- Arrest van 9 februari 2012

09/02/2012 - C.08.0474.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 94 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, zoals gewijzigd door de Verordening (EG) nr. 873/2004 van de Raad van 29 april 2004, gelezen in samenhang met de artikelen 11, eerste lid, 13, eerste tot en met derde lid., 16, 27 en 104 van deze Verordening moet aldus worden uitgelegd dat de houder of de licentiehouder een vordering wegens inbreuk kan instellen tegen een derde die het materiaal heeft verkregen via een andere licentiehouder die zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden of de beperkingen die zijn opgenomen in de licentieovereenkomst die laatstgenoemde licentiehouder eerder met de houder had gesloten, voor zover de betrokken voorwaarden of beperkingen rechtsreeks zien op de wezenlijke elementen van het betrokken communautaire kwekersrecht, hetgeen de verwijzende rechter dient te beoordelen; het is voor de beoordeling van de inbreuk van geen belang dat de derde die handelingen met betrekking tot het verkochte of afgestane materiaal heeft verricht, op de hoogte was of geacht werd op de hoogte te zijn van de in de licentieovereenkomst opgelegde voorwaarden of beperkingen (1). (1) HvJEU, zaak C-140/10, http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0474.N

GREENSTAR-KANZI EUROPE nv, met zetel te 3800 Sint-Truiden, Tongersesteenweg 152,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. J H,

2. J G,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 april 2008.

Terwijl het eerste middel, het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel werden afgewezen, heeft het Hof, bij het onderzoek van het derde onderdeel van het tweede middel, geoordeeld bij arrest van 25 februari 2010 een prejudiciële vraag te moeten stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarop dit Hof geantwoord heeft bij het arrest C-140/10 van 20 oktober 2011.

Mr. Johan Verbist heeft voor de eiseres op 15 november 2011 ter griffie een nota neergelegd.

Waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Het nog te beantwoorden derde onderdeel van het tweede middel luidt als volgt:

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 11, 13, 16, 23, 27, 94 en 104 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB L 227 van 1 september 1994);

- de artikelen 774 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel);

- het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbied voor het recht van verdediging.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verwerpen de vordering van de eiseres die ertoe strekte te horen zeggen voor recht dat de verweerders door het te koop aanbieden en verkopen van appels van het ras Nicoter onder de beschermde merknaam Kanzi, een inbreuk plegen op de kwekersrechten waarvan Better3fruit houder is, de staking te horen bevelen van bovenvermelde inbreukmakende praktijken en de publicatie van het tussen te komen arrest te horen bevelen, op grond van de volgende motieven:

"1.

Het (hof van beroep) bepaalt de relevante feiten ter oplossing van het geschil als volgt.

In het Mededelingsblad van het Communautair Bureau voor plantenrassen van 15 juni 2001 werd de aanvraag door nv Nicolaï gepubliceerd voor het appelras Nicoter, gedaan op 27 april 2001.

Uit de stukken van [de eiseres en Better3fruit] blijkt niet wanneer er een erkenning als kweker werd toegestaan. Uit stuk 11 van het dossier van [de verweerders]) kan misschien afgeleid worden dat de erkenning maar plaatsvond op 15 augustus 2005.

In het Mededelingsblad van 15 juni 2004 werd de wijziging betreffende de aanvrager, de vertegenwoordiger voor de procedure of de houder van een kwekersrecht gepubliceerd volgens welke vermelding het houderschap van het kwekersrecht van het appelras Nicoter per 20 april 2004 overging van Nicolaï naar Better3fruit.

Volgens de aanduidingen in dit Mededelingsblad bleef Nicolaï geregistreerd als kweker.

Om voormelde reden is niet duidelijk of het gaat om een wijziging van de aanvrager dan wel om de wijziging van identiteit van de houder van het reeds erkend kwekersrecht.

Volgens stuk 13 van het dossier van [de verweerders] [de eiseres en Better3fruit] leggen geen stukken neer met betrekking tot het merkendepot) werd het merk Kanzi op 8 november 2001 gedeponeerd met als merkhouder Better3fruit.

Dit depot werd gedaan voor de klassen 16, verpakkingsmateriaal voor fruit, promotiemateriaal en brochures in verband met de marketing van fruit en voor klasse 31, verse vruchten en fruit.

Als licentiehouders werden vermeld: cvba EFC (9 februari 2005) en nv Greenstar Kanzi Europe (22 september 2006).

De kwekersrechten werden door Nicolaï (volgens eigen toelichting op 3 september 2002) ingebracht in Better3fruit.

Better3fruit heeft aan Nicolaï in 2003 (een nauwkeuriger tijdsomschrijving wordt door [de eiseres en Better3fruit] niet gegeven) een exclusieve licentie verleend op het kwekersrecht en op de merken.

Nv Greenstar Kanzi Europe (afgekort als GKE) werd op 5 mei 2004 opgericht.

[De eiseres] verkreeg ingevolge een sublicentie de exclusieve exploitatierechten van het kwekersrecht op Nicoter en op de merknaam Kanzi voor wat de fruitteelt betreft.

Betwist tussen partijen is de datum van deze overeenkomst.

De licentieovereenkomst afgesloten tussen Better3fruit en Nicolaï werd op 20 januari 2005 ontbonden.

Volgens factuur nr. 240255 van 24 december 2004 verkocht Nicolaï 7.000 tweejarige bomen aan [de eerste verweerder] van het ras "Kanzi-nicoter (cov)".

Op 4 december 2007 werd door de gerechtsdeurwaarder vastgesteld dat op de markt van Hasselt [de tweede verweerder] appelen te koop aanbood onder de benaming Kanzi die afkomstig bleken te zijn van [de eerste verweerder]. (...)

Krachtens artikel 104 van Verordening nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautair kwekersrecht is [de eiseres] wel gerechtigd om de stakingsvordering te stellen met betrekking tot de beweerde inbreuken op het kwekersrecht.

7.

Uit de stukken (onder meer de reclamebrochure) en de gegeven toelichtingen volgt dat de naam Kanzi uitsluitend (alleszins tot nu toe) bestemd is voor de aanduiding van de appel van één welbepaald ras, Nicoter Kanzi is dus de naam die is gegeven aan één welbepaalde appelsoort, afkomstig van bomen van het ras Nicoter, om hem te onderscheiden van andere appelrassen of variëteiten.

Het staat niet ter betwisting dat de appels in kwestie afkomstig zijn van Nicoter¬bomen die als enig appelboomras de Kanzi appelen voortbrengen.

Daarbij moet ook verwezen worden naar lid 3 van artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautair kwekersrecht met betrekking tot het oogstmateriaal.

8.

De ingeroepen schending van het kwekersrecht op Nicoter-appelbomen komt samengevat hierop neer dat [de eiseres] aan [de eerste verweerder] verwijt op onrechtmatige wijze Nicoter-bomen te hebben aangekocht en dus op onrechtmatige wijze Kanzi-appelen te hebben geteeld met de verdere afleiding dat het in de handel brengen van de oogst als Kanzi-appelen een inbreuk uitmaakt op de eerlijke handelspraktijken.

9.

Er is geen enkele aanduiding dat de factuur van Nicolaï van 24 december 2004 niet overeenstemt met de realiteit zowel wat het voorwerp van de koop-verkoop betreft als van het tijdstip van deze verkoop. De koop-verkoop van Nicolaï aan [de eerste verweerder] van 7.000 appelbomen, omschreven als Kanzi-Nicoter-bomen, einde 2004 is daardoor bewezen.

10.

Indien ervan moet worden uitgegaan dat in 2004 het kwekersrecht reeds werd erkend overeenkomstig de verordening 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 blijkt dat op het ogenblik dat de koop-verkoop van Nicolaï aan [eerste verweerder] plaats had Nicolaï de erkende kweker was en dat ingevolge de licentieovereenkomst "van 2003" (stuk nr. 4 van het dossier van [de eiseres en Better3fruit]) Better3fruit aan Nicolaï een - zelfs exclusief - recht had verleend tot kweken en verkopen van de Nicoter-bomen met gebruik van de daaraan verbonden merken. In artikel 1.2 van dit contract wordt verwezen voor deze merken naar een bijlage nr. 2 die niet gevoegd is aan de overgelegde kopie van het contract maar er kan niet betwijfeld worden dat het om de merken Nicoter en Kanzi gaat waarvan trouwens wel sprake is in de voorafgaandelijke uiteenzetting van het contract en in artikel 6.4 van het contract.

Niet is bewezen dat einde 2004 dit recht ontnomen was aan Nicolaï. Integendeel zou volgens [de eiseres en Better3fruit] de overeenkomst maar ontbonden zijn op 20 januari 2005. Uit de brief van Better3fruit van die datum kan overigens afgeleid worden dat tot die datum de overeenkomst ook daadwerkelijk uitgevoerd werd, zij het dat Nicolaï naliet haar betalingsverbintenissen na te komen.

De overeenkomst van 13 april 2004, afgesloten tussen Nicolaï en [de eiseres] in oprichting (stuk nr. 6 dossier [eiseres en Better3fruit] moet in het licht daarvan beoordeeld worden. Krachtens artikel 2 van dit contract zou Nicolaï aan [de eiseres] (ook genoemd de Masterlicentienemer Europe) een exclusieve licentie toekennen met betrekking tot zowel de kwekersrechten als de merken.

In artikel 10 van het contract zijn evenwel een aantal opschortende voorwaarden vermeld en uit niets blijkt dat deze overeenkomst ooit daadwerkelijk uitvoering heeft gekregen terwijl de inhoud van voormelde brief van 20 januari 2005 onverzoenbaar is met de inhoud van dit contract.

De overige contracten waarnaar [de eiseres en Better3fruit] verwijzen dateren alle van 2005 en zijn niet van aard te bepalen over welke rechten Nicolaï beschikte einde 2004 op het ogenblik van de voornoemde verkoop aan [de eerste verweerder].

11.

Op basis van hetgeen hiervoor werd uiteen gezet besluit dit (hof van beroep) dat eind 2004 Nicolaï ingevolge licentieovereenkomst afgesloten met Better3fruit gerechtigd was om de Kanzi-Nicoter-bomen aan [de eerste verweerder] te verkopen met daaraan gekoppeld het recht voor [de eerste verweerder] om de van die aangekochte bomen geoogste appelen in de handel te brengen als Kanzi-appelen.

12.

In deze koop-verkoop heeft [de eerste verweerder] zich niet verbonden tot naleving van bepaalde voorschriften met betrekking tot de teelt van Kanzi-appelen en de verkoop van de oogst.

13.

In de licentieovereenkomst betreffende kwekersrechten en merken die Better3fruit en Nicolai afsloten was nochtans in artikel 6 bedongen dat Nicolaï "geen enkel licentieproduct zou overdragen of verkopen indien de betrokken tegenpartij niet voorafgaandelijk schriftelijk de teeltlicentie onder bijlage 6 onderschrijft (in geval van tegenpartij/teler) of de vermarketinglicentie vermeld onder bijlage 7 onderschrijft (in geval van tegenpartij/handelspartner)".

14.

Door de 7.000 Nicoter-bomen te verkopen aan [de eerste verweerder] zonder [de eerste verweerder] de voornoemde licentie te laten onderschrijven heeft Nicolaï een inbreuk begaan op haar contractuele verbintenissen.

15.

Het is niet bewezen dat [de eerste verweerder] op de hoogte was van het bestaan en inhoud van deze contractuele verplichtingen in hoofde van Nicolaï.

16.

Het is ook niet aangetoond dat het bestaan van de kwekersrechtelijke bescherming van de Kanzi-Nicoter-appelaars (die volgens partijen zou blijken uit de toevoeging cov die voorkomt op de factuur) inhoudt dat de landbouwer-fruitteler moet weten dat hij de appelaars in kwestie maar kan aankopen mits onderschrijving van bepaalde verbintenissen en dat hij zich schuldig maakt aan een inbreuk op de bescherming van het kwekersrecht indien hij dit niet doet.

Het laatste lid van artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautair kwekersrecht bepaalt dat de houder aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen kan verbinden. Het behoorde niet aan [de eerste verweerder] te informeren of van deze mogelijkheid gebruik was gemaakt.

17.

Aldus ontbreekt het bewijs dat [de eerste verweerder] wist of behoorde te weten dat hij de appelaars met miskenning van de hoger genoemde contractuele verplichtingen in hoofde van zijn medecontractant Nicolaï aankocht.

Door de aankoop van de appelaars van het Nicoterras van degene die rechtmatig als kweker de appelaars mocht verkopen mag [de eerste verweerder] de appelen als Kanzi-appelen in de handel brengen en mocht [de tweede verweerder] de appelen ook als Kanzi-appelen verkopen.

De vorderingen van [de eiseres] zijn om die redenen ongegrond.

18.

Het is dan ook overbodig te onderzoeken of voor de verkoop einde 2004 van appelaars aan [de eerste verweerder] het kwekersrecht reeds erkend was zodat ook niet moet onderzocht worden wat de gevolgen zijn die met betrekking tot de stakingsvordering moeten afgeleid worden uit artikel 95 van de Verordening".

Derde onderdeel

Overeenkomstig artikel 11 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht komt de aanspraak op een communautair kwekersrecht toe aan de persoon die het ras heeft gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, dit is de "kweker". Dit communautair kwekersrecht kan worden overgedragen aan een of meer rechtsopvolgers (artikel 23 van voormelde Verordening (EG) nr. 2100/94).

Artikel 13 van voormelde Verordening (EG) nr. 2100/94 bepaalt dat een communautair kwekersrecht als rechtsgevolg heeft dat de houder ervan bevoegd is om de in het tweede lid van deze bepaling genoemde handelingen te verrichten. Zo is de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen met betrekking tot componenten, of oogstmateriaal van het beschermde ras: a) voortbrengen of vermenigvuldigen, b) het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering, c) te koop aanbieden, d) verkopen of op andere wijze in de handel brengen, e) uitvoeren uit de Gemeenschap, f) invoeren in de Gemeenschap, g) opslaan voor een van de hierboven onder a) tot en met f) genoemde doeleinden.

Artikel 13, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2100/94 bepaalt nog dat de houder aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen kan verbinden.

Artikel 13, derde lid, van deze Verordening bepaalt dat voormeld tweede lid van artikel 13 voor oogstmateriaal slechts van toepassing is indien dit werd verkregen door het ongeoorloofde gebruik van componenten van het beschermde ras, tenzij de houder een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen.

Artikel 16 van voormelde Verordening (EG) nr. 2100/94 bepaalt nog dat het communautaire kwekersrecht zich niet uitstrekt tot handelingen met betrekking tot materiaal van het beschermde ras dat ergens in de gemeenschap door de houder of met diens toestemming aan anderen is afgestaan, of met betrekking tot materiaal dat uit genoemd materiaal is verkregen.

Overeenkomstig artikel 27 van voormelde Verordening (EG) nr. 2100/94 kunnen communautaire kwekersrechten geheel of gedeeltelijk het onderwerp zijn van contractuele licenties. Een licentie kan al dan niet exclusief zijn. De houder kan de uit het communautaire kwekersrecht voortvloeiende rechten inroepen tegen een licentiehouder die zich niet houdt aan een van de overeenkomstig lid 1 aan de licentie verbonden beperkingen.

Overeenkomstig artikel 94 van voormelde Verordening (EG) nr. 2100/94 kan eenieder die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, met betrekking tot een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, een van die in artikel 13, lid 2, genoemde handelingen verricht, door de houder in rechte worden aangesproken met het oog op de beëindiging van de inbreuk. De vorderingen wegens inbreuk kunnen door de houder worden ingesteld of door een exploitatiegerechtigde persoon (artikel 104 van voormelde Verordening (EG) nr. 2100/94).

Uit bovenvermelde bepalingen volgt dat de houder van het communautair kwekersrecht als enige bevoegd is om componenten of oogstmateriaal van het beschermde ras voort te brengen of te vermenigvuldigen, te conditioneren ten behoeve van de vermeerdering, te koop aan te bieden, te verkopen of op andere wijze in de handel te brengen, of op te slaan voor een van de hierboven genoemde doeleinden (artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 2100/94).

Aan de bescherming ingevolge het communautaire kwekersrecht komt echter een einde zodra het materiaal van het beschermde ras, of het materiaal dat uit genoemd materiaal is verkregen, ergens in de gemeenschap door de houder of met diens toestemming aan anderen is afgestaan (artikel 16 van de Verordening (EG) nr. 2100/94). Voor de toepassing van deze bepaling is vereist dat het materiaal door de houder of met diens toestemming aan anderen is afgestaan.

De licentiehouder is ingevolge de licentieovereenkomst gerechtigd om de handelingen bepaald in artikel 13, tweede lid, van voormelde verordening te stellen die in principe slechts door de houder van het kwekersrecht kunnen worden gesteld. Gezien de houder van het kwekersrecht voorwaarden en beperkingen aan zijn toestemming kan verbinden (artikel 13, tweede lid, van voormelde verordening), kan deze eveneens beperkingen aan de licentie verbinden (artikel 27, eerste en tweede lid, van de verordening).

Indien de licentiehouder materiaal afstaat zonder zich te houden aan de beperkingen die aan de licentie verbonden zijn, dan is dit materiaal afgestaan zonder de toestemming van de houder van het kwekersrecht en herneemt de houder van het kwekersrecht al zijn rechten met betrekking tot dit materiaal (de artikelen 13, 16 en 27 van voormelde verordening).

Dit betekent dat de houder van het kwekersrecht zijn rechten niet enkel kan inroepen tegen de licentiehouder die zich niet houdt aan de aan de licentie verbonden beperkingen, maar dat de houder eveneens kan opkomen tegen de derde aan wie de licentiehouder zonder toestemming van de houder van het kwekersrecht het materiaal heeft afgestaan en die op zijn beurt handelingen stelt als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van voormelde verordening. Het is hierbij zonder belang of de derde al dan niet te goeder trouw was en al dan niet op de hoogte was van de beperkingen die aan de licentiehouder waren opgelegd.

Tussen partijen was niet betwist dat Better3fruit eind 2004 houder was van het communautair kwekersrecht Nicoter (syntheseberoepsbesluiten van eiseres ingediend ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 februari 2008, blz. 3-4, nrs. 4-5; conclusie in hoger beroep van verweerders met datum 21 februari 2008, blz. 10-11, nrs. 37-39). De appelrechters stellen vast dat eind 2004 Nicolaï ingevolge de licentieovereenkomst afgesloten met Better3fruit gerechtigd was om de bomen van het ras Nicoter aan de eerste verweerder te verkopen met daaraan gekoppeld het recht voor de eerste verweerder om de van die aangekochte bomen geoogste appelen in de handel te brengen als Kanzi-appelen. De appelrechters stellen evenwel vast dat in de licentieovereenkomst tussen Better3fruit en Nicolaï voorwaarden verbonden waren aan de verkoop van de bomen van het ras Nicoter en dat de licentiehouder Nicolaï zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden bij de verkoop van de bomen aan de eerste verweerder, zodat Nicolaï door de verkoop van de bomen aan de eerste verweerder een inbreuk heeft begaan op haar contractuele verbintenissen ten aanzien van de houder van het communautair kwekersrecht, Better3fruit.

Derhalve blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat de bomen van het ras Nicoter niet met de toestemming van de houder van het communautair kwekersrecht zijn afgestaan, zodat de handelingen die de verweerders zonder de toestemming van de houder van het communautair kwekersrecht stelden, een inbreuk uitmaken op de rechten van de houder van het communautair kwekersrecht en deze laatste, evenals de eiseres, derhalve de verweerders kon aanspreken op grond van de artikelen 94 en 104 van Verordening (EG) nr. 2100/94.

Het enkele feit dat de eerste verweerder niet op de hoogte was en evenmin moest zijn van de contractuele verplichtingen in hoofde van Nicolaï doet aan het voorgaande geen afbreuk.

Door te beslissen dat de verweerders geen inbreuk begingen op de rechten van de houder van het communautair kwekersrecht en de eerste verweerder de appelen als Kanzi-appelen in de handel mocht brengen en de tweede verweerder de appelen als Kanzi-appelen mocht verkopen, op grond dat Nicolaï als licentiehouder weliswaar slechts onder voorwaarden gerechtigd was om de appelaars te verkopen, maar dat de verweerders niet op de hoogte waren van deze voorwaarden en van hen evenmin verwacht moest worden dat zij op de hoogte waren van deze voorwaarden die door de houder van het communautair kwekersrecht aan de licentiehouder waren opgelegd, schenden de appelrechters de artikelen 11, 13, 16, 23, 27, 94 en 104 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht.

Door verder te beslissen dat het irrelevant is of voor de verkoop van appelaars eind 2004 aan de eerste verweerder het kwekersrecht reeds erkend was, schenden de appelrechters eveneens de artikelen 11, 13, 16, 23, 27, 94 en 104 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautair kwekersrecht. Om de hierboven vermelde redenen kon immers Better3fruit, in zoverre zij eind 2004 inderdaad houder was van het communautair kwekersrecht haar rechten ten aanzien van de verweerders uitoefenen en de staking van de inbreuk eisen. Ditzelfde recht kwam ingevolge artikel 104 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 ook aan de eiseres toe.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Derde onderdeel

1. Krachtens artikel 11.1, van de verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 873/2004 van de Raad van 29 april 2004 (hierna: Verordening nr. 2100/94) komt de aanspraak op een communautair kwekersrecht toe aan de persoon die het ras heeft gekweekt of ontdekt en ontwikkeld, of zijn rechtverkrijgende.

Overeenkomstig artikel 94.1, a), Verordening nr. 2100/94 kan eenieder die zonder daartoe gerechtigd te zijn, met betrekking tot een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, een van de in artikel 13, lid 2, genoemde handelingen verricht, door de houder in rechte worden aangesproken met het oog op de beëindiging van de inbreuk of de betaling van een passende vergoeding.

Krachtens artikel 104.1 Verordening nr. 2100/94 kunnen vorderingen wegens inbreuk door de houder worden ingesteld en kan een tot exploitatie gerechtigde persoon een dergelijke vordering wegens inbreuk instellen, tenzij dit uitdrukkelijk uitgesloten is bij overeenkomst met de houder in het geval van een exclusieve licentie dan wel door het Bureau, krachtens het bepaalde in artikel 29 of 100.1.

2. Artikel 13 Verordening nr. 2100/94 bepaalt:

"1. Een communautair kwekersrecht heeft als rechtsgevolg dat de houder of houders ervan, hierna ‘de houder' genoemd, bevoegd is, respectievelijk zijn, om de in lid 2 genoemde handelingen te verrichten.

2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15 en 16, is de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen met betrekking tot componenten, of oogstmateriaal van het beschermde ras, welke componenten of oogstmateriaal hierna alle ‘materiaal' worden genoemd:

a) voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering);

b) het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering;

c) te koop aanbieden;

d) verkopen of op andere wijze in de handel brengen,

e) uitvoeren uit de Gemeenschap,

f) invoeren in de Gemeenschap,

g) opslaan voor een van de hierboven onder a) tot en met f) genoemde doeleinden.

De houder kan aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen verbinden.

3. Lid 2 is voor oogstmateriaal slechts van toepassing indien dit werd verkregen door het ongeoorloofde gebruik van componenten van het beschermde ras, tenzij de houder een redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen (...)."

3. Krachtens artikel 16 Verordening nr. 2100/94 strekt het communautaire kwekersrecht zich in regel niet uit tot handelingen met betrekking tot materiaal van het beschermde ras of van een ras dat onder de bepalingen van artikel 13, lid 5, valt, dat ergens in de Gemeenschap door de houder of met diens toestemming aan anderen is afgestaan, of met betrekking tot materiaal dat uit genoemd materiaal is verkregen.

Krachtens artikel 27.1 Verordening nr. 2100/94 kunnen communautaire kwekersrechten geheel of gedeeltelijk het onderwerp zijn van contractuele licenties en kan een licentie al dan niet exclusief zijn.

Overeenkomstig artikel 27.2 Verordening nr. 2100/94 kan de houder de uit het communautaire kwekersrecht voortvloeiende rechten inroepen tegen een licentiehouder die zich niet houdt aan een van de overeenkomstig lid 1 aan de licentie verbonden beperkingen.

4. In het arrest C-140/10 van 20 oktober 2011 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie beslist dat artikel 94 Verordening nr. 2100/94, gelezen in samenhang met de artikelen 11, eerste lid, 13, eerste tot en met derde lid, 16, 27 en 104 van deze verordening, in omstandigheden als die van het hoofdgeding aldus moet worden uitgelegd dat de houder of de licentiehouder een vordering wegens inbreuk kan instellen tegen een derde die het materiaal heeft verkregen via een andere licentiehouder die zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden of de beperkingen die zijn opgenomen in de licentieovereenkomst die laatstgenoemde licentiehouder eerder met de houder had gesloten, voor zover de betrokken voorwaarden of beperkingen rechtstreeks zien op de wezenlijke elementen van het betrokken communautaire kwekersrecht, hetgeen de verwijzende rechter dient te beoordelen.

In hetzelfde arrest beslist het Hof van Justitie dat het voor de beoordeling van de inbreuk van geen belang is dat de derde die handelingen met betrekking tot het verkochte of afgestane materiaal heeft verricht, op de hoogte was of geacht werd op de hoogte te zijn van de in de licentieovereenkomst opgelegde voorwaarden of beperkingen.

5. De appelrechters stellen vast dat:

- eind 2004 Nicolaï ingevolge de licentieovereenkomst afgesloten met Better3fruit gerechtigd was om de Kanzi-Nicoter-bomen aan de eerste verweerder te verkopen met daaraan gekoppeld het recht voor de eerste verweerder om de van die aangekochte bomen geoogste appelen in de handel te brengen als Kanzi-appelen;

- in deze koop-verkoop de eerste verweerder zich niet heeft verbonden tot naleving van bepaalde voorschriften met betrekking tot de teelt van Kanzi-appelen en de verkoop van de oogst;

- in de licentieovereenkomst betreffende kwekersrechten en merken die Better3fruit en Nicolaï afsloten, nochtans in artikel 6 was bedongen dat Nicolaï "geen enkel licentieproduct zou overdragen of verkopen indien de betrokken tegenpartij niet voorafgaandelijk schriftelijk de teeltlicentie onder bijlage 6 onderschrijft (in geval van tegenpartij/teler) of de vermarktinglicentie vermeld onder bijlage 7 onderschrijft (in geval van tegenpartij/handelspartner)";

- Nicolaï een inbreuk heeft begaan op haar contractuele verbintenissen door de 7.000 Nicoterbomen te verkopen aan de eerste verweerder zonder deze de voornoemde licentie te laten onderschrijven.

De appelrechters wijzen vervolgens de vordering van de eiseres wegens inbreuk op het communautaire kwekersrecht tegen de verweerders af, op grond dat het bewijs ontbreekt dat de eerste verweerder wist of behoorde te weten dat hij de appelbomen met miskenning van de hoger genoemde contractuele verplichtingen in hoofde van zijn medecontractant Nicolaï aankocht.

De appelrechters beantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 9 februari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verordening (EG) nr. 2100/94

  • Communautair kwekersrecht

  • Inbreuk

  • Houder

  • Licentiehouder

  • Vordering tegen een derde

  • Voorwaarden

  • Beoordeling