- Arrest van 21 februari 2012

21/02/2012 - P.11.1368.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Met uitzondering van de vaststelling van de staat van faillissement in de in artikel 489quater Strafwetboek vermelde omstandigheden heeft een uitspraak van de rechtbank van koophandel geen gezag van gewijsde in het strafproces; de strafrechter vermag derhalve het tijdstip van het ophouden van betalingen te bepalen op een vroegere datum dan de door de rechtbank van koophandel bepaalde datum (1). (1) Cass. 8 feb. 1994, AR 7175, AC, 1994, nr. 73.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1368.N

W G,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Roel Hofkens, advocaat bij de balie te Turnhout,

tegen

1. XL VIDEO bvba, met zetel te 9050 Gentbrugge, Jan Samijnstraat 12,

burgerlijke partij,

2. P&A AGENCY gcv, met zetel te 8300 Knokke-Heist, p.a. Nellenslaan 126,

burgerlijke partij,

3. Didier BEKAERT, advocaat, met kantoor te 9090 Melle, Geraardsbergsesteenweg 167, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van CLUBBER ENERGY bvba,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiser is voor het hem ten laste gelegde feit E "wat betreft het contract afgesloten met de bvba The King (dancing Boccacio), het contract afgesloten met de bv Clubber Energy Nederland en het contract afgesloten met de bv Horeca Exploitatie Nederland (Vizion in Kerkrade)" vrijgesproken. Zijn casatieberoep tegen die beslissing is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Wat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 3 betreft, bevestigt het arrest het beroepen vonnis dat de eiser hoofdelijk met een medebeklaagde tot de betaling van een voorschot veroordeelt en de verdere afhandeling van de zaak onbepaald uitstelt. Dit is geen eindbeslissing.

Het cassatieberoep, in zoverre tegen die beslissing gericht, is met uitzondering van de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, niet ontvankelijk.

De appelrechters houden de beslissing over de aan de verweerders toekomende rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep aan.

Die beslissing is geen eindbeslissing.

In zoverre is het cassatieberoep evenmin ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 159 (lees 149) Grondwet en artikel 489quater Strafwetboek evenals miskenning van de motiveringsplicht en de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: de appelrechters hebben de datum van faillissement bepaald op 1 juli 2002; gelet op de beslissing van de rechtbank van koophandel kon het arrest de staat van faillissement, daarin begrepen de datum van staking van betaling, niet betwisten; de appelrechters hebben geen adequate gevolgen uit de feiten getrokken, motiveren hun beslissing over de datum van staking van betaling niet en antwoorden niet op eisers conclusie; de appelrechters oordelen dat de ten laste gelegde feiten E aanvangen op 1 juni 2002 en dat het ten laste gelegde feit G zich voordeed op 31 augustus 2002, wat niet kan vermits deze data zich situeren nog vóór de datum van staking van betaling.

3. In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters is het niet ontvankelijk.

4. Met uitzondering van de vaststelling van de staat van faillissement in de in artikel 489quater Strafwetboek vermelde omstandigheden heeft een uitspraak van de rechtbank van koophandel geen gezag van gewijsde in het strafproces. De strafrechter vermag derhalve het tijdstip van het ophouden van betalingen te bepalen op een vroegere datum dan de door de rechtbank van koophandel bepaalde datum.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Onder rubriek b.1 oordeelt het arrest (p. 20 en 21) dat:

- de staat van faillissement deze is waarin de handelaar zich bevindt wanneer hij op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en zijn krediet geschokt is;

- uit de faillissementsmemorie van de curator blijkt dat Clubber Energy bvba werd opgericht met een minimum kapitaal, waarvan slechts één derde werd volstort;

- er ab initio sprake was van manifeste onderkapitalisatie;

- de vooropgestelde maandelijkse stortingen ontoereikend waren ter dekking van de exorbitante vaste kosten en van bij aanvang een aanzienlijk passief werd opgebouwd;

- de aangegane commerciële engagementen en promotiecampagnes neerkwamen op commerciële zelfmoord;

- vanaf de opstart de firma niet in staat was haar handelsrechtelijke verplichtingen te voldoen;

- de betalingsmoeilijkheden zich voor het eerst voordeden vanaf maart 2002 en vanaf juli 2002 blijvend en onomkeerbaar waren;

- de firma rekening houdend met het geheel der omstandigheden, waaronder de omvang van de schulden en de te verwachten inkomsten, zich op datum van 1 juli 2002 in staat van virtueel faillissement bevond.

Aldus is het arrest regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. De appelrechters oordelen: "Noch het gegeven dat de curator geen beroep heeft ingesteld ten aanzien van het faillissementsvonnis (...) noch het door de [eiser] bijgebracht verslag van de bedrijfsrevisor (...) doet aan voormelde vaststelling enige afbreuk."

Met deze redenen beantwoorden de appelrechters eisers verweer zonder dat zij daarbij hoefden te antwoorden op elk argument dat enkel tot staving van dit verweer werd aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen.

7. Het arrest, dat de datum van staking van betaling vaststelt op 1 juli 2002, oordeelt dat het beroepen vonnis terecht de telastlegging E (misdrijf bepaald in artikel 489, 1°, Strafwetboek) naar omschrijving van datum heeft verbeterd. Het beroepen vonnis oordeelde dat deze verbetering zich opdrong daar de in de telastlegging vermelde contracten reeds vóór de erin vermelde datum van 31 juli 2002 zijn gesloten.

Hieruit volgt dat de bepaling door het arrest, met bevestiging van het beroepen vonnis, van de strafbare periode van de telastlegging E op de periode vanaf 1 juni 2002, een verschrijving is en dat het arrest kennelijk bedoelt die periode te bepalen vanaf 1 juli 2002. Het Hof vermag die verschrijving te verbeteren.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

8. In zoverre het middel aanvoert dat de telastlegging G (misdrijf bepaald in artikel 489bis, 4°, Strafwetboek), aan de eiser niet kan worden toegerekend daar het vertrekpunt van de aangifte van het faillissement zich situeert op de datum van staking van betaling, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid met betrekking tot de bepaling van de datum van staking van betaling door het arrest.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 159 (lees 149) Grondwet en artikel 489, 1°, Strafwetboek alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: de appelrechters beslissen ten onrechte dat het ongeloofwaardig is dat de eiser zich nooit heeft ingelaten met het sluiten van andere sponsoringovereenkomsten en niet op de hoogte zou zijn geweest van hun inhoud; zij trekken inconsequente gevolgen uit de feiten.

10. Het middel komt op tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 159 (lees 149) Grondwet en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: de eerste rechter heeft de conclusie van de eiser uit het debat geweerd; met betrekking tot de telastleggingen D, E, F, G en H heeft de eiser in een conclusie uitgebreid en precies geargumenteerd; de appelrechters antwoorden daar enkel op met een stijlformule.

12. In zoverre het middel gericht is tegen het beroepen vonnis en niet tegen het arrest, is het middel niet ontvankelijk.

13. Voor het overige beantwoordt het arrest (p. 21 tot 26) eisers verweer zonder dat het daarbij hoeft te antwoorden op elk argument dat enkel tot staving van dit verweer werd aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormde.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 159 (lees 149) Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van het recht op tegenspraak: de eerste rechter heeft uitstel geweigerd en eisers conclusie uit het debat geweerd; de eiser heeft zijn conclusie pas in hoger beroep kunnen neerleggen; hierdoor werd hem een aanleg ontnomen en het recht op een eerlijk proces miskend; de eiser heeft dit in een conclusie opgeworpen voor de appelrechters die daar evenwel niet op antwoorden.

15. In zoverre het middel gericht is tegen het beroepen vonnis en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

16. In de conclusie die de eiser op 26 april 2011 voor de appelrechters neerlegde voerde hij weliswaar aan dat het weigeren van uitstel en het weren van de conclusie door de eerste rechter een schending uitmaakte van artikel 6 EVRM. Het enige rechtsgevolg dat de eiser evenwel daaruit trok was dat in hoger beroep zijn conclusie en stukken niet konden worden geweerd.

De appelrechters hebben de conclusie en eisers stukken toegelaten zodat het bedoelde verweer geen antwoord meer behoefde.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vijfde middel

17. Het middel voert schending aan van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek en artikel 50 Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest kent schadevergoeding toe aan de verweerders terwijl de verweerders 1 en 2 als schuldeisers van de gefailleerde geen apart vorderingsrecht hebben; het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade is, evenmin als de omvang van de toegestane vergoeding, gemotiveerd; de eiser wordt ten onrechte veroordeeld tot schadevergoeding met een medebeklaagde.

18. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, dient het arrest de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen in zoverre ze gesteund is op de telastlegging E, niet nader te motiveren.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

19. In zoverre het middel aanvoert dat er geen oorzakelijk verband aantoonbaar is tussen de feiten van de telastlegging E en de schade, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

20. Wat betreft de schadevergoeding van verweerder 3, is de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid naar recht verantwoord op grond van de telastlegging E.

21. In zoverre het middel betrekking heeft op het oorzakelijk verband tussen de schade en de telastlegging D, kan het niet leiden tot cassatie en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

22. Voor het overige heeft het middel geen betrekking op het beginsel van aansprakelijkheid en behoeft het bijgevolg geen antwoord.

Zesde middel

23. Het middel voert schending aan van de artikelen 127 en 130 Wetboek van Strafvordering en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: in het dossier ontbreekt een beschikking van de raadkamer, zodat niet kan worden vastgesteld dat de zaak op regelmatige wijze werd verwezen naar de correctionele rechtbank.

24. De beschikking van de raadkamer te Gent van 10 december 2007 bevindt zich in onderfarde 17 "Raadkamer" (stuk 6, p. 15).

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing de strafvordering

25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 141,77 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 21 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Rechtbank van koophandel

  • Vaststelling van de staat van faillissement

  • Gezag van gewijsde in het strafproces