- Arrest van 17 februari 2012

17/02/2012 - C.10.0323.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gezag van het rechterlijk gewijsde op de strafvordering is beperkt tot hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, rekening houdende zowel met het dictum als met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken (1). (1) Cass. 12 feb. 2004, AR C.01.0013.N, AC, 2004, nr. 75.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0323.F

1. BELGIAN MINERALS AND MATERIALS ENGINEERING COMPANY nv,

2. O. C.,

3. P. W.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

D. V.,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 mei 2006.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Betreffende de door de verweerder tegen het cassatieberoep van de eiseres opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: de naamloze vennootschap Belgian Minerals and Materials Engineering Company toont niet aan dat zij in de rechten van de Wescam bvba is getreden:

De eiseres heeft, in bijlage bij haar memorie van wederantwoord, een akte van fusie overgelegd, die op 30 november 2006 verleden is voor notaris P.N. te Grez-Doiceau en op 10 januari 2007 neergelegd is op griffie van de rechtbank van koophandel te Nijvel; die akte bevestigt dat Wescam bvba werd opgeslorpt door de naamloze vennootschap Belgian Minerals and Materials Engineering Company.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel

Eerste onderdeel

Het arrest van 14 maart 1997 van het hof van beroep te Brussel, rechtszitting houdende in correctionele zaken, vermeldt met betrekking tot het misdrijf bedrog dat de eisers sub 2 en 3 de verweerder en zijn broer M.V. ten laste leggen:

- "[de verweerder] voert, op geloofwaardige wijze, aan dat hij zijn problemen met de administratie van stedenbouw en met de buren nooit verborgen heeft gehouden voor de [eisers sub 2 en 3]; het hele dorp zou daarvan ook op de hoogte zijn geweest; hij beroept zich op het getuigenis van notaris S. die vermeldt dat het stedenbouwkundig geschil was opgeworpen bij de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst, wat de verschillen zou verklaren tussen de handgeschreven vermeldingen van de onderhandse koopovereenkomst tussen M.V. en [de eiser sub 2] en die welke voorkomen in de authentieke koopakte van 29 september 1992; de onderhandse koopovereenkomst vermeldde immers dat ‘de verkoper ten aanzien van stedenbouw persoonlijk verantwoordelijk blijft voor de gebouwen die hij heeft opgetrokken en dat de koper dienaangaande geen enkele verbintenis aangaat', terwijl in een handgeschreven renvooi bij de ondertekening van de authentieke akte het volgende werd gepreciseerd: ‘dienaangaande erkent de koper dat het goed verkocht is zonder garantie van de stedenbouwkundige toestand en hij ontslaat de verkoper van elke verantwoordelijkheid op dat vlak'; die fundamentele wijzigingen kunnen slechts worden verklaard door de besprekingen tussen de partijen over de stedenbouwkundige toestand van de verkochte goederen, waarbij [de verweerder] van zijn kant aanvaardt alle desbetreffende verantwoordelijkheden op zich te nemen".

- "in een brief van 24 september 1992 aan een firma Qualitinvest herinnerde [de eiser sub 2] eraan dat hij [de verweerder] al ettelijke jaren kende zodat het onwaarschijnlijk is dat hij geen weet zou hebben gehad van de onenigheid tussen laatstgenoemde en stedenbouw m.b.t. het verkochte goed".

Het arrest van 14 maart 1997 dat uit die overwegingen afleidt "dat aldus moet worden vastgesteld dat het niet bewezen is dat de stedenbouwkundige problemen van de verkopers V. verborgen zouden gebleven zijn voor de [eisers], wier aandacht wel degelijk op die problemen werd gevestigd, ook al werd de omvang ervan misschien geminimaliseerd" spreekt de verweerder niet vrij van de tenlastelegging bedrog wegens het bestaan van twijfel alleen.

Het onderdeel dat volledig berust op de tegenovergestelde bewering, gaat uit van een onjuiste uitlegging van dat arrest en mist, bijgevolg, feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde is beperkt tot hetgeen zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, rekening houdende zowel met het dictum als met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaken.

In arrest van 14 maart 1997 heeft het hof van beroep te Brussel de verweerder vrijgesproken van de tenlastelegging bedrog omtrent de aard van de verkochte zaak, op grond "dat het niet bewezen is dat de stedenbouwkundige problemen van de verkopers verborgen zouden gebleven zijn voor de kopers [...], wier aandacht wel degelijk op die problemen werd gevestigd, ook al werd de omvang ervan misschien geminimaliseerd".

Er is sprake van bedrog omtrent de aard van de verkochte zaak, dat strafbaar is krachtens 498, derde lid, Strafwetboek, wanneer vast staat dat de verkoper, met de bedoeling zich ten nadele van een ander te verrijken door het gebruik van listen, arglistigheden of leugens een zaak geleverd heeft die in schijn gelijk is aan die welke de koper heeft gekocht of heeft gemeend te kopen, doch die ongeschikt is voor het gebruik waartoe ze bestemd was, en wanneer de overeenkomst niet gesloten zou zijn geweest, indien de koper die omstandigheid had gekend.

Het voornoemde arrest van 14 maart 1997 dat de verweerder vrijspreekt van die tenlastelegging beslist zeker en noodzakelijk dat de omstandigheid dat de omvang van verweerders stedenbouwkundige problemen mogelijks was geminimaliseerd niet voldoende is om het materiële bestanddeel van het misdrijf op te leveren, en bijgevolg geen bedrog, arglistigheid of leugen vormt om de koper te misleiden omtrent de aard van de zaak.

De verzwijging van een partij bij het sluiten van een overeenkomst kan in bepaalde gevallen bedrog opleveren in de zin van artikel 1116 Burgerlijk Wetboek wanneer zij betrekking heeft op een feit dat, indien de wederpartij ervan op de hoogte was geweest, ertoe zou geleid hebben dat zij de overeenkomst niet zou hebben gesloten of ze tegen een goedkopere prijs zou hebben gesloten.

Het in artikel 1116 Burgerlijk Wetboek bedoelde bedrog impliceert echter dat een contractant opzettelijk arglistigheden aanwendt teneinde de wederpartij aan te sporen de overeenkomst onder de bedongen voorwaarden te sluiten.

Bijgevolg beslist het bestreden arrest naar recht dat "het loutere bestaan van de [in het arrest van 14 maart 1997] aangevoerde mogelijkheid dat het stedenbouwkundig probleem zou zijn geminimaliseerd [...], geen invloed heeft op het volstrekte gezag van dat arrest en dat alle bestanddelen van het [aan de verweerder] ten laste gelegde bedrog dekt" om daaruit af te leiden dat "het aan laatstgenoemde verweten bedrog niet bewezen is".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 17 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden