niet-bestaan van eenzelfde opzet als de opeenvolgen-de en voortgezette uitvoering daarvan naar recht heeft kunnen afleiden.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiser:

- met name vervolgd wordt wegens aanranding van de eerbaarheid en diefstal met behulp van geweld of bedreiging, gepleegd in de nacht van 3 op 4 februari 2007;

- reeds vervolgd werd voor feiten van dezelfde aard, gepleegd op 6 mei 2006, waarvoor hij bij vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 27 oktober 2006, veroordeeld werd tot een jaar gevangenisstraf;

- op het hoger beroep tegen het voormelde vonnis, door het hof van beroep te Antwerpen bij verstek was veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf;

- verzet heeft aangetekend tegen dat arrest, dat op 3 mei 2011 niet ontvankelijk werd verklaard.

Het arrest beslist dat de in 2006 gepleegde feiten en die welke het jaar daarop zijn gepleegd, niet voortkomen uit hetzelfde opzet aangezien de tweede reeks gepleegd werd na uitspraak over de eerste.

Ook al had het reeds gewezen vonnis nog geen kracht van gewijsde op het ogen-blik dat de nieuwe feiten werden gepleegd, toch verbiedt artikel 65, tweede lid, Strafwetboek het rechtscollege dat van die feiten kennisneemt niet te oordelen dat de verschijning van de dader van die feiten voor de correctionele rechtbank en de waarschuwing die zijn veroordeling in eerste aanleg voor hem betekende, de een-heid van opzet kunnen doorbreken, daar de nieuwe feiten hun oorsprong vinden in een schuldig volharden in de misdaad en niet in de aangevoerde eenheid van op-zet.

De bekritiseerde overwegingen schenden bijgevolg de aangevoerde wetsbepaling niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eiser

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Eenheid van opzet

  • Collectief misdrijf

  • Eindveroordeling

  • Andere feiten

  • Een zelfde strafbaar opzet