- Arrest van 23 februari 2012

23/02/2012 - C.10.0574.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De Vlaamse regering kan een verkavelings- of bouwvergunning opschorten indien zij op grond van artikel 7 van het Archeologiedecreet het uitvoeren van een opgraving tot algemeen nut verklaart en daartoe de tijdelijke bezetting van de gronden beveelt; indien de Vlaamse regering nalaat om een opgraving tot algemeen nut te verklaren, is de eigenaar die tijdens het uitvoeren van werken of door middel van een toevalsvondst een goed vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologisch monument betreft, slechts verplicht om het gevonden archeologische monument en de vindplaats in onveranderde toestand te laten, het te beschermen tegen beschadiging of vernieling en het toegankelijk te stellen voor onderzoek, tot de tiende dag na de door hem gedane melding, tenzij deze termijn op grond van artikel 8, derde lid, Archeologiedecreet door het Instituut wordt verlengd of ingekort (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0574.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

WONINGBUREAU PAUL HUYZENTRUYT, met zetel te 8791 Beveren-Leie, Grote Heerweg 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 mei 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 30 december 2011 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 3, 2°, Decreet van de Vlaamse Raad van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, hierna Archeologiedecreet, wordt voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten onder archeologische monumenten verstaan: alle overblijfselen en voorwerpen of enig ander spoor van menselijk bestaan die getuigenis afleggen van tijdperken en beschavingen waarvoor opgravingen of vondsten een betekenisvolle bron van informatie zijn, onderverdeeld in:

- onroerende archeologische monumenten: alle niet verplaatsbare archeologische monumenten die ondergronds of aan de oppervlakte of onder water aanwezig zijn, alsook de roerende archeologische monumenten die onroerend zijn door bestemming;

- roerende archeologische monumenten: alle andere archeologische monumenten.

Krachtens artikel 4, § 1, Archeologiedecreet zijn de ontdekking, de bescherming en het behoud van het archeologisch patrimonium en het uitvoeren van archeologische opgravingen van algemeen nut.

Krachtens artikel 4, § 2, Archeologiedecreet zijn de eigenaar en de gebruiker ertoe gehouden de archeologische monumenten die zich op hun grondgebied bevinden te bewaren en te beschermen en ze voor beschadiging of vernieling te behoeden.

Krachtens artikel 7 Archeologiedecreet kan de Vlaamse regering het uitvoeren van een opgraving van algemeen nut verklaren en daartoe de tijdelijke bezetting van de gronden bevelen. Zij bepaalt de grenzen van deze gronden en de duur van de bezetting. Zij kan de voorwaarden bepalen waaronder intussen andere werken en handelingen op deze gronden mogen worden uitgevoerd, alsook kan zij het stilleggen van die werken en handelingen of een opschorting of intrekking van verleende verkavelings-, bouw- en exploitatievergunningen bevelen.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat een dergelijke verklaring van openbaar nut noodzakelijk is indien geen overeenkomst kan bereikt worden met de eigenaar van het betrokken terrein en dit de redding of het behoud van het aldaar aanwezige archeologische patrimonium in het gedrang brengt en dat in uitzonderlijke gevallen moet kunnen overwogen worden de verleende verkavelings-, bouw- en exploitatievergunningen op te schorten.

2. Krachtens artikel 8, eerste lid, Archeologiedecreet is éénieder die, anders dan bij het uitvoeren van vergunde archeologische opgravingen een goed vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologisch monument betreft, verplicht hiervan binnen drie dagen aangifte te doen bij het agentschap. Het agentschap stelt de eigenaar en de gebruiker, in geval zij niet de vinder zijn, en de betrokken gemeente hiervan in kennis.

Krachtens artikel 8, tweede lid, van dit decreet moeten de gevonden archeologische monumenten en hun vindplaats tot de tiende dag na de melding in onveranderde toestand door de eigenaar, gebruiker en vinder bewaard blijven, beschermd worden tegen beschadiging of vernieling en toegankelijk gesteld worden voor onderzoek door het Instituut, zonder dat dit aanleiding kan geven tot het vorderen van enige schadevergoeding.

Het derde lid van voormelde bepaling bepaalt dat de termijn van tien dagen door het Instituut kan worden ingekort na onderzoek of indien deze verplichting tot onverantwoord hoge kosten aanleiding zou geven, of verlengd worden.

3. Krachtens artikel 10, eerste lid, Archeologiedecreet kan een vergoeding worden gevorderd voor eventuele schade, voor zover schade wordt bewezen voortvloeiend uit:

- de toepassing van artikel 7 voor zover de stillegging van werken en handelingen of de opschorting van verleende verkavelings-, bouw- en exploitatievergunningen dertig dagen overschrijdt;

- de intrekking van verleende verkavelings-, bouw- en exploitatievergunningen zoals vermeld in artikel 7;

- de verlenging van de termijn van tien dagen zoals vermeld in artikel 8, voor zover de totale termijn dertig dagen overschrijdt.

Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel stelt de regering die vergoeding onverwijld vast en keert ze dadelijk uit. Bij betwisting stelt de rechter de vergoeding vast.

Krachtens artikel 10, derde lid, Archeologiedecreet kan schade voortvloeiend uit de toepassing van artikel 7 evenwel niet gevorderd worden wanneer de eigenaar of de uitvoerder van de werken tijdens welke de toevalsvondst gebeurde, zich niet van hun meldingsplicht hebben gekweten.

4. Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat de Vlaamse regering een verkavelings- of bouwvergunning kan opschorten indien zij op grond van artikel 7 Archeologiedecreet het uitvoeren van een opgraving tot algemeen nut verklaart en daartoe de tijdelijke bezetting van de gronden beveelt.

Indien de Vlaamse regering nalaat om een opgraving tot algemeen nut te verklaren, is de eigenaar die tijdens het uitvoeren van werken of door middel van een toevalsvondst een goed vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologisch monument betreft, slechts verplicht om het gevonden archeologische monument en de vindplaats in onveranderde toestand te laten, het te beschermen tegen beschadiging of vernieling en het toegankelijk te stellen voor onderzoek, tot de tiende dag na de door hem gedane melding, tenzij deze termijn op grond van artikel 8, derde lid, Archeologiedecreet door het Instituut wordt verlengd of ingekort.

Uit de samenhang van die bepalingen volgt tevens dat artikel 4, § 2, Archeologiedecreet een algemene zorgplicht oplegt en dat de rechten van de houder van een bouwvergunning slechts worden ingeperkt door het bepaalde in artikel 7 en 8 Archeologiedecreet.

5. Uit artikel 4, § 2, Archeologiedecreet kan niet afgeleid worden dat de zorgplicht van de eigenaar of de gebruiker van een grond zo ver strekt dat hij op eigen kosten archeologische opgravingen moet uitvoeren alvorens hij stedenbouwkundig vergunde werken kan aanvatten indien de Vlaamse regering geen gebruik maakt van haar recht om een opgraving tot algemeen nut te verklaren.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

6. De appelrechters oordelen enerzijds dat de mondelinge mededeling van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur van 3 september 2008 de door artikel 7 Archeologiedecreet vereiste elementen niet bevat en dat dit artikel dan ook niet toepasselijk is en anderzijds dat de eiser onzorgvuldig heeft gehandeld door op 3 september 2008 aan de verweerster te laten weten "dat toepassing wordt gemaakt van artikel 7 van het Archeologiedecreet", zonder hieraan evenwel de normale consequenties te verbinden die van een behoorlijk besturende Administratie mogen worden verwacht.

7. Deze redenen zijn niet tegenstrijdig.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

8. De appelrechters oordelen dat de eiser onzorgvuldig handelde door een tegenstrijdige en dubbelzinnige houding aan te nemen en onzorgvuldig te communiceren.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters hun beslissing over een onzorgvuldig handelen van de eiser steunen op een schending door de eiser van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel omdat mocht worden verwacht dat het bestuur een archeologische opgraving zou verrichten, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

9. De appelrechters oordelen "dat het overigens zeer de vraag is of een private persoon zonder meer het initiatief tot een opgraving kan nemen zonder enig toezicht door de overheid, gelet op het algemeen belang dat terecht aan het behoud van het bodemarchief wordt gehecht".

10. Deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden schraagt de bestreden beslissing.

Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 734,15 euro en voor de verweerster op 171,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 23 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric

Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Archeologiedecreet

  • Artikel 7

  • Vlaamse Regering

  • Verkavelings- of bouwvergunning

  • Opschorting

  • Voorwaarde

  • Geen tot algemeen nut verklaarde opgraving

  • Gevolg

  • Verplichting van de eigenaar