- Arrest van 22 februari 2012

22/02/2012 - P.11.1809.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In het Waals Gewest kunnen niet alleen de afsluiting die een gebied volledig omsluit, maar ook de afsluiting bestaande uit omheiningelementen die op doorlopende of niet-doorlopende wijze opgesteld staan en die aldus de vrije verplaatsing van grof wild belemmeren en het evenwicht tussen het dier en zijn natuurlijk milieu verstoren, afsluitingen zijn waardoor de jacht op grof wild verboden is (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1809.F

B. de W. de T. de J.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 4 oktober 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 8 februari 2012 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 22 februari 2012 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de procureur-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser voert aan dat de jacht op grof wild, door de artikelen 1, § 1, 10°, en 2ter van de Jachtwet van 28 februari 1882, alleen verboden is binnen een volledig af-gesloten terrein en in zoverre, daarenboven, de omheinde ruimte niet een dusdanig grote oppervlakte bestrijkt dat de betrokken soorten zich vrij kunnen verplaatsen tussen de bijvoeder-, rust- en voortplantingsplaatsen.

De voormelde wetsbepalingen verbieden de jacht op elk grof wild binnen een af-gesloten terrein, met andere woorden elk jachtterrein of deel van terrein dat blij-vend of tijdelijk omringd wordt door één of meerdere hindernissen die de vrije verplaatsing van elk soort grof wild beletten.

Niet alleen de afsluiting die een gebied volledig omsluit maar ook de afsluiting, bestaande uit omheiningelementen die op doorlopende of niet-doorlopende wijze opgesteld staan, de vrije verplaatsing van grof wild belemmeren en aldus het evenwicht tussen het dier en zijn natuurlijk milieu verstoren, kunnen bijgevolg af-sluitingen zijn waardoor de jacht op grof wild verboden is.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De eiser verwijt het arrest dat het artikel 149 Grondwet schendt doordat het de in-terpretatie negeert die het Grondwettelijk Hof aan het begrip "afgesloten gebied" heeft gegeven, hoewel hij het arrest van dat Hof heeft aangevoerd en overgelegd.

Het feit dat een wet anders wordt uitgelegd dan het Grondwettelijk Hof doet, is geen gebrek aan reden, in de zin van artikel 149 Grondwet.

In zijn conclusie voert de eiser aan dat het hof van beroep de artikelen 1, § 1, 10°, en 2ter van de wet onvermijdelijk diende te lezen als een jachtverbod dat enkel gold binnen de volledig afgesloten terreinen. Hij heeft echter ook toegegeven dat het arrest van het Grondwettelijk Hof waarop volgens hem die interpretatie ge-grond is, niet bindend was voor het hof van beroep, aangezien het een beslissing betreft die uitspraak doet over een prejudiciële vraag van een ander rechtscollege.

Bijgevolg dienden de appelrechters in hun antwoord zélf aan de in het geding zijnde wetsbepaling de zin en draagwijdte toe te kennen die zij volgens hen heeft.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, moet de rechter de strafwet niet altijd uitleggen in een zin die gunstig is voor de vervolgde persoon. Alleen wanneer de rechter niet erin slaagt de geest van de wet te doorgronden, zodat die onzeker blijft, moet hij de wet uitleggen in de voor de beklaagde meest gunstige zin.

Ofschoon de analogische toepassing van de strafwetten verboden is, volgt daaruit niet dat de rechter, bij de interpretatie ervan, de in de wet gebruikte bewoordingen altijd in de meest enge betekenis dient op te vatten. Hij dient aan die bewoordin-gen alleen de betekenis te geven die de wetgever eraan heeft willen toekennen.

Wanneer de zin van de wet door interpretatie vaststaat, moet de rechter de wets-bepaling toepassen op alle gevallen die in de bewoordingen van de wet begrepen zijn, maar alléén op die gevallen.

Het arrest wijst de enge interpretatie af die de eiser aan het begrip "afgesloten ge-bied" geeft. Het verantwoordt dit door te verwijzen naar de tekst die het begrip afsluiting verruimt door het te definiëren als de aanwezigheid van één of meer hin-dernissen die de vrije verplaatsing van het grof wild beletten.

Dit is geen analogische toepassing van de strafwet, met andere woorden de toe-passing op gevallen die niet onder de bewoordingen van de wet vallen. Het betreft hier alleen een interpretatie waarvan het middel niet aanvoert dat zij in strijd zou zijn met de wil van de wetgever en die niet tot gevolg heeft dat de geïnterpreteer-de bepaling het voorzienbare karakter verliest dat met name door artikel 7 EVRM wordt vereist.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

De rechter is bij zijn interpretatie van de wet niet gebonden door een ministeriële omzendbrief die de zin ervan wil bepalen.

De geïnterpreteerde wetsbepaling houdt niet op voorzienbaar en toegankelijk te zijn, louter en alleen omdat de interpretatie van de norm door de rechter afwijkt van de administratieve interpretatie ervan.

Het middel faalt naar recht.

Vijfde onderdeel

De eiser voert aan dat het arrest niet regelmatig met redenen is omkleed omdat het niet nagaat of, niettegenstaande de conclusie die dienaangaande neergelegd is, de ministeriële omzendbrief waarin het begrip "afgesloten terrein" uitgelegd wordt, rekening houdend met het feit dat de omzendbrief werd gepubliceerd, het recht-matig vertrouwen van de burgers niet heeft kunnen beschamen.

Het arrest wijst niet alleen op de fouten in de door de eiser aangevoerde omzend-brief. Het preciseert ook dat uit de tekst zelf van de wet blijkt dat de afsluiting niet noodzakelijk volledig dient te zijn opdat binnen het betrokken gebied een jachtverbod zou gelden.

Die herinnering aan de wet en aan de voorrang van de wet op de omzendbrief, be-antwoordt het verweer volgens hetwelk een veroordeling van de eiser zijn recht-matig vertrouwen zou beschamen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Op de conclusie waarin de eiser aanvoert dat de betwiste afsluiting de vrije ver-plaatsing van het wild niet belemmert, antwoordt het arrest dat zij door de lengte ervan, namelijk zevenhonderd meter, een bijzonder efficiënte hindernis vormt tij-dens jachtpartijen, doordat zij de vlucht van het opgejaagde dier verhindert of ver-traagt om de vangst door de jager te vergemakkelijken.

De appelrechters omkleden hun beslissing aldus regelmatig met redenen.

Zij dienden voor het overige niet te antwoorden op de beweringen betreffende de oppervlakte van de gebieden ten noorden en ten zuiden van de afsluiting, aange-zien die gegevens alleen maar argumenten zijn en geen afzonderlijk middel uit-maken.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert een miskenning aan van het beschikkingsbeginsel en van het recht van verdediging. Hij verwijt het arrest dat het steunt op een feitelijk gegeven dat niet aan de tegenspraak van de partijen werd onderworpen.

Het beschikkingsbeginsel is weliswaar toepasselijk op het gerechtelijk privaatrecht, met inbegrip van de burgerlijke rechtsvordering voor de strafrechter en onder voorbehoud van de uitzonderingen van openbare orde, maar niet op de straf-rechtspleging.

Het middel faalt wat dat betreft naar recht.

Op de rechtszitting van 6 september 2011 heeft de eiser een conclusie neergelegd waarin hij preciseert dat op sommige stroken van zijn jachtgebied een afsluiting is geplaatst voor de bescherming van personen, teelten of bosaanplantingen. Die conclusie vermeldt dat alleen strook "A" in aanmerking komt voor vervolging en zij situeert het, met behulp van het plan in bijlage, ten opzichte van de overige stroken afsluiting die in het verlengde ervan liggen.

Door erop te wijzen dat de afsluiting die de vrije verplaatsing van het wild be-lemmert een te efficiënte hindernis is vooral omdat zij doorloopt in afsluitingen die wél vallen onder de in de wet bepaalde uitzonderingen, maakt het arrest bijge-volg alleen gewag van feitelijke gegevens die de eiser zelf in het debat heeft ge-bracht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

De eiser oefent kritiek uit op de overweging van het arrest volgens welke de rust van het wild voor de wet geen maatstaf is. Hij voert aan dat die overweging het doel miskent van de bepalingen die de jacht op grof wild verbieden binnen een af-gesloten terrein en die met name de rust van het wild willen garanderen.

De bekritiseerde vermelding wijst het verweermiddel af volgens hetwelk de be-twiste afsluiting wandelaars en honden verhindert om in een privé-eigendom bin-nen te dringen en van het gebied waar zij geplaatst is een toevluchtsoord voor die-ren maakt.

Het arrest wijst evenwel erop dat de doorslaggevende maatstaf voor het jachtver-bod binnen een afgesloten terrein, niet het feit is dat dit terrein de hoedanigheid van een toevluchtsoord heeft, door de omheining, maar het feit dat de geplaatste hindernis de vrije verplaatsing van het wild kan belemmeren.

Het arrest dat erop wijst dat de rust van de dieren het jachtverbod niet opheft in het met dat doel afgesloten gebied, schendt de artikelen 1, § 1, 10°, en 2ter, van de wet van 28 februari 1882 niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

Het is niet tegenstrijdig om te oordelen dat, enerzijds, een afsluiting die op blij-vende wijze over een grote afstand is geplaatst geen "tuig" is om het vangen of doden van wild te vergemakkelijken, in de zin van artikel 8 van de wet van 28 fe-bruari 1882 en dat zij, anderzijds, de hindernis kan uitmaken die, doordat zij de doortocht van wild belemmert of de vangst ervan door de jager vergemakkelijkt, tot gevolg heeft dat het jachtverbod bedoeld in artikel 2ter van de voormelde wet er van toepassing wordt.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

De conclusie die de eiser op de rechtszitting van 6 september 2011 heeft neerge-legd, vermeldt dat de afsluiting "de dieren belet naar de zuidelijke vlakten te trek-ken. Als men de afsluiting doet ophouden aan de hoek van het veld, trekken de hertachtigen en everzwijnen daar terstond naartoe. Met de huidige concentraties aan everzwijnen en hertachtigen, zou de schade zeer aanzienlijk zijn".

Volgens het arrest voert de eiser aan dat "de afsluiting dienst doet als bescherming van teelten waar het wild anders zou binnendringen".

De voormelde conclusie zegt eveneens dat "In vak C (bijlage bij stuk 1), de afslui-ting eveneens moet dienen om geplande aanplantingen te beschermen".

Volgens het arrest beweert de eiser "dat een afsluiting hypothetisch een jonge aanplanting zou kunnen beschermen".

In geen van beide hierboven vermelde en door het middel bekritiseerde overwe-gingen hebben de appelrechters van de conclusie waarnaar het arrest verwijst een interpretatie gegeven die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Op grond van een feitelijke beoordeling waarop het Hof geen toezicht vermag uit te oefenen, oordeelt het arrest dat er onvoldoende aanwijzing is dat de afsluiting noodzakelijk is voor de veiligheid van personen.

Het arrest voegt daaraan toe dat de bescherming van personen niet toestaat afslui-tingen te plaatsen langs de wegen, zoniet is het nergens nog mogelijk een gemengd karakter en een aangroei van het wild te garanderen.

De tweede reden is overtollig zodat het middel dat daarop kritiek uitoefent niet ontvankelijk is.

Het arrest zegt niet dat de afsluiting zich langs een "veel gebruikte weg" bevindt. In zoverre het middel die vaststelling aan het arrest toeschrijft, mist het feitelijke grondslag.

Het feit dat een afsluiting langs een berijdbare weg loopt ontneemt de rechter de bevoegdheid niet om op onaantastbare wijze te oordelen of het al dan niet om een afsluiting gaat die geplaatst is voor de veiligheid van personen.

Het middel faalt wat dat betreft naar recht.

Derde onderdeel

Zoals vermeld bij het onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel, antwoorden de appelrechters op de conclusie van de eiser, waarin betwist wordt dat de afsluiting de vrije verplaatsing van het wild zou kunnen hinderen, door te-genover dat verweer hun andersluidende feitelijke beoordeling te stellen.

Zij dienden niet te antwoorden op de beweringen betreffende de concentratie van het wild aan deze of gene zijde van de afsluiting en op de aanwezigheid, zowel ten noorden als ten zuiden van de afsluiting, van bijvoeder-, rust- en voortplantingsplaatsen, aangezien die gegevens alleen maar argumenten zijn tot staving van de aangevoerde stelling, en geen afzonderlijk middel uitmaken.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van eerste voorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Waals Gewest

  • Grof wild

  • Afgesloten gebied