- Arrest van 10 februari 2012

10/02/2012 - F.11.0007.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de vraag rijst of artikel 70, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Vedrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt doordat het de rechtbank van eerste aanleg niet toestaat om de door die wetsbepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel of met een maatregel van opschorting of probatie, terwijl de overtreder dat voordeel zou kunnen genieten als hij om dezelfde redenen voor de correctionele rechtbank verschijnt en straffen opgelegd krijgt die zijn bepaald door de artikelen 73 en volgende van hetzelfde wetboek moet het Hof, krachtens artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof die vraag stellen aan dat Hof (1). (1) In zijn schriftelijke conclusie was het openbaar ministerie inzonderheid van mening dat het middel, dat gestoeld was op het op 6 november 2008 door het Grondwettelijk Hof gewezen arrest 157/2008 dat beslist dat artikel 70, § 1, eerste lid, van het Btw-wetboek strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, faalt naar recht, met dien verstande dat uit het stelsel van het prejudicieel geschil dat onder meer wordt geregeld door de artikelen 26 en 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, weliswaar volgt dat de rechter in andere zaken die hetzelfde voorwerp hebben als een reeds beantwoorde prejudiciële vraag, de door dat Hof ongrondwettelijk verklaarde wetsbepaling niet mag toepassen, maar dat de rechter evenwel de ongrondwettelijkheid van een door het Grondwettelijk Hof vastgestelde wetsbepaling niet naar analogie mag uitbreiden tot een andere wetsbepaling waarover dat Hof nog geen uitspraak heeft gedaan, zelfs als die bepaling een soortgelijke inhoud heeft als diegene die reeds ongrondwettelijk was verklaard.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0007.F

ITAL DISTRIBUTION nv,

Mr Jean-Pol Douny, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 28 april 2010 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 20 januari 2012 ter griffie zijn conclusie neergelegd.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes geconcludeerd.

II. FEITEN

1. De administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOIF) heeft een controle van de eisende vennootschap uitgevoerd voor de periodes van 1 oktober tot 31 december 2000 en van 1 januari tot 30 november 2001.

Het eerste proces-verbaal van de administratie van 16 september 2002 vermeldt dat de bedragen onder de rekeningen "winkelverkopen" en "particulieren" in werkelijkheid merendeels betrekking hebben op leveringen aan vaste klanten uit de Horecasector, die belastingplichtige klanten zijn.

De administratie heeft geoordeeld dat eiseres aan al die klanten een factuur moest uitreiken, overeenkomstig artikel 53 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 1 van het koninklijk besluit nr 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, hetgeen niet was geschied.

De administratie heeft aan eiseres een geldboete opgelegd zoals bepaald in artikel 70, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Voor de berekening van die geldboete heeft ze rekening gehouden met de totale omzet die tijdens de litigieuze periode onder "winkelverkopen" en "particulieren" gerealiseerd werd.

Aangezien eiseres die geldboete weigerde te betalen, werd op 22 mei 2003 lastens haar een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van 10.270 euro.

Een tweede proces-verbaal werd volgens hetzelfde schema opgesteld op 11 december 2003, voor de periode van 1 januari tot 30 november 2001. De administratie heeft aan eiseres ook een geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 2, van het Wetboek van de BTW.

Aangezien eiseres die geldboete weigerde te betalen werd op 9 februari 2004 lastens haar een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van 62.130 euro. Dat bedrag werd in de loop van de procedure herleid tot 31.050 euro.

2. Eiseres heeft tegen beide dwangbevelen verzet aangetekend en de rechtbank van eerste aanleg te Luik heeft in haar vonnis van 6 april 2006 voor recht gezegd dat ze nietig waren en niet mochten worden uitgevoerd.

Op het hoger beroep van eiseres oordeelt het bestreden arrest dat de overtredingen van de wetgeving op de belasting over de toegevoegde waarde bewezen zijn en dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van het misdrijf.

Het oordeelt bovendien dat "voor het overige uit de thans aan het hof [van beroep] voorgelegde hypothese in concreto niet blijkt dat de omstandigheid dat de wetgever niet in een eventueel uitstel heeft bepaald voor de toepassing van de door de wet bepaalde geldboetes, op zich en principieel van die aard is dat het de toepassing van de door de wet bepaalde fiscale geldboetes in de weg staat, gezien de opgelegde geldboete niet onevenredig lijkt met de ernst van het misdrijf en het instellen van de mogelijkheid in fiscale aangelegenheden uitstel te verlenen, met inbegrip van probatieuitstel, ontegensprekelijk onder de uitsluitende bevoegdheid van de wetgever valt".

III. CASSATIEMIDDELEN

In haar verzoek tot cassatie waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert eiseres drie middelen aan.

Het eerste middel betreft het bestaan van het misdrijf dat tot de geldboete geleid heeft.

Het tweede houdt verband met de motivering van de litigieuze beslissing van de verweerder.

Het derde middel voert aan dat artikel 70, § 2, Btw-wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt en bijgevolg niet mag worden toegepast. Bijkomend vraagt eiseres aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

(...).

Derde middel

Het middel voert aan dat er discriminatie is en dus schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Vedrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, tussen :

- de rechtzoekenden aan wie een fiscale geldboete is opgelegd met toepassing van artikel 70, § 2, Btw-wetboek en die niet kunnen genieten van maatregelen tot individualisering van de straf zoals opschorting, uitstel en probatie, en

- de rechtzoekenden aan wie de correctionele rechtbank een geldboete heeft opgelegd met toepassing van de artikelen 73 en volgende van hetzelfde wetboek et die wel van dergelijke maatregelen kunnen genieten.

Eiseres leidt daaruit af dat voornoemd artikel 70, § 2, algeheel niet van toepassing is.

Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, doet het Hof prejudicieel uitspraak over de vragen met betrekking tot de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Krachtens artikel 26, § 2, van dezelfde wet moet het Hof de in het beschikkend gedeelte van dit arrest opgeworpen vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum,

Het Hof,

Houdt iedere nadere uitspraak aan totdat het Grondwettelijk Hof een prejudiciële uitspraak heeft gedaan over de volgende vraag :

"Schendt artikel 70, § 2, eerste lid, Btw-wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden doordat het de rechtbank van eerste aanleg niet toelaat om de door die wetsbepaling voorgeschreven geldboete met uitstel of met een maatregel van opschorting of probatie op te leggen, terwijl de overtreder dat voordeel zou kunnen genieten als hij wegens dezelfde feiten voor de correctionele rechtbank zou verschijnen om er te worden bestraft overeenkomstig de artikelen 73 en volgende van hetzelfde wetboek?"

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 10 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Prejudicieel geschil

  • Btw

  • Fiscale geldboetes

  • Strafrechtelijke boete

  • Individualisering van de straf

  • Discriminatie

  • Verenigbaarheid met de Grondwet

  • Prejudicieel geschil

  • Hof van Cassatie

  • Verplichting