- Arrest van 20 februari 2012

20/02/2012 - S.10.0048.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De vergoeding voor vastheid van betrekking en de beschermingsvergoeding van de personeelsafgevaardigde en van de kandidaat-personeelsafgevaardigde kunnen worden gecumuleerd wanneer de voorwaarden voor de toekenning van elk van die vergoedingen vervuld zijn; de cumulatie van die vergoedingen vormt geen verboden voordeel in de zin van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden.


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0048.F

GENERALI BELGIUM nv,

Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

A. C.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 20 november 2009.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Uit de bewoordingen van de artikelen 14, 16 en 17, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden volgt niet dat die bepalingen uitsluiten dat de beschermingsvergoeding van de personeelsafgevaardigde en de kandidaat-personeelsafgevaardigde gecumuleerd kan worden met elke vergoeding die krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigd is. Uit de bewoordingen van de artikelen 4 en 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 betreffende de vastheid van betrekking, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 30 maart 1988, volgt evenmin dat die bepalingen verbieden dat de daarin bedoelde vergoeding gecumuleerd wordt met andere vergoedingen dan die welke bepaald zijn in de Arbeidsovereenkomstenwet.

De vergoeding voor vastheid van betrekking wordt toegekend wegens niet-naleving van de procedures bepaald in de artikelen 4 en 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987, die ertoe strekken de vastheid van betrekking binnen de verzekeringsondernemingen te waarborgen. Hiermee wordt de door het ontslag veroorzaakte schade vergoed en worden aldus privébelangen beschermd.

De in artikel 16 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde vergoeding sanctioneert de niet-naleving van de bijzondere procedure, die ervoor moet zorgen dat het ontslag van een personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde gerechtvaardigd is en die zodoende, in het algemeen belang, moet waarborgen dat die werknemers hun opdracht vrij kunnen vervullen of zich vrij kandidaat kunnen stellen en dat, bijgevolg, de goede werking van de sociale overlegorganen niet in het gedrang komt.

Beide vergoedingen kunnen worden gecumuleerd wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor de toekenning van elk van die vergoedingen en hun cumulatie vormt geen bij artikel 2, § 4, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden verboden voordeel.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

2. In zoverre het middel schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet aanvoert, is het volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 2, § 4, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en is het derhalve niet ontvankelijk.

3. Het onderzoek van de aangeklaagde tegenstrijdigheid tussen de reden, enerzijds, dat de situatie van de afgevaardigde of van de kandidaat-afgevaardigde van de werknemers uit de verzekeringssector, vanuit het oogpunt van de vastheid van betrekking die beschermd wordt door de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987, dezelfde is als die van de andere werknemers uit dezelfde sector en, anderzijds, dat die situatie verschillend is vanuit het oogpunt van de wet van 19 maart 1991, veronderstelt het onderzoek van die bepalingen. Die grief houdt derhalve geen verband met het in artikel 149 Grondwet voorgeschreven vormvereiste.

In zoverre het middel schending van dat artikel aanvoert, is het niet ontvankelijk.

4. Voor het overige beslist het arrest dat de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987 niet uitdrukkelijk de cumulatie verbiedt van de vergoeding voor vastheid van betrekking en de beschermingsvergoeding van de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde, dat "de vergoeding voor [vastheid] van betrekking zijn oorsprong niet vindt in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst [...] maar in de niet-naleving van de vormvereisten die nog vóór het nemen van de beslissing tot beëindiging van de overeenkomst hadden moeten worden nageleefd", terwijl "artikel 14 van de wet van 1991 niet alleen betrekking heeft op de niet-naleving van de procedures, [...] aangezien de wet een algemeen verbod op het ontslaan van een afgevaardigde invoert", en dat de vergoeding voor vastheid van betrekking en de beschermingsvergoeding van de personeelsafgevaardigde of kandidaat-personeelsafgevaardigde "niet dezelfde finaliteit hebben en verschillende soorten schade vergoeden"; eerstgenoemde vergoeding heeft "tot doel [...] te beletten dat de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt", heeft "een louter vergoedend karakter" en beschermt "privébelangen", terwijl laatstgenoemde vergoeding "eigenlijk een burgerrechtelijke sanctie is die aan de werkgever wordt opgelegd omdat hij, door de werknemer te ontslaan in strijd met de wettelijke bescherming die van openbare orde is, de goede werking van de sociale overlegorganen in het gedrang breng".

Die redenen volstaan als grondslag voor de beslissing dat de vergoedingen gecumuleerd mogen worden.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de overtollige redenen van het arrest, volgens welke "niet alleen de [bij de wet van 19 maart 1991 ingevoerde] bescherming van openbare orde is, maar dit ook geldt voor de vergoedingen die deze bescherming waarborgen en bekrachtigen" en dat "de schade voortvloeiend uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vergoed wordt door de opzeggingsvergoeding", kan het niet leiden tot cassatie, en in het derhalve, bij gebrek aanbelang, niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 4, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 november 1987, lichten de werkgevers de werknemers in betreffende de feiten die hen ten laste kunnen worden gelegd als gevolg van hun handelwijze, om te voorkomen dat deze feiten voor de eerste maal zouden worden ingeroepen, gehergroepeerd, een te lange tijd nadat ze zich hebben voorgedaan. Ze lichten in de regel ook de vakbondsafvaardiging of de personeelsafvaardiging in over het bestaan van dergelijke bezwarende feiten die later kunnen worden aangevoerd tot staving van een ontslagprocedure.

In de gevallen van ontslag steunend op een individuele handelwijze, vereist artikel 4, tweede lid, 3°, van die collectieve arbeidsovereenkomst in de regel dat de werkgever de betrokkene en de vakbondsafvaardiging, nog vóór het ontslag formeel betekend wordt, van de beslissing tot ontslag op de hoogte brengt, binnen een termijn die lang genoeg is om die afvaardiging in de praktijk de mogelijkheid te bieden om tussen te komen.

6. Het arrest stelt vast dat "tot het ontslag [van de verweerder,] commercieel verantwoordelijke van [de eiseres, een verzekeringsmaatschappij,] besloten werd op grond van feiten die hem ten laste konden worden gelegd: de gebrekkige kwaliteit van zijn productie [...], die niet strookt met de verkoopsstrategie van de vennootschap". Het beslist dat "van een commerciële regioverantwoordelijke van een verzekeringsonderneming mag worden verwacht dat hij zorgt voor een rendabele productie door een passende keuze van de makelaars en de ontwikkeling van een strategie conform de hem opgelegde doelstellingen".

Het arrest leidt hieruit af dat het ontslag van de verweerder "gegrond is op zijn handelwijze, verstaan in de betekenis van een positieve of negatieve houding die hem ten laste kan worden gelegd, zonder dat die handelwijze als foutief moet kunnen worden aangemerkt".

Het arrest beslist met die redenen wettig dat "de in artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde procedures en maatregelen van toepassing waren" op het ontslag van de verweerder.

7. Voor het overige is de aangevoerde schending van artikel 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst geheel afgeleid van de vergeefs aangevoerde schending van artikel 4.

8. Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon et Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 20 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier

Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Cumulatie van de beschermingsvergoeding en de vergoeding voor de vastheid van betrekking