- Arrest van 24 februari 2012

24/02/2012 - C.11.0032.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat beslist dat een modelovereenkomst van alleenverkoop onder de toepassing valt van artikel 85, § 1, van het EEG Verdrag is naar recht verantwoord aangezien de overeenkomst van die aard is dat zij de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt kan vervalsen; het stelt de merkbare ongunstige invloed vast van die overeenkomst op het handelsverkeer binnen de gemeenschappelijke markt (1). (1) Zie de conclusie van het openbaar ministerie in Pas. nr. ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0032.F

FIAT GROUP AUTOMOBILES BELGIUM nv,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. FORTIS BANK nv,

Mr Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. T.C.I. AUTO SERVICE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 april 2010 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 31 januari 2012 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

Eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 85, inzonderheid lid 1 en 2, van het Verdrag van 27 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, zoals het van kracht was na de wijziging ervan door het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992, goedgekeurd bij de wet van 26 november 1992, en voor de wijziging ervan door het Verdrag van Amsterdam van 10 november 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998;

- voor zoveel als nodig, het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een internationale verdragrechtelijke norm met rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde voorrang heeft op het intern recht;

- de artikelen 1, 3, 4, 5 en 6 van de (EEG)-Verordening nr 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het EEG- Verdrag, op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, zoals van kracht voor de vervanging ervan door de (EG)-Verordening nr 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995.

Aangevochten beslissingen

Het arrest heeft wezenlijk het volgende vastgesteld: 1. eiseres en tweede verweerster hebben op 15 september 1993 een concessieovereenkomst van alleenverkoop gesloten voor motorvoertuigen van het merk Fiat voor de zone Wemmel, Zellik, Relegem et Laken ; 2. de bank die hier eerste verweerster is heeft een onherroepelijke garantie op het eerste verzoek toegekend krachtens welke zij zich ertoe verbond om tot een zeker bedrag elk door de tweede verweerster verschuldigd bedrag aan eiseres te betalen; 3. eiseres heeft de concessieovereenkomst van 15 september 1993 beëindigd omdat zij de tweede verweerster tekortkomingen ten laste legt en heeft een beroep gedaan op de bankgarantie; 4. de oorspronkelijke vordering van de eiseres voor de eerste rechter strekte tot de veroordeling van de eerste verweerster tot betaling van een hoofdsom van 2.028.266 frank tot uitvoering van de garantie en tot gemeenverklaring van het vonnis aan de tweede verweerster ; 5. de verweersters hebben voor de bodemrechters gesteld dat de garantie nietig is omdat de onderliggende concessieovereenkomst van alleenverkoop nietig is wegens schending van artikel 85, § 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Het arrest bevestigt het in eerste aanleg gewezen vonnis en "stelt de nietigheid vast van de verkoopsconcessieovereenkomst van 15 september 1993".

Die beslissing stoelt op volgende gronden:

"(Eiseres) geeft zelf toe dat de concessieovereenkomst van 15 september 1993 kan omschreven worden als een verboden mededingingsregeling in de zin van artikel 85 EEG- Verdrag doordat zij verschillende bedingen bevat ondermeer qua contractgebied, verkoopverbod aan wederverkopers, concurrentieverbod en merkexclusiviteit (...). De litigieuze overeenkomst kan overigens de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden. Er dient immers rekening te worden gehouden met het netwerkeffect in die zin dat hoewel een concessieovereenkomst als dusdanig de handel tussen Lid-staten niet ongunstig blijkt te kunnen beïnvloeden, dat niet noodzakelijk ook het geval is wanneer dezelfde concessiegever op dezelfde wijze verbonden is met een volledig, zelfs louter nationaal netwerk van concessiehouders. De automobielfabrikanten bestrijken de gehele gemeenschappelijke markt of wezenlijke delen daarvan door een bundeling van overeenkomsten met soortgelijke concurrentiebeperkingen en beïnvloeden daardoor niet alleen ongunstig de afzet en klantenservice binnen de Lid-Staten maar ook de handel tussen de Lid-Staten. Het is in casu zeker dat de litigieuze overeenkomst een modelovereenkomst is die (de eiseres) aan heel haar dealersnetwerk oplegt. Het kan dus de mededinging in de handel tussen Lid-Staten vervalsen. De litigieuze overeenkomst valt onder het toepassingsveld van artikel 85, § 1, van het EEG-Verdrag".

Grieven

Artikel 85, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verbiedt alle overeenkomsten welke de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

Lid 2 bepaalt dat de krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten van rechtswege nietig zijn.

Lid 3 zoals het op feiten van de zaak toepasselijk is, bepaalt:

"De bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard

- voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,

- voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en

- voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen

a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,

b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.".

Met toepassing van voornoemd lid 3 heeft de Commissie de EEG-Verordening nr. 123/85 van 12 december 1984 uitgevaardigd betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het EEG-Verdrag, op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen. Die verordening bepaalt de voorwaarden waaronder groepen afzetovereenkomsten met toepassing van artikel 85, lid 1, worden vrijgesteld van het in lid 2 uitgevaardigd verbod.

Wanneer een overeenkomst niet voldoet aan alle voorwaarden die zijn bepaald in een vrijstellingsverordening zoals de voornoemde verordening nr. 123/85, dan valt zij slechts dan onder het verbod van artikel 85, lid 1, als zij ertoe strekt of ten gevolge heeft dat zij de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt aanmerkelijk beperkt of van die aard is dat zij de handel tussen de Lid-Staten aanmerkelijk ongunstig beïnvloedt.

Het verbod treft daarentegen niet de overeenkomsten die de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt en de handel tussen Lid-Staten slechts in geringe mate beïnvloeden.

Hoewel het arrest hier vaststelt dat "de litigieuze overeenkomst de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan (...) beïnvloeden", zegt het niet dat het gevolg daarvan op de handel en op de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt "aanmerkelijk" zou zijn.

Die aanmerkelijke invloed op de handel tussen Lid-Staten en op de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt kan niet worden afgeleid uit de overwegingen van het arrest volgens welke rekening dient te worden gehouden "met het netwerkeffect, in die zin dat hoewel een concessieovereenkomst als dusdanig de handel tussen Lid-staten niet ongunstig blijkt te kunnen beïnvloeden, dat niet noodzakelijk ook het geval is wanneer dezelfde concessiegever op dezelfde wijze verbonden is met een volledig, zelfs louter nationaal netwerk van concessiehouders [...] ; het is in casu zeker dat de litigieuze overeenkomst een modelovereenkomst is die (eiseres) aan heel haar dealersnetwerk oplegt. Het kan dus de mededinging in de handel tussen Lid-Staten vervalsen". Die feitelijke elementen bevestigen immers de reeds geciteerde vaststelling dat de litigieuze overeenkomst de handel tussen Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden maar het arrest leidt daaruit niet af dat het de handel aanmerkelijk ongunstig kan beïnvloeden.

Hieruit volgt dat de vaststellingen van het arrest niet kunnen volstaan om de beslissing naar recht te verantwoorden dat "de litigieuze overeenkomst onder toepassing valt van artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag" en bijgevolg nietig is aangezien zij niet voldoet aan de uitzonderingsvoorwaarde van de EEG-Verordening nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 (schending van de bepalingen en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel die in de aanzet van het middel zijn vermeld).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag bepaalt: Onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuelevoorwaarden, b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen, c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 24 september 2009 (Erste Group Bank, gevoegde zaken C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P et C-137/07 P) nogmaals erop gewezen dat, om de handel tussen Lid-Staten ongunstig te kunnen beïnvloeden, een beslissing, een overeenkomst of een gedraging, op grond van een geheel van objectieve bestanddelen, feitelijk en rechtens, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid moet doen verwachten, dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel op de handelsstromen tussen Lid-Staten een zodanige invloed kan uitoefenen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen de Lid-Staten wordt geschaad. Volgens dat hof (arrest van 25 november 1971, B., 22/71), moet de overeenkomst bovendien de handel tussen Lid-Staten merkbaar ongunstig beïnvloeden.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (arresten van 23 november 2006, A.-E. en Administración del Estado, C-238/05 en van 25 november 1971, B., 22/71) blijkt dat een weerslag op de handelsstromen tussen Lid-Staten uit de samenloop van meerdere factoren kan volgen. De beoordeling van het merkbaar ongunstig karakter ervan hangt af van de feitelijke omstandigheden en moet rekening houden met verscheidene elementen zoals de economische en juridische context van de mededingingsregeling, de aard ervan, de kenmerken van de betrokken produkten en, ten slotte, de positie en het belang van de betrokkenen op de markt in kwestie.

In casu oordeelt het bestreden arrest dat de eiseres zelf toegeeft "dat de concessieovereenkomst van 15 september 1993 kan omschreven worden als een verboden mededingingsregeling in de zin van artikel 85 E.E.G. Verdrag doordat het verschillende bepalingen bevat ondermeer qua contractgebied, verkoopverbod aan wederverkopers, concurrentieverbod en merkexclusiviteit". Het arrest haalt drie bepalingen aan uit de concessieovereenkomst om zijn standpunt verduidelijken.

Het stelt vast dat de litigieuze overeenkomst een modelovereenkomst van alleenverkoop van Fiat-voertuigen is die eiseres aan heel haar dealersnetwerk oplegt.

In zijn beoordeling van de voorwaarde van het ongunstig beïnvloeden van de handel tussen Lid-Staten stelt het arrest dat er "rekening moet gehouden worden met het netwerkeffect in die zin dat hoewel een concessieovereenkomst als dusdanig de handel tussen Lid-staten niet ongunstig blijkt te kunnen beïnvloeden dat niet noodzakelijk ook het geval is wanneer dezelfde concessiegever op dezelfde wijze verbonden is met een volledig, zelfs louter nationaal netwerk van concessiehouders".

Het arrest oordeelt dat "de automobielfabrikanten de gehele gemeenschappelijke markt of wezenlijke delen daarvan bestrijken door een bundeling van overeenkomsten met soortgelijke concurrentiebeperkingen en daardoor niet alleen de afzet en klantenservice binnen de Lid-Staten maar ook de handel tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloeden".

Het verwijst hier uitdrukkelijk naar de derde overweging van de Verordening 123/85 van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen die bepaalt dat de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag op deze overeenkomsten met name voortvloeit uit het feit dat de concurrentiebeperkingen en verplichtingen binnen het raam van het distributiestelsel van een fabrikant in het algemeen overal binnen de gemeenschappelijke markt in dezelfde of in een vergelijkbare vorm plegen te worden toegepast.

Door op die gronden te oordelen het arrest dat de litigieuze overeenkomst "de handel binnen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden" en "de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt kan vervalsen" stelt het arrest te dezen het merkbaar karakter vast van de weerslag van de overeenkomst op het handelsverkeer binnen de gemeenschappelijke markt en verantwoordt het zijn beslissing naar recht dat de litigieuze overeenkomst valt onder de toepassing van het artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum,

Het Hof

Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Albert Fettweis, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 24 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Modelovereenkomst van alleenverkoop

  • Handelsverkeer binnen de gemeenschappelijke markt

  • Weerslag

  • Merkbaar ongunstig karakter