- Arrest van 1 maart 2012

01/03/2012 - C.11.0001.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Voor de toepassing van artikel 15, §1, tweede lid, WAM 1989 en artikel 35, §4, Wet Landverzekeringsovereenkomst is voldoende dat de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde persoon om herstel van zijn schade te krijgen en is niet vereist dat de verzekeraar op de hoogte wordt gebracht van de rechtsgrond waarop de benadeelde zijn rechtsvordering steunt (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0001.N

P.D.R.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ARGENTA ASSURANTIES nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 49-53,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 22 april 2010.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 16 december 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Eerste subonderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerder werpt op dat het subonderdeel niet ontvankelijk is omdat het opkomt tegen een feitelijke beoordeling.

2. Het subonderdeel voert aan dat het bestreden vonnis artikel 15, § 1, tweede lid, WAM 1989 schendt door te oordelen dat de verzekeraar pas kennis krijgt van de wil van de benadeelde persoon om herstel van zijn schade te verkrijgen wanneer hij kennis krijgt van de rechtsgrond waarop de benadeelde zijn recht op schadevergoeding stoelt.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Artikel 15, § 1, tweede lid, WAM 1989, te dezen van toepassing, bepaalde dat de verjaring wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis heeft gekregen van de wil van de benadeelde persoon om herstel van zijn schade te verkrijgen.

Artikel 35, § 4, Wet Landverzekeringsovereenkomst bevat een zelfde stuitingsgrond.

Voor de toepassing van deze bepalingen is voldoende dat de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde persoon om herstel van zijn schade te krijgen en is niet vereist dat de verzekeraar op de hoogte wordt gebracht van de rechtsgrond waarop de benadeelde zijn rechtsvordering steunt.

4. De appelrechters stellen vast dat in een brief van 13 september 1995 aan de verweerster in het algemeen mededeling wordt gedaan van de wil van de benadeelde om vergoed te worden.

Zij oordelen dat de verjaring van een rechtstreekse vordering tegen de WAM-verzekeraar op grond van artikel 29bis WAM 1989 niet wordt gestuit door het enkele feit dat de verzekeraar in het algemeen kennis heeft gekregen van de wil van de benadeelde om een vergoeding te verkrijgen van de door hem geleden schade, als die wilsuiting niet specifiek betrekking heeft op de automatische vergoedingsplicht vervat in artikel 29bis WAM 1989.

5. Door op deze grond te oordelen dat de verjaring van de rechtsvordering van de eiser gesteund op artikel 29bis WAM 1989 niet werd gestuit door de brief van 13 september 1995, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede subonderdeel

6. De conclusie van de verweerster vermeldt niet dat zij de beslissing nam de vergoeding te weigeren, maar wel dat zij vorderde dat, zo de rechtbank van oordeel zou zijn dat er sprake is van een opzettelijk misdrijf, alsdan zou worden gezegd voor recht dat zij niet gehouden is tot welkdanige vergoeding.

De appelrechters die oordelen dat de verweerster bij conclusie van 13 oktober 1998 kennis gaf van haar beslissing de vergoeding te weigeren, geven van die conclusie een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en schenden mitsdien de bewijskracht ervan.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens inzoverre het het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Stassijns, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Artikel 35, § 4, Wet Landverzekeringsovereenkomst

  • Verjaring

  • Stuiting

  • Toepassing