- Arrest van 10 februari 2012

10/02/2012 - F.11.0019.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bescherming die de uitkeringsgerechtigden genieten op grond van het tweede lid van artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek, en waardoor zij bij voorrang op de overige schuldeisers uitbetaald kunnen worden met de in de artikelen 1409 en volgende bedoelde inkomsten, houdt geen verband met het feit dat die inkomsten niet voor beslag vatbaar zijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0019.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. N. G., als curator van de erfloze nalatenschap B.G.

(...)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 2 november 2010, dat op verwijzing uitspraak deed na het arrest van het Hof van 5 mei 2006.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede onderdeel

Artikel 1412 Gerechtelijk Wetboek beschermt de in dat artikel, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde uitkeringsgerechtigden door, enerzijds, in dat eerste lid, te bepalen dat de beperkingen en uitsluitingen waarin de artikelen 1409, 1409bis en 1410, § 1, § 2, 1° tot 7°, § 3 en § 4 voorzien, niet van toepassing zijn op de overdracht, op het beslag en op delegatie die worden verricht wegens onderhoudsverplichtingen en door, anderzijds, in een tweede lid, te bepalen dat, wanneer de bedragen die aan de onderhoudsplichtige verschuldigd zijn hem geheel of gedeeltelijk niet mogen worden uitgekeerd om een van de in het eerste lid bedoelde redenen, namelijk na een overdracht, een beslag of een delegatie die om dezelfde onderhoudsverplichtingen zijn verricht, die bedragen slechts vatbaar zijn voor overdracht of beslag om een andere reden, tot beloop van het bedrag dat is vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V Gerechtelijk Wetboek, verminderd met de bedragen die zijn overgedragen, in beslag genomen of aan de echtgenoot betaald, krachtens de wetsbepalingen die in het eerste lid worden genoemd.

De bescherming die de uitkeringsgerechtigden genieten op grond van het tweede lid van artikel 1412 Gerechtelijk Wetboek, en waardoor zij bij voorrang op de overige schuldeisers uitbetaald kunnen worden met de in de bovenaangehaalde artikelen 1409 en volgende bedoelde inkomsten, houdt geen verband met het feit dat die inkomsten niet voor beslag vatbaar zijn.

Daaruit volgt dat de uitkeringsgerechtigden die bescherming van de in artikel 1409bis Gerechtelijk Wetboek bedoelde inkomsten genieten, ook al heeft de schuldenaar nagelaten om, overeenkomstig artikel 1408, § 3, een vordering in te stellen teneinde te doen erkennen dat de kwestieuze inkomsten niet voor beslag vatbaar zijn.

Het onderdeel dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

Het arrest vermeldt dat "de huurgelden waarop derdenbeslag is gelegd behoren tot de bedragen bedoeld in de artikelen 1409 en volgende Gerechtelijk Wetboek. Anders gezegd, de huurgelden waarop beslag is gelegd, vormen wel degelijk, in strijd met wat [de eiser] beweert, bedragen die ten bate van de schuldvordering tot levensonderhoud worden beschermd."

Het antwoordt aldus op de conclusie van de eiser die staande hield dat de huurgelden waarop derdenbeslag was gelegd, geen beschermde inkomsten vormden in de zin van de artikelen 1409 en volgende Gerechtelijk Wetboek.

Voor het overige blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel dat het arrest een onderscheid maakt tussen, enerzijds, de omstandigheid dat de regels volgens welke bepaalde inkomsten niet vatbaar zijn voor beslag, niet gelden voor de uitkeringsgerechtigden en, anderzijds, de ‘absolute voorrang' die laatstgenoemden genieten op de schuldvordering op in de artikelen 1409 en volgende Gerechtelijk Wetboek bedoelde inkomsten, in geval van samenloop met andere schuldeisers van de schuldenaar. Het antwoordt aldus op de conclusie van de eiser die staande hield dat de uitkeringsgerechtigden geen aanspraak konden maken op een recht van voorrang ten aanzien van de huurgelden, indien de beslagen schuldenaar had nagelaten persoonlijk, met inachtneming van de in artikel 1408, § 3, bedoelde vormvereisten en termijnen, te vorderen dat die huurgelden niet voor beslag vatbaar zouden worden verklaard.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitkeringsgerechtigde

  • Bescherming

  • Inkomsten niet voor beslag vatbaar