- Arrest van 24 februari 2012

24/02/2012 - C.11.0463.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest is niet naar recht verantwoord wanneer het, krachtens artikel 82 van de Faillissementswet, zoals het van toepassing was op het ogenblik dat de gefailleerde verschoonbaar werd verklaard, aan de gefailleerde het voordeel toekent dat erin bestaat dat deze niet meer door zijn schuldeisers kan worden vervolgd, terwijl het de rechten van vervolging aantast die laatstgenoemden, onder vigeur van de oude wet, door de afsluiting van het faillissement onherroepelijk hadden teruggekregen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0463.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. C. G.,

2. F.S.,

in aanwezigheid van

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 25 november 2010.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan, waarvan het tweede gesteld is als volgt :

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 534 en 536 van het Wetboek van Koophandel, zoals zij van kracht waren voor de opheffing ervan bij de Faillissementswet van 8 augustus 1997;

- de artikelen 73, 80 en 82 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat de verweerder failliet is verklaard bij vonnis van 17 april 1984 van de rechtbank van koophandel te Namen, dat het faillissement, na vereffening, werd afgesloten op 1 juni 1989, zonder dat uitspraak werd gedaan over de verschoonbaarheid van de gefailleerde, dat de verweerder op 29 december 2008 het voordeel van de verschoonbaarheid heeft gevraagd, wat hem werd toegekend bij vonnis van 15 januari 2009 van de rechtbank van koophandel te Namen, dat het beroepen vonnis van 12 januari 2010, op het derdenverzet van de eiser tegen dat vonnis, "de beslissing van 15 januari 2009, waarbij aan de (verweerder) het voordeel van de verschoonbaarheid werd toegekend, ten aanzien van de eiser op derdenverzet" nietig heeft verklaard. Het arrest vernietigt vervolgens, op het hoger beroep van de verweerder, het beroepen vonnis, verklaart het derdenverzet van de eiser tegen het vonnis van 15 januari 2009 ontvankelijk maar ongegrond en verwerpt bijgevolg het derdenverzet van de eiser, die door het arrest wordt veroordeeld in de kosten, om alle redenen die hier als volledig weergegeven en bekritiseerd worden beschouwd, en meer bepaald om de volgende redenen:

"Aangezien de vraag van de verschoonbaarheid niet is beslecht, heeft (de verweerder) het recht te vragen dat hierover uitspraak wordt gedaan, maar ‘aan die maatregel kunnen geen juridische gevolgen worden verbonden die voortvloeien uit een opgeheven wet' (...);

Bijgevolg ‘moet de rechter, zonder aan de nieuwe wet enige terugwerkende kracht te verlenen, onderzoeken of het voordeel van de verschoonbaarheid kan worden toegekend aan de gefailleerde, te wiens aanzien daarover nog geen uitspraak is gedaan' (...), met de gevolgen die door de nieuwe wet voortaan aan dat begrip verbonden worden. De nieuwe wet dient onmiddellijk te worden toegepast op niet definitief beslechte situaties".

Grieven

De eiser voerde het volgende aan in zijn aanvullende conclusie in hoger beroep:

"Zodra het faillissement was afgesloten, konden de schuldeisers, onder vigeur van de oude wet, een rechtsvordering instellen op de goederen van de gefailleerde;

Door de nieuwe wet op de verschoonbaarheid met terugwerkende kracht toe te passen, worden de verkregen rechten van de schuldeisers aangetast".

In de conclusie waarin hij antwoordt op het advies van de procureur-generaal, beklemtoonde hij bovendien het volgende:

"In haar vonnis van 1 juni 1989, met nummer 208/89 op de algemene rol, heeft de rechtbank van koophandel te Namen de verrichtingen van het faillissement (van de verweerder) door vereffening afgesloten verklaard op verzoek van de curator, die de afsluiting van het faillissement vorderde wegens ontoereikendheid van het actief;

De (eiser) is van mening dat de bewijskracht van het in kracht gewijsde gegane vonnis miskend wordt wanneer beweerd wordt dat het faillissement eigenlijk niet is afgesloten;

Elk bedrag dat na afsluiting van het faillissement rechtmatig is verkregen onder [vigeur van de] oude wet, zou moeten worden teruggegeven indien er aan de nieuwe wet terugwerkende kracht werd verleend;

De rechten van de schuldeisers zouden ten onrechte worden aangetast".

De in artikel 535 van het Wetboek van Koophandel bepaalde verklaring van verschoonbaarheid had alleen tot doel de gefailleerde te beschermen tegen lijfsdwang. Aangezien die maatregel was opgeheven bij de wet van 27 juli 1871, had de verklaring van verschoonbaarheid voor de gefailleerde en voor zijn schuldeisers geen enkele juridische draagwijdte meer en diende zij enkel als een getuigschrift van eerbaarheid.

De Faillissementswet van 8 augustus 1997 (gewijzigd bij de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen) heeft een andere en nieuwe draagwijdte gegeven aan de verklaring van verschoonbaarheid.

Luidens de artikelen 80 en 82 van die wet impliceert verschoonbaarheid de bevrijding van de gefailleerde, die niet langer door zijn schuldeisers vervolgd kan worden.

De wet van 8 augustus 1997 die de "nieuwe verschoonbaarheid" invoert, is van toepassing op alle faillissementen die nog niet zijn afgesloten op de datum van inwerkingtreding ervan. Die bepaling is dus niet van toepassing op de faillissementen die zijn afgesloten vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 augustus 1997.

Het arrest, dat het tegendeel beslist, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van alle aangewezen bepalingen).

De nieuwe wet legt daarenboven een intrinsiek verband tussen de afsluiting van het faillissement en het vonnis over de verschoonbaarheid, zodat de rechter geen vonnis over de verschoonbaarheid kan uitspreken na het vonnis tot afsluiting van het faillissement (zie de artikelen 73 en 80 van de Faillissementswet: "de beslissing over de verschoonbaarheid is vatbaar voor derdenverzet bij wijze van een dagvaarding die de individuele schuldeisers binnen een maand te rekenen van de bekendmaking van het vonnis tot sluiting van het faillissement ervan aan de curator en aan de gefailleerde kunnen doen)".

Het arrest verantwoordt zijn beslissing dus niet naar recht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik heeft zich ertoe beperkt een advies te geven over de zaak, waarin hij geen partij is.

Het cassatieverzoekschrift diende niet aan hem betekend te worden.

Tweede middel

Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op de situaties die ontstaan zijn sinds de inwerkingtreding ervan maar ook op de toekomstige gevolgen van de situaties die ontstaan zijn onder vigeur van de vroegere wet en die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing de reeds onherroepelijk vastgestelde rechten niet aantast.

Het arrest, dat vaststelt dat het faillissement van de verweerder is afgesloten op 1 juni 1989, zonder dat er uitspraak was gedaan over zijn verschoonbaarheid, verwerpt, met wijziging van het beroepen vonnis, het derdenverzet van de eiser tegen het vonnis waarin de rechtbank van koophandel op 15 januari 2009 de verweerder verschoonbaar heeft verklaard "met de gevolgen die door de nieuwe" Faillissementswet van 8 augustus 1997 "voortaan aan dat begrip verbonden worden".

Tot dit middel van tenuitvoerlegging op de persoon werd opgeheven, bepaalde artikel 535, tweede lid, Wetboek van Koophandel, onder vigeur waarvan het faillissement van de verweerder is afgesloten, dat de verschoonbaarheid van de gefailleerde tot gevolg had dat de gefailleerde werd beschermd tegen lijfsdwang. Het raakte evenwel niet aan de individuele verhaalsrechten die, na afsluiting van het faillissement, door de schuldeisers opnieuw op de goederen van de schuldenaar konden worden uitgeoefend.

Artikel 82 van de wet van 8 augustus 1997, zoals het van toepassing was op het ogenblik dat de verweerder verschoonbaar werd verklaard, bepaalt dat de gefailleerde, indien hij verschoonbaar wordt verklaard, niet meer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers.

Het arrest, dat dit voordeel aan de verweerder toekent terwijl het de rechten van vervolging aantast die de schuldeisers, onder vigeur van de oude wet, door de afsluiting van het faillissement onherroepelijk hadden teruggekregen, schendt artikel 2 Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Eerste middel

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het eerste middel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de eiser in de kosten van de betekening van het cassatieverzoekschrift aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik; houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 24 februari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Gefailleerde

  • Verschoonbaarheid

  • Beletsel voor vervolging door de schuldeisers

  • Werking van de wet in de tijd