- Arrest van 29 februari 2012

29/02/2012 - P.12.0217.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het rechtsmiddel van de vreemdeling die is opgesloten met het oog op uitlevering, is gegrond op artikel 5.4 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, dat waarborgt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de rechtmatigheid van zijn gevangenhouding ; bij ontstentenis van specifieke bepalingen inzake uitlevering zijn de regels die van toepassing zijn op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en op de rechtspleging voor het Hof, de gemeenrechtelijke regels, in het onderhavige geval de regels van het Wetboek van Strafvordering (1). (1) Zie Cass. 31 maart 2009, AR P.09.0162.N, AC, 2009, nr. 224, met concl. adv.-gen. Duinslaeger; Cass. 13 juli 2010, AR P.10.1173.N, AC, 2010, nr. 481.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0217.F

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

tegen

M. E. N.,

Mr. Steve Lambert, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 januari 2012.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Tegen de verweerder is een verzoek tot uitlevering ingediend door de regering van de Russische Federatie, ter uitvoering van een gevangenisstraf van drie jaar met drie jaar uitstel, wegens de aankoop en het onwettig bezit van vuurwapens en munitie. Die straf werd uitgesproken op 16 april 2004 door de districtsrechtbank te Gvardeiski (regio Kaliningrad). Bij beschikking van 8 februari 2005 heeft de voormelde rechtbank die veroordeling uitvoerbaar verklaard door het uitstel in te trekken.

De officiële stukken werden de eiser betekend op 3 juni 2011.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft op 30 juni 2011 een ongunstig advies uitgebracht over de uitlevering.

De uitlevering werd toegestaan bij ministerieel besluit van 22 november 2011. Die beslissing werd geschorst bij arrest van de Raad van State van 23 december 2011.

Op een verzoek tot invrijheidstelling van de verweerder, heeft de raadkamer te Brussel zijn vrijlating bevolen, bij beschikking van 9 januari 2012.

Het bestreden arrest bevestigt die beslissing.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De verweerder werpt vier middelen van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op

1. In het eerste middel van niet-ontvankelijkheid voert de verweerder aan dat het openbaar ministerie, krachtens artikel 31, § 2, Voorlopige Hechteniswet, geen cassatieberoep kan instellen tegen een beslissing waarbij de vreemdeling om wiens uitlevering is verzocht, in vrijheid is gesteld.

Het rechtsmiddel van de vreemdeling die, met toepassing van artikel 3 Uitleveringswet 1874 is opgesloten met het oog op uitlevering, is gegrond op artikel 5.4 EVRM, dat waarborgt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de rechtmatigheid van zijn gevangenhouding.

Bij ontstentenis van specifieke bepalingen inzake uitlevering, zijn de regels die van toepassing zijn op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en op de rechtspleging voor het Hof, de gemeenrechtelijke regels, in het onderhavige geval de regels van het Wetboek van Strafvordering.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

2. In een tweede middel van niet-ontvankelijkheid voert de verweerder aan dat het cassatieberoep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk kan worden verklaard zonder dat hierdoor artikel 12 Grondwet en artikel 5 EVRM worden geschonden.

Artikel 12 Grondwet waarborgt de vrijheid van de persoon. Die bepaling wordt niet geschonden door het instellen van een rechtsmiddel dat ertoe strekt de wettigheid te toetsen van een gerechtelijke beslissing.

Artikel 5.4 EVRM, dat de gevangenhouding toestaat van iemand tegen wie een uitleveringsprocedure loopt, bepaalt dat de betrokkene voorziening moet kunnen vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding.

Die verdragsbepaling legt de nationale wetgever niet de verplichting op om de vrijheidsberoving, in het kader van de voorlopige hechtenis en van de uitlevering, op eenvormige wijze te regelen.

Het feit dat de vreemdeling aangehouden blijft omdat het cassatieberoep van het openbaar ministerie een opschortend karakter heeft, is niet onverenigbaar met de in het voormelde artikel 5 bepaalde termijn.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

3. Het derde middel van niet-ontvankelijkheid voert de schending aan van artikel 5.1. f) EVRM in zoverre dit bepaalt dat de arrestatie of gevangenhouding rechtmatig moet zijn.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is volledig afgeleid uit de hierboven tevergeefs aangevoerde gegevens.

Het middel kan niet worden aangenomen.

4. De eiser voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is, bij gebrek aan belang, aangezien het gerecht op verwijzing niet kan bevelen dat hij aangehouden blijft.

Het belang van een cassatieberoep wordt objectief beoordeeld in het licht van de mogelijkheid tot cassatie en niet volgens de verdiensten van de vordering die de rechter op verwijzing zal worden voorgelegd.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

B. Middel

Eerste onderdeel

De redelijke termijn van de hechtenis met het oog op uitlevering wordt beoordeeld op grond van de concrete gegevens van de zaak, op het ogenblik van de beslissing van de rechter die met dat toezicht belast is. Hij mag zich niet baseren op toekomstige en eventuele omstandigheden.

Het arrest oordeelt dat, in het geval van een nieuw ministerieel besluit van uitlevering, een daadwerkelijke overlevering van de verweerder niet mogelijk lijkt op korte termijn, omdat tegen dat besluit zeker een rechtsmiddel zal worden ingesteld bij de bevoegde rechtscolleges en dat dit rechtsmiddel niet kennelijk ongegrond lijkt te zijn.

De appelrechters die uit die overweging afleiden dat de duur van de hechtenis niet langer redelijk is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

In zoverre is dit onderdeel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder in de kosten.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 29 februari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Passieve uitlevering

  • Vreemdeling opgesloten met het oog op uitlevering

  • Verzoek tot invrijheidstelling

  • Invrijheidstelling door de kamer van inbeschuldigingstelling

  • Cassatieberoep van het openbaar ministerie

  • Toepasselijke wetsbepalingen