- Arrest van 28 februari 2012

28/02/2012 - P.10.1733.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen is niet van toepassing op maatregelen die ertoe strekken in het algemeen belang de materiële gevolgen van een misdrijf ongedaan te maken (1). (1) Artikel 2 van de Wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen (B.S., 27.02.2003) bepaalt: ‘Ingeval personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, wier toestand statutair geregeld is, bij de uitoefening van hun dienst schade berokkenen aan de openbare rechtspersoon of aan derden, zijn zij enkel aansprakelijk voor hun bedrog en zware schuld. Voor lichte schuld zijn zij enkel aansprakelijk als die bij hen eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt’. Eiseres, industrieel ingenieur en hoofd van de technische dienst van de gemeente B., werd op strafrechtelijk gebied veroordeeld bij eenvoudige schuldigverklaring als mededader van inbreuken op het afvalstoffendecreet gepleegd door de gemeente B. die zelf niet als strafrechtelijk verantwoordelijk rechtspersoon kon worden beschouwd ingevolge het bepaalde in artikel 5, vierde lid, Strafwetboek, zodat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid kwam te liggen bij de natuurlijke personen door wiens persoonlijk toedoen de gemeente ter zake handelde. Bij toepassing van het op het ogenblik van feiten geldende artikel 59, §1, Afvalstoffendecreet, werd eiseres veroordeeld tot een herstelmaatregel bestaande in het verwijderen van de litigieuze afvalstoffen. Het eerste middel van eiseres kwam op tegen deze laatste beslissing.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1733.N

I

J W P V S

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr Frank Judo en mr Bert Van Herreweghe, advocaten bij de balie te Brussel en mr Paul Cooreman, advocaat bij de balie te Dendermonde.

II

F J S,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr Willy Dierickx, advocaat bij de balie te Dendermonde en mr Bert Van Herreweghe, advocaat bij de balie te Brussel.

III

R A,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr Paul Aerts, advocaat bij de balie te Gent en mr Bert Van Herreweghe, advocaat bij de balie te Brussel.

IV

C A C M,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr Jef Vermassen, advocaat bij de balie te Dendermonde en mr Bert Van Herreweghe, advocaat bij de balie te Brussel.

V

S M M K,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr Bruno Wiemeersch, advocaat bij de balie te Dendermonde.

VI

Mr. Bart DE MAESENEIR, in zijn hoedanigheid van lasthebber ad hoc van M&M bvba, met kantoor te 9300 Aalst, Parklaan 191, waar de eiseres woonplaats kiest,

beklaagde,

eiseres,

alle cassatieberoepen tegen

RALDES vzw, met zetel te 9200 Dendermonde, Hoofdstraat 21,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 1 oktober 2010.

De cassatieberoepen van de eisers I tot IV zijn tevens gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 januari 2009.

De eisers I tot IV voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen met identieke strekking aan.

De eiseres V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiseres VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eisers I tot IV

1. Het middel voert schending aan van artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het arrest weigert ten onrechte prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof; een vraag wees op de schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet door artikel 123 Nieuwe Gemeentewet ingeval van een beweerde strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eisers en niet van de andere leden van het college van burgemeester en schepenen, louter op grond van het niet relevante criterium van de interne taakverdeling binnen dit college; de volgende vraag voerde schending aan van dezelfde grondwetsartikelen door artikel 28quater Wetboek van Strafvordering, in zoverre op grond van dit artikel de eisers konden worden vervolgd en de andere leden van voormeld collegiaal orgaan niet, zelfs wanneer alle leden van eenzelfde stemgedrag lieten blijken.

2. Het arrest stelt vast dat de eventuele toerekening van de te last gelegde feiten aan de eisers niet volgt uit de collegiale bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen, zoals bepaald in het te dezen niet verder toepasselijke artikel 123 Nieuwe Gemeentewet en in artikel 53 Gemeentedecreet, maar op grond van de persoonlijke strafrechtelijke fout van de betrokkene, waarbij de interne taakverdeling onder de leden van het college van burgemeester en schepenen daartoe kan bijdragen. Met betrekking tot artikel 28quater Wetboek van Strafvordering oordelen de appelrechters dat voor de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging het individueel gedrag meer omvat dan louter een individueel stemgedrag zodat de hypothese waarin wordt gevraagd de prejudiciële vraag te stellen zich niet voordoet.

Aldus oordelen de appelrechters dat de prejudiciële vragen steunen op een verkeerde rechtsopvatting of dat het antwoord op die prejudiciële vragen niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen, en verantwoorden zij hun beslissing om de vragen niet te stellen naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eisers I tot IV

3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers' verweer dat zij geen houder noch producent waren van afvalstoffen en bijgevolg als individuele personen niet beantwoordden aan de definities van het afvalstoffendecreet; het arrest beantwoordt evenmin het verweer dat de gemeente wel degelijk over een bouwvergunning beschikte, zonder dat artikel 11, § 2, Afvalstoffendecreet daarenboven een milieuvergunning vereist.

4. De eisers werden niet vervolgd als houders of producent van afvalstoffen maar als deelnemers aan inbreuken op het afvalstoffendecreet gepleegd door de gemeente, met name een niet-strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon.

Het arrest moest bijgevolg het doelloos verweer van de eisers niet verder beantwoorden.

5. Het arrest (p. 18-19) vermeldt de redenen op grond waarvan het oordeelt dat het puin niet voldeed aan de voorwaarden om gebruikt te worden als secundaire grondstof.

Het moest bijgevolg niet antwoorden op het niet dienend verweer dat de gemeente voor deze ophogingen geen milieuvergunning nodig had.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel van de eisers I tot IV

6. Het middel voert schending aan van artikel 2 Afvalstoffendecreet: de eisers waren noch houder noch producent van afvalstoffen zodat de verplichtingen van dit decreet niet op hen toepasselijk waren.

7. De eisers werden niet veroordeeld als houders of producent van afvalstoffen maar als deelnemers aan inbreuken op het afvalstoffendecreet gepleegd door de gemeente, met name een niet-strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon.

Het middel, dat berust op een verkeerde lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Vierde middel van de eisers I tot IV

8. Het middel voert schending aan van artikel 11, § 2, Afvalstoffendecreet: de eisers worden onterecht veroordeeld wegens overtreding van dit decreet hoewel de gemeente conform voormeld artikel beschikte over de nodige vergunningen, met name een bouwvergunning hetgeen haar toeliet de bedoelde afvalstoffen als secundaire grondstof aan te wenden zonder dat daartoe een milieuvergunning was vereist.

9. Het arrest (p. 18-19) oordeelt dat:

- op geen enkel ogenblik sprake was van een bouwkundig werk of bouwkundig grondwerk zodat het gebruik van inerte materialen (steenpuin en grondpuin) als bouwstof niet aan de orde was;

- voor de aanvulling van lager aangelegen gronden alleen zuivere aarde mocht en kon gebruikt worden;

- de aangevoerde afvalstoffen, in hoofdzaak bakstenen, betonpuin, beton, wand- en vloertegels niet konden worden aangewend als secundaire grondstof voor de ophoging of de reliëfwijziging van percelen.

Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel van de eisers I tot IV

10. Het middel voert schending aan van artikel 4.2.2.3, § 1, van het Vlaamse reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA): de eisers worden onterecht veroordeeld voor het achterlaten of verwijderen van bedrijfsafvalstoffen in strijd met de voorschriften van het afvalstoffendecreet; er werd niet aangetoond dat het inert materiaal op de kwestieuze terreinen meer dan 1% massa- en volumepercentage van niet-steenachtige materialen bevatte.

11. Artikel 4.2.2.3, § 1, VLAREA bepaalt de voorwaarden voor het gebruik van afvalstoffen omschreven in de bijlage 4.1, afdeling 2, als NV-bouwstoffen of V-bouwstoffen, dit zijn stoffen, bestemd om in een werk te worden gebruikt (artikel 1.1.1, § 2, 47°, VLAREA).

De appelrechters oordelen dat :

- er op geen enkel ogenblik sprake was van een bouwkundig werk of een bouwkundig grondwerk zodat het gebruik van inerte materialen (steenpuin en grondpuin) als bouwstof hier helemaal niet aan de orde komt;

- hetgeen als bodem (en niet als bouwstof) voor de loutere aanvulling van de lager aangelegen gronden mocht en kon gebruikt worden alleen zuivere aarde was;

- de aangevoerde afvalstoffen, in hoofdzaak bestaande uit bakstenen, betonpuin, beton, gewapend beton en wand- en vloertegels, gezien het om een loutere ophoging of reliëfwijziging van percelen ging, niet aangewend konden worden als secundaire grondstoffen.

Met die reden verantwoorden zij hun beslissing dat artikel 4.2.2.3, § 1, VLAREA niet toepasselijk is, naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zesde middel van de eisers I tot IV

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eisers hadden aangevoerd dat de aannemer die zich ontdeed van de geleverde goederen, diende te voldoen aan de voorwaarden van het afvaldecreet; het arrest geeft geen uitsluitsel of het de gemeente dan wel de aannemer is die voor de definitieve opslag van inert materiaal over een milieuvergunning diende te beschikken.

13. Met de redenen die het vermeldt (p. 22, randnummer 8.1, tweede paragraaf), oordeelt het arrest dat de ophoging met inerte materialen te dezen het achterlaten van afvalstoffen betreft, waarbij de gemeente en niet de aannemer diende te beschikken over een milieuvergunning in toepassing van artikel 14, § 1, Afvalstoffendecreet.

Het arrest beantwoordt aldus eisers' verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Zevende middel van de eisers I tot IV

14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers' verweer dat de eisers louter op basis van de interne taakverdeling binnen het college worden vervolgd, hetgeen geen bevoegdheidsverdeling uitmaakt, terwijl de beslissing collegiaal door het college van burgemeester en schepenen werd genomen zonder dat de overige leden hiervoor worden vervolgd.

15. Met de redenen die het vermeldt (p. 23), beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Eerste middel van de eiseres V

16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van artikel 2 van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen: het arrest maakt geen toepassing van voormelde wetsbepaling, hoewel aan alle daartoe vereiste voorwaarden is voldaan; het arrest motiveert niet waarom het vermelde artikel 2 niet toepasselijk is.

17. Voormelde wet is niet van toepassing op maatregelen die niet het herstel van de schade berokkend aan particuliere belangen beogen maar ertoe strekken in het algemeen belang de materiële gevolgen van een misdrijf ongedaan te maken.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

18. Het arrest oordeelt dat artikel 2 van voornoemde wet niet van toepassing is om reden dat de teruggave, waaronder dient verstaan de veroordeling tot verwijdering van de wederrechtelijk gestorte afvalstoffen, een met de strafsanctie onlosmakelijk verbonden accessorium is.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede middel van de eiseres V

19. Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek gelezen in samenhang met het algemeen rechtsbeginsel dat eenieder geacht wordt de wet te kennen: de eiseres wordt ten onrechte schuldig verklaard vermits op het ogenblik van het opstellen van het lastenboek en de gunning van de opdracht de betrokken wetsbepalingen van het VLAREA nog niet in werking waren getreden; dit geschiedde pas op 1 juni 1998; voorafgaand aan de gunning van de opdracht werd de eiseres nooit om advies gevraagd.

20. Overeenkomstig Vlarem I, bijlage 1, rubriek 2.1.1, is de opslag van afvalstoffen die niet aan verwerking van afvalstoffen is verbonden, een vergunningsplichtige inrichting van klasse 1. Het zonder milieuvergunning aanwenden van bouw- en sloopafval als bodem voor de ophoging van een terrein vormde aldus nog vóór de inwerkingtreding van het VLAREA een inbreuk op de artikelen 12 en 14, § 1, Afvalstoffendecreet.

In zoverre faalt het middel naar recht.

21. Voor het overige grondt het arrest (p. 24) de schuldigverklaring van de eiseres niet alleen op het door haar verstrekte advies maar op het geheel van redenen die het vermeldt onder randnummer 8.2.

Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiseres V

22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 123 Nieuwe Gemeentewet, artikel 54 Afvalstoffendecreet en de artikelen 16.3.1, § 1, en 16.4.6 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid: het arrest oordeelt onterecht dat de eiseres naliet de wederrechtelijke handelingen te voorkomen; nergens blijkt dat de technische dienst de opdracht had gekregen om toe te zien op de ophogingswerken; ten onrechte oordeelt het arrest dat de eiseres beslissingsbevoegheid of -macht had.

23. De appelrechters oordelen niet dat uit het strafdossier blijkt dat de technische dienst de expliciete opdracht had gekregen om toe te zien op de ophogingswerken of dat de eiseres, en niet het college, belast was met het toezicht op de gemeentewerken of het toezicht op de naleving van de mi¬lieuwetgeving.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

24. De omstandigheid dat de Nieuwe Gemeentewet bevoegdheid toekent aan het college van burgemeester en schepenen om toezicht te houden op de gemeentewerken en de door dit college als gemeentelijk toezichthouder aangewezen personeelsleden overeenkomstig de artikelen 16.3.1 en 16.4.6 van het decreet van 5 april 1995, bevoegd zijn voor het toezicht op de naleving van de milieuwetgeving in de gemeente en het nemen van bestuurlijke maatregelen, sluit de strafrechtelijke toerekenbaarheid voor milieumisdrijven van andere personeelsleden van de gemeente om reden van door hen gepleegde nalatigheden binnen de uitoefening van hun functie, niet uit.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

25. Het arrest (p. 24) oordeelt dat de eiseres als hoofd van de technische dienst van de gemeente in de betrokken periode (4 augustus 1998 tot 1 juli 2003) mede de aanzet gaf tot het plegen van het misdrijf, naliet inlichtingen in te winnen bij de OVAM teneinde de wederrechtelijke handelingen te voorkomen of te doen voorkomen, en door haar schuldige nalatigheid de niet-naleving van de milieuwetgeving mogelijk maakte zonder een einde te stellen aan de wederrechtelijke toestand, die zij nochtans kende of diende te kennen of daartoe initiatieven te nemen.

In zoverre het middel opkomt tegen die beoordeling van feiten door de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Middel van de eiseres VI

26. Het middel voert miskenning aan van de "bijzondere motiveringsplicht": het arrest beantwoordt niet het verzoek van de eiseres om de vraag te stellen aan het bevoegde bestuur inzake stedenbouw of een herstel in de vorige toestand door verwijdering van de afvalstoffen wel opportuun was; evenmin werd het verweer van de eiseres met betrekking tot haar beperkte bijdrage in de ophogingen en de daaruitvoortvloeiende verplichting om ook slechts gedeeltelijk tot het herstel bij te dragen, beantwoord.

27. Het arrest (p. 28-29, rubriek 11.1) beantwoordt dit verweer met de beschouwing dat de te dezen toepasselijke afvalwetgeving verplicht tot het verwijderen van de onwettig aangevoerde afvalstoffen, dat niet meer kan worden uitgemaakt wie van de eisers welke afvalstoffen heeft gestort maar dat elkeen onder hen, waaronder de eiseres daartoe heeft bijgedragen en voor de verwijdering ervan moet worden veroordeeld.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek.

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 347,55 euro waarvan de eisers I tot IV elk 60,01 euro verschuldigd zijn, de eiser V 53,75 euro en de eiser VI 53,76 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 28 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen

  • Wet 10 februari 2003

  • Toepassingsgebied