- Arrest van 15 februari 2012

15/02/2012 - P.12.0247.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 20, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, dat het vrij verkeer met andere inverdenkinggestelden verbiedt om het gevaar te verhelpen dat bewijzen zouden verdwijnen of iemand zich zou verstaan met derden, heeft tot doel alle vrij verkeer met andere bij dezelfde feiten betrokken inverdenkinggestelden te verbieden maar niet met alle gedetineerden van een strafinrichting (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 2012, nr. ….


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0247.N

M.-.H. M.,

mrs. Martin en Judith Orban, advocaten bij de balie te Eupen, en Jean-Michel

Trésor, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is in het Duits gesteld en is gericht tegen het in die taal gewezen arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 februari 2012.

Bij beschikking van 9 februari 2012 heeft de eerste voorzitter van het Hof bevolen dat de rechtspleging vanaf de rechtszitting in het Frans zal worden gevoerd.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over het verbod van vrij verkeer met alle gedetineerden

Eerste middel

Het middel dat de schending aanvoert van artikel 20, § 3, Voorlopige Hechteniswet, verwijt de kamer van inbeschuldigingstelling dat zij heeft beslist dat het in dat artikel bepaalde verbod van vrij verkeer voor alle gedetineerden geldt.

Artikel 20, § 3, Voorlopige Hechteniswet, ingevoegd bij wet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, bepaalt met name dat, als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een onder aanhouding geplaatste verdachte zou pogen bewijzen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, de onderzoeksrechter kan bevelen om hem gescheiden te houden van andere verdachten.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wet, door vrij verkeer met andere verdachten te verbieden om het gevaar te verhelpen dat bewijzen zouden verdwijnen of iemand zich zou verstaan met derden, tot doel had alle vrij verkeer met andere bij dezelfde feiten betrokken verdachten te verbieden maar niet met alle gedetineerden van een strafinrichting.

Het arrest dat beslist om de door de onderzoeksrechter bevolen maatregel van totaal verbod van vrij verkeer tussen de eiseres en haar medegedetineerden te handhaven, voegt aan de wet een uitzondering toe aan het recht op vrij verkeer, die daarin niet is bepaald.

Het middel is gegrond.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op het verbod van vrij verkeer met R., G. en J. S.

Ambtshalve middel: schending van artikel 20, § 4, Voorlopige Hechteniswet.

Krachtens dit artikel moet de onderzoeksrechter de strikt noodzakelijke duur bepalen van het door hem bevolen verbod van vrij verkeer.

De onderzoeksrechter heeft alleen vermeld dat de verboden zouden gelden tot aan de beschikking tot mededeling.

Door die beslissingen te bevestigen schendt het arrest de in het middel bedoelde wetsbepaling.

Het tweede en derde middel behoeven geen onderzoek daar ze niet tot vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 15 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verbod op vrij verkeer

  • Verbod van contact met andere inverdenkinggestelden