- Arrest van 15 februari 2012

15/02/2012 - P.12.0225.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch de artikelen 18, § 1 en 2, en 21, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, noch de artikelen 5 en 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, leggen de verplichting op om de inverdenkinggestelde inzage te geven van het dossier vóór de ondervraging door de onderzoeksrechter en vooraleer het bevel tot aanhouding is verleend.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0225.F

I. Y. B.,

II. Y. B.,

mr. Olivier Dupont, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 februari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

In een akte die op de griffie is neergelegd op 14 februari 2012, vordert de eiser de wraking van raadsheer Benoît Dejemeppe.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

B. Cassatieberoep dat op 1 februari 2012 is ingesteld op de griffie van het hof van beroep

Eerste middel

Het arrest wordt verweten dat het de voorlopige hechtenis van de eiser handhaaft ofschoon de inverdenkinggestelde en zijn raadsman, met miskenning van het recht van verdediging en inzonderheid schending van de artikelen 5 en 6 EVRM, het dossier niet hebben kunnen raadplegen vóór het verhoor door de onderzoeksrechter en vooraleer het bevel tot aanhouding werd verleend.

Artikel 18, § 1 en § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat, zodra het bevel tot aanhouding betekend is, de verdachte onmiddellijk een volledig afschrift van dat bevel wordt gegeven. Hierbij wordt een afschrift gevoegd van de processen-verbaal van zijn verhoor door de politie en door de onderzoeksrechter.

Krachtens artikel 21, § 3, van dezelfde wet, wordt het dossier gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning voor het rechtscollege dat belast is met het toezicht op de wettigheid van de inhechtenisneming, ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman.

Wanneer de verdachte persoon aangehouden wordt, hebben hijzelf en zijn advocaat dus toegang tot de stukken van het dossier aan de hand waarvan kan worden nagegaan of het bevel tot aanhouding op regelmatige wijze is verleend. Artikel 21, § 4, draagt dat onderzoek op aan de raadkamer binnen vijf dagen na het verlenen van de titel van vrijheidsberoving.

Die bepalingen die de artikelen 5 en 6 EVRM niet schenden, leggen de verplichting op om de inverdenkinggestelde inzage te geven van het dossier vóór het eerste toezicht op het bevel en niet vooraleer de onderzoeksrechter beslist of weigert het bevel te verlenen.

De voorafgaande inzage waarop de eiser beweert recht te hebben, kan geen voorwaarde zijn voor de geldigheid van de akten en beschikkingen van het voorbereidend onderzoek, vermits de wet, behoudens de daarin bepaalde uitzonderingen, het unilaterale en geheime karakter daarvan verzekert.

Het middel faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Françoise Roggen en Michel Lemal, en in openbare rechtszitting van 15 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Voorlopige hechtenis

  • Bevel tot aanhouding

  • Inzage van het dossier

  • Inzage van het dossier vooraleer het bevel tot aanhouding is verleend

  • Verplichting