- Arrest van 17 februari 2012

17/02/2012 - C.10.0328.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De termijnen m.b.t. bloedanalyses zijn voorgeschreven om te beletten dat de bewijzen teloorgaan en om de analyse met wetenschappelijke waarborgen te omkleden zodat de uitslagen ervan geloofwaardig blijven (1). (1) Cass. 9 sept. 1963, in Bull. en Pas., 1964, I, 29; Cass.(volt. zitt.) 26 jan. 1994, AR P.93.0988.F, AC, 1994, nr. 51, met concl. adv.-gen. Liekendael in Bull. en Pas., 1994, I, nr. 51.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0328.F

1. A. N.,

2. J. F.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

DEXIA INSURANCE BELGIUM nv,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 22 december 2009.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Om de bewijswaarde van bloedonderzoek te beoordelen, maakt het arrest toepassing van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, dat de werking van die bloedproef en de daaropvolgende analyses regelt.

Artikel 6 van dat koninklijk besluit bepaalt dat de opgevorderde geneesheer het afgenomen bloedstaal overhandigt aan de opvorderende overheid, die het onmiddellijk langs de vlugste weg naar het erkend laboratorium zendt, dat de rechterlijke overheid zal hebben aangewezen om voor de bewaring ervan te zorgen of, als zulke aanwijzing niet is geschied, naar de griffie van het bevoegd gerecht.

Volgens artikel 7, eerste lid, vordert de rechterlijke overheid een in een erkend laboratorium optredend deskundige op om het bloed te ontleden.

Luidens artikel 7, derde lid, verricht de deskundige de analyse zo spoedig als de omstandigheden het mogelijk maken en legt hij zijn verslag over binnen zeven dagen na het ontvangen van de vordering. Wat van het staal overblijft, wordt in het laboratorium, waaraan de deskundige verbonden is, bewaard gedurende ten minste drie maanden, te rekenen vanaf de bloedafneming en wordt daarna overgebracht, tegen ontvangstbewijs, aan de griffie van de bevoegde rechtbank.

Artikel 9, eerste lid, vermeldt dat de ambtenaar van het openbaar ministerie of de onderzoeksrechter zo vlug mogelijk en uiterlijk binnen dertig dagen, te rekenen van het verstrijken van de termijn van zeven dagen, bepaald in artikel 7, derde lid, kennis geeft van de uitslagen van de analyse aan de persoon van wie het bloed werd afgenomen.

Artikel 9, derde lid, voegt daaraan toe dat de betrokkene tezelfdertijd wordt gewaarschuwd dat hij, indien hij een tweede analyse meent te moeten laten verrichten, van dit recht moet gebruik maken binnen vijftien dagen, te rekenen van de dag der kennisgeving.

Krachtens artikel 10, eerste en derde lid, moet de betrokkene die een tweede analyse wil laten verrichten, daartoe een aanvraag zenden aan het door hem gekozen erkend laboratorium of aan een in zulk laboratorium optredend deskundige; de uitslagen van de analyse worden aan de betrokkene overhandigd vooraleer een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van de aanvraag, is verstreken.

Die termijnen zijn voorgeschreven om te beletten dat de bewijzen teloorgaan en om de analyse met wetenschappelijke waarborgen te omkleden zodat die uitslagen geloofwaardig blijven.

De uitslagen van de analyse van het bloed dat van een persoon is afgenomen, hebben slechts wettelijke bewijswaarde als alle bij het koninklijk besluit van 10 juni 1959 voorgeschreven vormvereisten in acht genomen zijn vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden van de afneming, tijdens welke het staal in het laboratorium bewaard moet worden.

Het arrest stelt vast dat het slachtoffer "op 30 juni 2006 in het ziekenhuis is overleden", dat "de bloedstaal die ten vroegste in de ochtend van 30 juni 2006 werd afgenomen [...] reeds op 4 juli 2006 is ingekomen op de dienst Forensische Geneeskunde van de Université de Liège, dat het verslag van de [geneesheer] die op 6 oktober 2006 werd opgevorderd reeds op 17 oktober 2006 was opgemaakt en dat wel degelijk blijkt dat hij het binnen de zeven dagen na ontvangst van de opvordering [...], op 16 oktober 2006, heeft overgezonden".

Het arrest, dat vaststelt dat de rechterlijke overheid de bloedanalyse meer dan drie maand na de afneming heeft gevorderd, kon daaruit niet naar recht afleiden dat "uit geen enkel aan het hof van beroep voorgelegd gegeven, kan worden afgeleid dat [...] de bloedanalyse niet volgens de wettelijke voorschriften zou zijn verlopen" en dat, "aangezien het geenszins bewezen is dat het recht van verdediging miskend is, het bloedonderzoek zijn volledige wettelijke bewijswaarde behoudt".

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoofdberoep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 17 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Procedure voor bloedanalyse

  • Verjaring van termijnen

  • Voorwerp