- Arrest van 2 maart 2012

02/03/2012 - C.10.0685.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de aan de persoon verbonden gevolgen enkel kunnen terugwerken tot de verwekking van het kind als het in zijn belang is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0685.F

1. J.H.

2. S.L.

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. K.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

D.J.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 7 juni 2010.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 318, § 1, zoals het is vervangen door de wet van 1 juli 2006, en § 2, zoals het is gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, en het tweede lid, zoals het bestond voor de opheffing ervan bij de wet van 27 december 2006, 331 nonies en 2229 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de met de persoonlijkheid verbonden gevolgen enkel tot de verwekking van het kind kunnen teruggaan als het in zijn belang is;

- de artikelen 725, 1°, en 906 Burgerlijk Wetboek dat toepassing maakt van dat beginsel.

Aangevochten beslissing

Het arrest "verklaart de bij dagvaarding van 27 juli 2007 ingestelde rechtsvordering ontvankelijk en gegrond; verklaart de op het nieuwe artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde rechtsvordering tot betwisting van vaderschap gegrond; verklaart dat [de eiser] niet de biologische vader is van het kind B., S., P., van het mannelijk geslacht, dat geboren is te Wiltz (Groothertogdom Luxemburg) op 24 januari 2004 (geboorteakte van die stad nr. 7) en dat [de verweerder], geboren te Luik op 7 augustus 1970, als de werkelijke vader moet worden beschouwd; beslist dat bijgevolg die minderjarige niet de naam zal kunnen dragen [van de eiser], aangezien hij geen lid kan zijn van diens familie; beslist dat met toepassing van artikel 333 Burgerlijk Wetboek het dictum van het arrest, als het in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, moet worden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van het eerste district van Brussel en dat hiervan melding moet worden gemaakt op de kant van de geboorteakte van het kind, en veroordeelt de (eisers) in de kosten van beide instanties die niet zijn begroot ten aanzien van [de verweerder]".

Het arrest grondt die beslissingen, wat de ontvankelijkheid van de rechtsvordering betreft, op de volgende redenen:

"Middel van niet-ontvankelijkheid afgeleid uit het bezit van staat

[De verweerder] kan geen ontvankelijke rechtsvordering instellen als het kind het bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.

De [eisers] voeren aan dat het kind B. ten aanzien [van de eiser] een voortdurend en ondubbelzinnig bezit van staat heeft, zodat de rechtsvordering niet ontvankelijk is.

Het bezit van staat bestaat erin dat een persoon de naam draagt van degene van wie wordt gezegd dat hij afstamt, dat een ouder een persoon als zijn kind behandelt en in de maatschappij wordt erkend als de ouder van een bepaalde persoon. Volgens artikel 331nonies van het Burgerlijk Wetboek moet het bezit van staat voortdurend zijn. Bovendien moet het volgens een vaste rechtsleer en rechtspraak tevens ondubbelzinnig zijn (Luik, 16 maart 1999, J.L.M.B., 1999,1529 en de aldaar aangehaalde verwijzingen).

In dit geval blijkt uit de gegevens van de zaak en de neergelegde stukken dat [de eiser] zich in de praktijk gedragen heeft als de vader van B., aangezien hij de moeder in de laatste maanden van haar zwangerschap begeleid heeft en het kind sedert zijn geboorte omringt met liefde en aandacht.

Nochtans moet worden nagegaan of dat bezit van staat niet dubbelzinnig is.

Het ondubbelzinnig bezit van staat betekent niet dat de schijn van afstamming strookt met de werkelijke genetische afstamming en evenmin dat geloof wordt gehecht aan de realiteit van het bezit van staat; ondubbelzinnig bezit betekent veeleer dat degenen die het kind als hun eigen kind behandelen dat moeten doen als ouders en niet om andere redenen zoals affectie, plichtsbesef, liefdadigheid, de belofte aan de ouders, de wens om het kind van de echtgenoot op te nemen in het gezin met het oog op verzoening ..., zonder dat de gewekte schijn voor andere interpretaties vatbaar mag zijn. Derden mogen dus geen enkele twijfel of argwaan koesteren aangaande de hoedanigheid waarin de vermoedelijke verwekker optreedt.

Na onderzoek blijken uit het dossier de volgende gegevens:

- toen [de eiseres] haar zwangerschap onthulde [aan de eiser], was laatstgenoemde ‘eerst verrast en in de war'. Hij preciseert dat hij, ‘toen hij de zwangerschap vernam, niet onmiddellijk van plan was om het kind als het zijne te beschouwen';

- op bladzijde 23 van hun syntheseconclusie van [de eisers] wordt gepreciseerd dat [de eiser] na lange reflectie het kind aanvaard heeft en bereid was het als het zijne te beschouwen;

- het wordt niet betwist dat het kind B. niet verwekt is omdat de [eisers] van plan waren een gezin te stichten;

- de [verweerder] heeft enkele dagen na de geboorte, namelijk op 30 januari 2004, [de eisers] in een brief verzocht om een onderhoud over de wijze waarop hij met het kind zou omgaan;

- vervolgens heeft hij op 24 februari 2004 bij de jeugdrechtbank een verzoekschrift ingediend om zich het omgangsrecht met B. te doen toekennen; bij dagvaarding van 6 april 2004 heeft hij de rechter in kort geding te Verviers dringend verzocht om hem dat omgangsrecht toe te kennen; toen hem dat werd geweigerd wendde hij zich tot het hof van beroep dat de beschikking heeft bevestigd in het arrest van 15 juli 2004; bij dagvaarding van 7 oktober 2004 verzocht hij de rechter in kort geding te Verviers om de aanstelling van een deskundige die moest uitmaken of het belang van het kind vereist dat zijn afstamming nog langer voor hem verborgen zou worden gehouden;

- uit tal van door beide partijen overgelegde verklaringen blijkt dat de biologische band van afstamming van B. in de ruimere kringen van de [eisers] bekend is. Die personen zijn geen naaste familie en kregen het nieuws onder meer te horen van de [eisers] die de biologische afstamming van B. niet verzwijgen. De verklaringen die zijn overgelegd ten bewijze dat haast niemand van dat feit op de hoogte was worden tegengesproken door tal van andere verklaringen;

- de verklaringen van sommige vrienden van het echtpaar en met name de volgende:

D.W. verklaart dat hij in september 2003 een onderhoud heeft gehad met [de eiser] die hem heeft gezegd dat het belangrijkste in zijn ogen de vraag was of hij een kans had om zijn relatie te redden. Hij voegde eraan toe dat hij hem later had ‘verteld dat hij nog niet goed wist wat hij met het kind moest aanvangen, dat hij niet wenste op te draaien voor de baby want hij zei dat hij, als hij het kind zou erkennen en zijn relatie met [de eiseres] zou afspringen, financieel niet wenste bij te springen voor het kind van een ander door onderhoudsuitkering te moeten betalen'. De omstandigheid dat die verklaring eventueel een verkeerd tijdstip aangaf waarop de procedure werd ingesteld, maakt haar daarom niet minder geloofwaardig maar sluit integendeel elke beïnvloeding door[de verweerder] uit;

V. en O.P. verklaren dat zij reeds tijdens de zwangerschap van B's moeder op de hoogte waren van zijn bestaan en dat ‘[de eisers] ons onmiddellijk op de hoogte hebben gebracht van de "bijzondere" situatie van die zwangerschap en ons hebben medegedeeld dat [de eiser] niet de biologische vader van het kind was. Wij hebben evenwel kunnen vaststellen dat de band tussen [de eisers] hechter was dan ooit en dat zij bereid waren het kind te aanvaarden en op te voeden";

Op 18 februari 2004 verklaart F.M. dat [de eiser] tijdens een onderhoud met hem heeft gezegd dat hij ervan op de hoogte was dat [de verweerder] een relatie met zijn echtgenote had gehad en dat hij de vader was van het kind dat zij droeg. Hij preciseerde dat hij zelf onmogelijk de vader kon zijn, daar hij geen kinderen kon krijgen. In een verklaring van 26 mei 2004 voegt hij eraan toe dat, toen hij [de eiser] ontmoette in augustus 2003, laatstgenoemde nog niet goed wist of hij nog bij zijn vrouw zou blijven na haar relatie met [de verweerder] en dat hij helemaal niet zeker was of hij het kind dat ter wereld zou komen en van wie [de verweerder] de vader was, wel zou accepteren. Het feit dat F.M. aan zijn eerste verklaring wensen heeft toegevoegd over de afloop van de procedure doet geen afbreuk aan de geloof-waardigheid van zijn uitvoerige verklaringen;

- de [eisers] mogen het geheel van de verklaringen voorgelegd door [de verweerder] niet betwisten met het argument dat de auteurs ervan tal van gesprekken zouden hebben gehad met [de verweerder] en door hem zouden zijn beïnvloed, daar zij geen concrete kritiek uiten op de inhoud van die verklaringen wat het bovenstaande betreft dat uitsluitend betrekking heeft op feiten;

- de kinderpsychiater F.-D. verklaart dat ‘het m.i. belangrijk is te onderstrepen dat de verwekker van B. dat uitmaakt van het relaas [van de eisers] en dat zij de biologische afstamming van het kind nooit hebben ontkend ...'

- de [eisers] hebben herhaaldelijk hun wens te kennen gegeven B. op de hoogte te brengen van de biologische omstandigheden van zijn geboorte en hem later de mogelijkheid te bieden een antwoord te krijgen op zijn vragen;

- mevrouw B., psychologe, zegt in haar brief van 10 november 2004 het volgende: ‘Het is van belang dat de waarheid over zijn biologische afstamming in ware, eenvoudige en juiste bewoordingen wordt gezegd. U was ervan overtuigd en ik heb vastgesteld dat u nergens zijn biologische afstamming hebt ontkend of verborgen hebt willen houden. B. is in zekere zin reeds goed op de hoogte van zijn afstamming die hem mettertijd verder zal worden uitgelegd'.

Uit het geheel van de bovenstaande gegevens volgt dus dat, hoewel de [eiser] zich al jarenlang als een vader gedragen heeft jegens het kind, het bezit van staat dubbelzinnig is aangezien hij zijn vaderrol niet van meet af aan heeft opgenomen, het kind heeft aanvaard om zijn huwelijksleven te kunnen voortzetten, dus met het oog op de verzoening van de echtgenoten, het kind in eenvoudige woorden verteld werd wie zijn vader was maar dat de [eisers] hebben gepreciseerd dat zijn herkomst hem niet verborgen zal worden gehouden en dat tal van mensen van ver buiten de naaste familie en vrienden van het paar wisten wie de vader was.

Die dubbelzinnigheid blijkt bovendien uit de talrijke procedures die [de eiser] heeft opgestart om een regeling of recht van omgang met B. te krijgen. De omgeving van het paar was hiervan heel goed op de hoogte.

Het feit dat het begrip bezit van staat, om als ondubbelzinnig te kunnen worden aangemerkt, niet noodzakelijk vereist dat degene die zich als een vader jegens het kind gedraagt, dat doet in de overtuiging dat hij de werkelijke vader is, neemt niet weg dat het grote aantal procedures en de publiciteit daarrond de behandeling van B. als zijn kind dubbelzinnig maken.

Aan [de eisers] kan niet worden verweten dat zij zich hebben gekant tegen de claims [van de verweerder] daar de wet ten tijde van de geboorte hem nog geen enkel recht verleende maar die toestand toont wel aan dat het bezit van staat duister is.

De [eisers] weiden lang uit over de kwaliteit van de affectieve band van [de verweerder] met het kind. Zij voeren onder meer aan dat hij [de eiseres] tot abortus wilde aanzetten, dat de op basis van de oude wet ingestelde procedures ongeldig waren, zodat zij geen enkel gevolg konden hebben, en zij wijzen tevens op het verslag van de heer K..

Het is hier echter niet de bedoeling een bezit van staat aan te tonen aan de zijde van [de verweerder] aangezien dit geen voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van zijn rechtsvordering.

Tevens betogen de [eisers] dat [de verweerder] het bezit van staat niet meer kan betwisten wegens de duur ervan. Dit standpunt is in strijd met de overgangsbepalingen die de wetgever heeft ingevoerd en op grond waarvan de persoon die het vaderschap van het kind opeist, dit kan betwisten gedurende een jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet, zelfs als er meer dan één jaar verlopen is sedert de geboorte of de ontdekking van de geboorte van het kind. De wetgever heeft die rechtsvorderingen niet onderworpen aan striktere bepalingen betreffende het bezit van staat.

De [eisers] verwijzen ook uitvoerig naar de rechtsleer waarin de socio-affectieve band belangrijker gevonden wordt dan de zuiver biologische afstamming maar die socio-affectieve band kan niet de voorrang krijgen als die, zoals te dezen, een dubbelzinnig karakter vertoont.

Bovendien hebben de aangehaalde verwijzingen betrekking op situaties waarin de waarheid over de biologische afstamming niet beantwoordt aan enige ouderlijke inzet, wat te dezen niet het geval is (zie onder meer N. G., Le droit de la filiation, rôle de la vérité socio-affective de la volonté en droit belge, p. 222.

Ten slotte mag, zoals [de verweerder] opmerkt, de wil om de gezinsvrede te bewaren die gevrijwaard wordt als de wettelijke waarheid overeenstemt met de biologische waarheid en niet in twijfel kan worden getrokken, niet worden verward met de wil om de vrede binnen het gezin van [de eisers] te bewaren; de wetgever heeft het begrip gezinsvrede overstegen door de mogelijkheid te bieden het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot te betwisten.

Het is trouwens nuttig eraan te herinneren dat [de eiser] zich te dezen had afgevraagd of hij wel bereid was de lasten van het vaderschap op zich te nemen indien het tot een breuk zou komen met zijn partner.

Aldus blijkt dat [de eiser] zich niet kan beroepen op een ondubbelzinnig bezit van staat ten aanzien van B. en dat derhalve de rechtsvordering [van de verweerder] ontvankelijk is".

Grieven

Het arrest aanvaardt weliswaar dat alle voorwaarden voor het bezit van staat van het kind B., zoals ze worden opgesomd in artikel 331nonies, Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van de eiser vervuld zijn, maar het verwerpt het middel van niet-ontvankelijkheid dat uit het bezit van staat wordt afgeleid op grond dat het dubbelzinnig is.

Eerste onderdeel

Hoewel artikel 331nonies, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het bezit van staat voortdurend moet zijn, vereist het geenszins dat het ondubbelzinnig zou zijn.

Die vereiste komt enkel voor in artikel 2229 Burgerlijk Wetboek. Dat artikel aanziet het bezit alleen als een verjaringsgrond maar niet als een volwaardige rechtsfiguur en is niet van toepassing op het bezit van staat als bedoeld in de artikelen 318, § 1, en 331nonies, Burgerlijk Wetboek.

Het arrest dat beslist dat het bezit van staat bovendien ondubbelzinnig moet zijn en het bezit van staat van het kind B. ten aanzien van de eiser verwerpt op grond dat het dubbelzinnig is, 1° grondt zijn beslissing op een voorwaarde van ondubbelzinnigheid die niet voorkomt in de in het middel aangewezen artikelen 318, § 1, en 331nonies, Burgerlijk Wetboek en schendt bijgevolg die artikelen; 2° schendt artikel 2229 Burgerlijk Wetboek daar het de aldaar opgelegde voorwaarde van ondubbelzinnigheid toepast op een soort zaken waarop het niet van toepassing is.

Tweede onderdeel

Zelfs zo zou moeten worden aanvaard - quod non - dat het bezit van staat bedoeld in de in het middel aangegeven artikelen 318, § 1, en 331nonies, Burgerlijk Wetboek enkel zou kunnen worden aangenomen wanneer het ondubbelzinnig is, dan nog zou het arrest voormelde artikelen 318,§ 1, en 331nonies hebben geschonden door het dubbelzinnig karakter van het bezit van staat van het kind B. af te leiden uit de in de algemene bewoordingen geformuleerde maar in werkelijkheid niet bestaande regel volgens welke het bezit van staat dubbelzinnig is omdat het kind van de echtgenoot zou worden aanvaard met het oog op een verzoening tussen de echtgenoten of omdat de echtgenoot van de moeder zijn vaderrol op zich zou hebben genomen "met het oog op de voortzetting van de huwelijksband of de verzoening van de echtgenoten".

Bovendien, ook al zou het bezit van staat ondubbelzinnig moeten zijn - quod non - dan nog zou dat niet zijn in de betekenis dat de wet dit als een bijkomende voorwaarde zou toevoegen aan de vereisten voor het bezit van staat maar in de betekenis dat, als het gaat om het bezit van staat tussen een vader en zijn kind, de vader van het kind zich als vader moet hebben gedragen en het kind als zijn eigen kind moet hebben behandeld.

Daaruit volgt dat het arrest niet tegelijkertijd heeft kunnen beslissen dat uit de gegevens van de zaak bleek dat de eiser zich in de praktijk als de vader van B. heeft gedragen maar dat het bezit van staat dubbelzinnig was omdat hij zich als de vader van het kind heeft gedragen met het oog op de voortzetting van het huwelijksleven (schending van de artikelen 318, § 1, en 331nonies, Burgerlijk Wetboek).

Derde onderdeel

Het arrest verwerpt het uit het bezit van staat van het kind B. afgeleide middel van niet-ontvankelijkheid op grond van een geheel van redenen weergegeven in het middel.

Een van de gronden die hebben bijgedragen tot de overtuiging van de appelrechters en die niet van de overige gronden kan worden losgekoppeld luidt als volgt: "de [eisers] betogen tevens dat [de verweerder] het bezit van staat niet meer kan betwisten wegens de duur ervan. Dit standpunt is in strijd met de overgangsbepalingen die de wetgever heeft ingevoerd en op grond waarvan de persoon die het vaderschap van het kind opeist, dit kan betwisten gedurende een jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet, zelfs als er meer dan één jaar verlopen is sedert de geboorte of de ontdekking van de geboorte van het kind, zonder dat die rechtsvorderingen worden onderworpen aan striktere bepalingen betreffende het bezit van staat".

Artikel 318, § 1, Burgerlijk Wetboek, ingevoerd bij de wet van 1 juli 2006, luidde als volgt:

"Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De in het eerste lid bedoelde vordering moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte".

Die tekst onderwierp aldus de ontvankelijkheid van de rechtsvordering van de biologische vader aan twee voorwaarden:

1. het kind mag geen bezit van staat hebben ten aanzien van de echtgenoot van de moeder (eerste lid);

2. de rechtsvordering moet worden ingesteld binnen het jaar van de ontdekking van de geboorte (tweede lid).

De overgangsbepaling van het in het middel aangewezen artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 luidde als volgt: "in afwijking van artikel 330, § 1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, en van artikel 318, § 1, tweede lid, zoals ingevoegd bij deze wet, kunnen de erkenning van het kind en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot worden betwist door de persoon die het moederschap of het vaderschap van het kind opeist gedurende een termijn van een jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien er meer dan een jaar verstreken zou zijn sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind."

Die overgangsbepaling was enkel bedoeld om af te wijken van de vervaltermijnen van een jaar, die waren vastgelegd in artikel 318, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (voor de opheffing ervan bij de wet van 27 december 2006) en in artikel 330, § 1, vierde lid, Burgerlijk Wetboek (ingevoerd bij de wet van 1 juli 2006), maar wijzigde niets aan de regel die gehandhaafd wordt in artikel 318, § 1, Burgerlijk Wetboek volgens welke de rechtsvordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder door de biologische vader niet ontvankelijk is wanneer het kind op het ogenblik dat ze wordt ingesteld, bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder.

De wetgever heeft integendeel, in afwijking van de regel volgens welke het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind niet meer kan worden betwist na het verstrijken van de in artikel 318 Burgerlijk Wetboek vermelde termijn van een jaar, aan de biologische vader slechts een bijzondere termijn van een jaar na de inwerkingtreding van de wet toegekend omdat hij tegelijkertijd had bepaald dat een dergelijke rechtsvordering tot betwisting van het vaderschap niet ontvankelijk was in geval van een voortdurend bezit van staat en omdat hij bijgevolg van oordeel was dat de biologische vader zich niet kon beroepen op de bijzondere termijn, vermeld in artikel 25 van de overgangsbepalingen van de wet van 1 juli 2006 wanneer het betrokken kind reeds een voortdurend bezit van staat had ten aanzien van zijn wettelijke vader.

Daaruit volgt dat het arrest dat geen rekening houdt met het bezit van staat van het kind B. tussen 24 januari 2004 (datum van zijn geboorte) en 25 juli 2007 (dag waarop de rechtsvordering was ingesteld):

1. het in het middel aangegeven artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 schendt door er een afwijkende werking aan toe te kennen die het niet heeft;

2. het in het middel aangegeven artikel 318, § 1, Burgerlijk Wetboek schendt door geen acht te slaan op de erin vervatte grond van niet-ontvankelijkheid van de rechtsvordering die de biologische vader van het kind instelt op een ogenblik dat laatstgenoemde bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder. (schending van de artikelen 318, § 1, en, voor zover nodig, 331nonies Burgerlijk Wetboek).

Vierde onderdeel

Het bezit van staat wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen (artikel 331nonies, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).

Het betreft hier een wettelijk begrip zodat de feitenrechter weliswaar op onaantastbare wijze de feiten vaststelt waaruit hij afleidt dat er geen bezit van staat was, maar het aan het Hof staat na te gaan of hij uit de door hem gedane vaststellingen wettig die gevolgtrekking heeft kunnen maken.

Het arrest dat erop wijst dat "in dit geval uit de gegevens van de zaak en de neergelegde stukken blijkt dat [de eiser] zich in de praktijk gedragen heeft als de vader van B., aangezien hij de moeder in de laatste maanden van de zwangerschap begeleid heeft en het kind sedert zijn geboorte omringt met liefde en aandacht", en dat de eiser "het kind al jarenlang als een vader behandelt", stelt vast dat het kind B. ten aanzien van de eiser bezit van staat heeft in de zin van artikel 331nonies, Burgerlijk Wetboek.

Het arrest verwerpt niettemin dat bezit van staat op grond dat het dubbelzinnig is.

Zelfs als de voorwaarde van ondubbelzinnigheid zou moeten worden aangenomen - quod non - dan nog zou de dubbelzinnigheid van het bezit van staat enkel kunnen worden afgeleid uit feiten die zich gedurende dat bezit van staat hebben voorgedaan.

Het kind B. heeft slechts het bezit van staat kunnen hebben vanaf de dag van zijn geboorte, namelijk 24 januari 2004.

Het arrest leidt evenwel het dubbelzinnig karaker van dat bezit van staat af uit een geheel van niet afsplitsbare feiten, onder meer het feit dat het kind reeds voor zijn geboorte zou zijn aanvaard "met het oog op de verzoening van de echtgenoten", het feit dat "het kind B. niet werd verwekt met het oog op het stichten van een gezin" door de eisers, een onderhoud van de hr. W. met de eiser in september 2003, een verklaring van de hr. M. betreffende de twijfels die de eiser zou hebben uitgesproken in augustus 2003 en die welke hij voor de geboorte van het kind zou hebben geuit.

De regel dat de aan de persoon verbonden gevolgen kunnen terugwerken tot het tijdstip van de verwekking, bestaat enkel in zijn belang en is bedoeld om hem rechten te doen verkrijgen (algemeen rechtsbeginsel, dat wordt aangegeven in het middel, en de artikelen 725, 1° en 906 Burgerlijk Wetboek die er de toepassing van zijn).

De feiten die dagtekenen van voor de geboorte van het kind kunnen derhalve geen invloed hebben op het volledig bezit van staat dat het genoot vanaf zijn geboorte en het arrest miskent, door het tegendeel te beslissen, noodzakelijkerwijs het in het middel aangegeven algemeen rechtsbeginsel en schendt tevens de artikelen 725, 1°, en 906 Burgerlijk Wetboek die er de toepassing van vormen.

Dat bezit van staat kan evenmin worden beïnvloed door de procedures die de verweerder heeft ingesteld en waarop het arrest wijst. Aangezien artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechtsvordering van de verweerder enkel ontvankelijk is als het kind van wie hij het vaderschap opeist geen bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder, kunnen procedures geen in-vloed hebben op de gevolgen van een bezit van staat waardoor zij niet ontvankelijk zijn.

Ten slotte kunnen die gevolgen niet worden beïnvloed door de reden die het arrest afleidt uit de overgangsbepalingen van de wet van 1 juli 2006 en waarvan de onwettigheid wordt aangeklaagd in het derde onderdeel van het middel, dat hier als weergegeven wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat de in het middel weergegeven vaststellingen en overwegingen van het arrest de beslissing waarbij het bezit van staat van het kind B. verworpen wordt, niet naar recht verantwoorden (schending van de artikelen 318, § 1, en 331nonies, Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 315, 318, § 1 en 5, zoals die zijn vervangen door de wet van 1 juli 2006, en 332quinquies, Burgerlijk Wetboek, zoals het is ingevoegd in de wet van 1 juli 2006 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006;

- artikel 24.2 en 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007;

- artikel 6.1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992, in de geconsolideerde versie ervan die is bekendgemaakt in de Publicatieblad van 9 mei 2008;

- artikel 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, goedgekeurd bij de wet van 25 november 1991, bij het decreet van de Raad van de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991, door het decreet van de Raad van de Duitse Gemeenschap van 25 juni 1991 en bij het decreet van de Vlaamse Raad van 15 mei 1991;

- de artikelen 22bis, vierde lid, en 142, inzonderheid tweede lid, 3°, Grondwet;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de bepalingen van internationaal recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht dat directe werking heeft, voorrang hebben op de bepalingen van het nationaal recht;

- artikel 26, inzonderheid § 1, 3°, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter geen regel mag toepassen die in strijd is met een hogere bepaling.

Aangevochten beslissingen

Het arrest "verklaart de bij de dagvaarding van 27 juli 2007 ingestelde rechtsvordering ontvankelijk en gegrond; verklaart de op het nieuwe artikel 318 Burgerlijk Wetboek gebaseerde rechtsvordering tot betwisting van vaderschap gegrond; verklaart dat [de eiser] niet de biologische vader is van het kind B., S. P., van het mannelijk geslacht dat geboren is te Wiltz (Groothertogdom Luxemburg) op 24 januari 2004 (geboorteakte van die stad nr. 7), en dat er redenen zijn om [de verweerder], geboren te Luik op 7 augustus 1970, als de vader te beschouwen; beslist bijgevolg dat minderjarig kind niet de naam kan dragen [van de eiser] daar het geen lid van de familie kan zijn; beslist dat met toepassing van artikel 333 Burgerlijk Wetboek, het dictum van dit arrest, als het in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zal worden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand van het eerste district van Brussel, en dat hiervan melding zal worden gemaakt op de kant van de geboorteakte van het kind, en veroordeelt de (eisers) in de kosten van beide instanties, die niet zijn begroot ten aanzien van [de verweerder]".

Met betrekking tot de gegrondheid van die rechtsvordering baseert het arrest zich op de volgende redenen:

"Wat betreft de gegrondheid van de rechtsvordering tot betwisting van vaderschap

a) het vermoeden van vaderschap wordt tenietgedaan ofwel door rechtstreeks bewijs (bewijs door alle middelen van recht dat de betrokkene niet de vader is van het kind) ofwel door de pure ontkenning in de met name in artikel 316bis, Burgerlijk Wetboek opgesomde gevallen (artikel 318, § 3, Burgerlijk Wetboek).

b) Artikel 318, § 5, Burgerlijk Wetboek vereist een bijkomend bewijs als degene die de rechtsvordering instelt de biologische vader is; het bepaalt immers dat de vordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot, als zij door die nieuwe houder wordt ingesteld, maar gegrond kan worden verklaard als zijn eigen vaderschap vaststaat (J. S., ‘Le droit de la filiation nouveau est arrivé', J.T., 2007, p. 395, nr. 33).

De wet van 1 juli 2006 veralgemeent de regeling van ‘beide ineens' die het mogelijk maakt het vaderschap van degene die de vordering tot betwisting instelt rechtstreeks in de plaats te stellen van het vaderschap van de echtgenoot ten aanzien van wie het bewijs geleverd is dat hij niet de vader is (N. M., Droit des familles, CUP, vol. 92, p. 67).

Te dezen geven de partijen samen toe dat niet [de eiser] maar [de verweerder] de biologische vader is. Ze doen dat zowel in hun conclusie wat een gerechtelijke bekentenis inhoudt, als binnen het kader van het K.-verslag en in hun verklaringen aan tal van derden. Dat sluit de mogelijkheid van bedrieglijke verstandhouding tussen hen volledig uit te meer daar de verstandhouding tussen hen al volledig zoek was.

De radicale opvatting als zou de bekentenis van de tegenpartij niet tellen in echtscheidingszaken en in zaken betreffende de staat van de personen, moet worden genuanceerd; op dat gebied is het gevaar reëel dat de partijen onderlinge afspraken maken; de bekentenis is als bewijsmiddel toegelaten als vooraf is nagegaan of er geen afspraken waren gemaakt (R. M., La preuve, Rép. Not., dl IV, boek II, p. 206, nr. 282, en de verwijzingen aldaar).

De beslissing waarbij de vordering tot betwisting van vaderschap, ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader te zijn, wordt toegewezen, heeft, krachtens artikel 318, § 5, van rechtswege tot gevolg dat de afstamming van de eiser vaststaat, met dien verstande dat de rechtbank moet nagaan of de voorwaarden van artikel 332quinquies zijn vervuld.

Wanneer het verzet tegen de vordering uitgaat van de ouder van het kind ten aanzien van wie de afstamming vaststaat - te dezen de moeder -, wijst de rechtbank de vordering immers slechts af als zij betrekking heeft op een kind dat op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld ten minste één jaar oud is en als de vaststelling van de afstamming kennelijk in strijd is met de belangen van het kind.

Het betreft hier een opportuniteitstoetsing die marginaal moet blijven (J. S., ‘Le droit de la filiation nouveau est arrivé', J.T., 2007, p. 398, nr. 41); bij het onderzoek van de belangen van het kind moet hier worden uitgegaan van het doel van de rechtsvordering, dat te dezen erin bestaat aan het kind de rechten toe te kennen die verbonden zijn aan de biologische afstamming, en niet van de uitoefening van rechten die uit de afstamming afgeleid zijn (uitoefening van het ouderlijk gezag, recht van huisvesting).

Artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 bepaalt dat het kind, voor zover mogelijk, het recht heeft zijn ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.

Het kind heeft er belang bij zijn biologische vader te kennen, a fortiori als die een afstammingsband met hem wil hebben; de waarheid over de biologische afstammingsband blijkt noodzakelijk te zijn voor de ontwikkeling van het kind; die waarheid sluit, ingeval zij zou inhouden dat [de verweerder] de vader is, niet uit dat het kind een harmonieuze band heeft met de echtgenoot van zijn moeder.

Hoe langer de beslissing over de afstamming uitblijft, hoe negatiever de psychologische gevolgen hiervan voor het kind zullen zijn. De relatieproblemen die in dat verband worden opgeworpen zowel door de [eisers] als door de diverse, door hen genoemde wetenschappers zullen desgevallend kunnen worden opgeworpen voor de bevoegde jeugdrechtbank, zodra de afstammingsband vaststaat. Die moeilijkheden zullen trouwens gecompenseerd worden door de vaststelling van gezinsbanden die, als men ervan uitgaat dat de toestand van het kind reeds nu in brede kringen bekend is, meer stroken met de biologische en sociologische realiteit.

Het staat aan [de eiseres] te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming van B. ten aanzien [van de verweerder] kennelijk in strijd is met de belangen van het kind. Het staat daarentegen niet [aan de verweerder] te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming in het belang is van B.

Ten onrechte leiden [de eisers] hieruit af dat het enige wat telt de vraag is of het niet kennelijk in strijd is met de belangen van B. om hem zomaar plots zijn vader af te nemen en hem als vader uit zijn leven te bannen, daar artikel 332quinquies geen betrekking heeft op de betwisting van het vaderschap maar op het onderzoek ervan.

Het is dus zaak te weten welke band er tussen B. en [de verweerder] bestaat.

De [eisers] beroepen zich op het verslag dat de heer K. heeft opgemaakt naar aan-leiding van de opdracht die de jeugdrechtbank hem bij vonnis van 1 maart 2005 heeft toevertrouwd.

Hier moet nochtans worden gewezen op het feit dat hem in die opdracht is gevraagd het recht op persoonlijke omgang te onderzoeken. Ook het hof [van beroep] wijst erop dat het volgens het vonnis van 1 maart 2005 gaat om een opdracht ‘sui generis' die niet beantwoordt aan de regels inzake deskundigenonderzoek, maar veel weg heeft van een bemiddeling gelet op de betiteling die de heer K. zelf aan die opdracht gaf, terwijl de opdracht van bemiddelaar een vertrouwelijkheidsplicht inhoudt en, ten slotte, dat de wetenschappelijke kwalificaties van de heer K. onbekend zijn.

De jeugdrechtbank te Verviers herinnert in zijn vonnis van 30 oktober 2007 aan het feit dat een dergelijke procedurevrijheid enkel geldt voor de jeugdrechter. Dat vonnis wijst op bladzijde 6 in fine tevens op het volgende: ‘wat het "ideologisch uitgangspunt" betreft van de steller van het advies waaraan wordt verweten dat het de biologische vader uitsluit ten voordele van de echtgenoot van de moeder die het kind als het zijne heeft aanvaard, vloeit het begrip vader zoals het door de steller van dat advies - de heer K. - wordt opgevat, niet voort uit de een of andere absurde theorie die de eiser ongerijmd zou kunnen voorkomen, maar uit een begrip dat ruim verspreid is in verschillende ideeënstromingen en zelfs in het oud Burgerlijk Wetboek. Die visie is op het vlak van de "analyse" evenveel waard als de visie die de voorrang geeft aan het biologische vaderschap en zij heeft niet de pretentie de keuzes van de wetgever op de helling te zetten, onder meer in verband met de gevolgen die de nieuwe wet verbindt aan de biologische afstamming'. De toelichting die de jeugdrechtbank aldus geeft bij het verslag houdt in dat het verslag geen rekening heeft gehouden met de afstammingswet waarvan men in deze procedure toepassing wil maken.

Uit de bovenstaande toelichting volgt dat het verslag van de heer K. in dit dossier niet in aanmerking kan worden genomen als bewijs.

Dat vonnis van 30 oktober 2007 kan trouwens niet worden aangevoerd in het onderzoek naar de belangen van het kind, daar het die kwestie aan de orde heeft gesteld binnen het kader van het onderzoek naar het recht op persoonlijke omgang en dat vonnis op hoger beroep vernietigd is door het arrest van 24 september 2009.

De [eisers] beroepen zich tevens op het verslag van professor G. van 13 juli 2004. Dat verslag dat is opgemaakt zonder enig onderhoud met [de verweerder], heeft betrekking op de relaties tussen het kind, zijn moeder, haar echtgenoot en de verwekker, alsook op de mogelijkheid voor het kind om geregeld de nacht door te brengen buiten zijn vertrouwde familiekring. Het verslag eindigt met de vaststelling dat het hier eerder gaat om een juridisch dan om een wetenschappelijk probleem en dat het uitgebrachte advies van wetenschappelijke en algemene aard is. Het wijst er evenwel op dat elke vorm van conflict zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Nergens trekt het verslag de vaststelling van het vaderschap van [de verweerder] in twijfel. De [eisers] wijzen erop dat het volgens de heer G. psychologisch onmogelijk is twee vaders te hebben. Dat is trouwens niet de wens [van de verweerder] die zijn plaats van vader wil innemen en haar niet met [de eiser] wenst te delen, zoals hij herhaaldelijk heeft gezegd.

Ook mevrouw B. komt in haar verslag, dat is opgemaakt zonder enig onderhoud met [de verweerder] tot het besluit dat de beslissing een zaak is van de rechter daar het hier niet gaat om een probleem van psychologische maar van burgerrechtelijke aard. Zij voegt eraan toe dat een psychologisch deskundigenonderzoek hier helemaal niet op zijn plaats is, daar het hier niet gaat over de geestelijke gezondheid van een van de partijen maar over de regels die binnen een samenleving gelden op het gebied van afstamming.

Die verslagen leveren, zowel naar de vorm, daar ze zijn opgemaakt zonder enig voorafgaand gesprek met [de verweerder], als naar de inhoud, niet het bewijs op dat de vaststelling van de afstamming kennelijk in strijd is met de belangen van het kind.

Hetzelfde geldt voor het verslag dat de heer M. opgemaakt heeft zonder [de ver-weerder] vooraf te ontmoeten en waarin hij genoegen neemt met de conclusie dat vaderschap niet kan worden gedeeld. Die vraag was hier niet aan de orde aangezien het de bedoeling was uit te maken of de vaststelling van de afstamming ten aanzien van [de verweerder] in strijd is met de belangen van het kind nadat de afstamming van de eiser] op rechtsgeldige wijze was betwist.

Ten slotte en voor de eerste maal beroepen de [eisers] zich in hun conclusie in antwoord op het advies van het openbaar ministerie op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten dat vanaf 1 december 2009 in werking getreden is en zij betogen dat krachtens die bepaling het hoger belang van het kind een essentiële overweging is.

Hun redenering loopt evenwel mank in zoverre zij betogen dat het belang van het kind ernstig gevaar loopt als de afstamming langs vaderszijde in het gezin waarin het leeft zou worden vervangen door een nieuwe afstammingsband buiten het gezin, terwijl, zoals hierboven is gezegd, de rechtspositie van het kind binnen het gezin een dubbelzinnig karakter vertoont.

Ten slotte beroepen de [eisers] zich op artikel 8.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (terloops moet worden opgemerkt dat die regel, als zij door [de verweerder] wordt aangevoerd, volgens hen geen klare, duidelijke en onvoorwaardelijke regel is die rechtstreeks van toepassing is) volgens hetwelk de Staten zich verbinden tot eerbiediging van het recht van het kind zijn of haar naam en familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, te behouden zonder onrechtmatige inmenging.

In dit geval zou de vaststelling van de afstamming ten aanzien [van de verweerder] een bij de wet erkende band instellen en doet de omstandigheid dat zij is gewijzigd niet ter zake.

Bovendien is het niet de bedoeling dat het kind zou worden gescheiden van zijn ouders maar dat het recht op vaderschap van de biologische vader zou worden erkend. Dat zal weliswaar tot gevolg hebben dat het kind gescheiden ouders zal hebben maar niet dat het er geen meer zal hebben.

Ten overvloede moet erop worden gewezen dat de opvoedkundige bekwaamheid [van de verweerder] nooit in twijfel is getrokken en dat nooit is gezegd dat hij geen goede vader zou zijn. Bovendien moet eraan worden herinnerd dat [de verweerder] reeds op 30 januari 2004, dus enkele dagen na zijn geboorte, schriftelijk zijn wil te kennen heeft gegeven om een rol te spelen in het leven van B.

[De eiseres] blijft aldus in gebreke te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming ten aanzien [van de verweerder] kennelijk in strijd zou zijn met de belangen van het kind, en met name bewijst zij niet dat de vertraging bij de vaststelling van die band in ernstige mate afbreuk zou doen aan de belangen van het kind.

De rechtsvordering [van de verweerder] moet daarom gegrond worden verklaard.

Kosten

De [eisers] worden veroordeeld in de kosten van beide instanties".

Grieven

Om de in het middel weergegeven redenen beslist het arrest dat bij de beoordeling van de belangen van het kind enkel de vaststelling van de door de verweerder opgeëiste afstamming in aanmerking moest worden genomen en niet de betwisting van het vaderschap van de eiser, dat die beoordeling geen betrekking kon hebben op de gevolgen van de op grond van artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek vastgestelde afstammingsband en dat zij enkel van marginale aard mocht zijn.

Eerste onderdeel

Het arrest beslist dat "de [eisers] ten onrechte betogen dat het enige wat telt de vraag is of het niet kennelijk in strijd is met de belangen van B. om hem zomaar plots zijn vader af te nemen en die uit zijn leven te bannen als vader, daar artikel 332quinquies geen betrekking heeft op de betwisting van het vaderschap maar wel op het onderzoek ervan; het is dus zaak te weten welke band er tussen B. en [de ver-weerder] bestaat".

Aldus beslist het dat het alleen kan nagaan of het ten aanzien van de verweerder niet kennelijk in strijd is met de belangen van het kind als zijn band van afstamming van die verweerder zou worden vastgesteld en dat het niet kan nagaan of de krachtens artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek gewezen beslissing waarbij het vaderschap van de verweerder in de plaats gesteld wordt van dat van de eiser niet in strijd is met de belangen van het kind.

Het arrest beslist dat "bij het onderzoek van de belangen van het kind hier moet worden uitgegaan van het doel van de rechtsvordering dat te dezen erin bestaat aan het kind de rechten toe te kennen die verbonden zijn aan de biologische afstamming en niet van de uitoefening van rechten die uit de afstamming afgeleid zijn (uitoefening van het ouderlijk gezag, recht op huisvesting)". Aldus beslist het arrest dat het bij het toezicht op de belangen van het kind geen acht mag slaan op de gevolgen die voor het kind voortvloeien uit het verlies van zijn bestaande afstamming langs vaderszijde en van de gevolgen van die afstamming, zoals zijn naam en de uitoefening, te zijnen aanzien, van alle met het ouderlijk gezag verbonden prerogatieven, zoals huisvesting en het recht op opvoeding.

Die overwegingen zijn onwettig.

Artikel 318, § 5, Burgerlijk Wetboek als bedoeld in het middel bepaalt dat "de vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, maar gegrond is als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen".

Die bepaling voert een vorm van rechtsvordering "beide ineens" in, in die betekenis dat de beslissing van de rechter waarbij de op die bepaling gegronde vordering wordt toegewezen tot gevolg heeft, enerzijds, dat het bij artikel 315 Burgerlijk Wetboek ingevoerde vermoeden van vaderschap van de man vervalt, anderzijds, dat die tenietgedane afstammingsband vervangen wordt door een juridische af-stammingsband tussen het kind en zijn biologische vader.

Daaruit volgt dat de artikelen 318, § 5, en 332quinquies, Burgerlijk Wetboek in onderling verband moeten worden beschouwd en dat de belangen van het kind in hun geheel moeten worden bekeken met inachtneming zowel van zijn banden met zijn wettelijke vader als van die met zijn biologische vader en dus met inachtneming van de gevolgen die voor het kind voortvloeien uit het eventuele verlies van zijn wettelijke afstamming en de hieraan verbonden gevolgen.

De reden waarom voormeld artikel 332quinquies, § 2 bij de beoordeling van de belangen van het kind de vaststelling van zijn afstamming in aanmerking neemt, bestaat erin dat die tekst, op zichzelf beschouwd, slechts betrekking heeft op een vordering tot onderzoek naar het vaderschap die bedoeld is om de afstamming langs vaderszijde vast te stellen van een kind dat geen vader heeft.

Als het artikel daarentegen in onderling verband gezien wordt met het artikel 318, § 5, Burgerlijk Wetboek dat doelt op het aparte geval waarin iemand die beweert de biologische vader van het kind te zijn een rechtsvordering instelt die zowel strekt tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind als tot vaststelling van zijn eigen vaderschap, moeten de belangen van het kind in hun geheel worden bekeken waarbij zowel moet worden gelet op de eventuele verdwijning van zijn wettelijke afstamming langs vaderszijde en de gevolgen van die verdwijning als op de vervanging van die wettelijke afstamming door de nieuwe afstamming ten aanzien van zijn biologische vader.

Een dergelijke beoordeling waarbij de belangen van het kind in hun geheel worden bekeken is niet alleen geboden wegens het onderling verband tussen de artikelen 318, § 5, en 332quinquies, Burgerlijk Wetboek maar is tevens vereist wegens artikel 22bis, vierde lid, Grondwet en de in het middel aangewezen bepalingen van supranationaal recht (de artikelen 24.2 en 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 dat krachtens het in het middel aangegeven artikel 6.9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie dezelfde waarde heeft als de verdragen, en artikel 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989) volgens welke "het hoger belang van het kind een essentiële overweging vormt". De eisers hadden zich hierop uitdrukkelijk beroepen in de conclusie waarin zij antwoorden op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie.

Bijgevolg verantwoordt het arrest niet naar recht de beslissing volgens welke de rechter enkel mag nagaan of de vaststelling van de afstammingsband van het kind met de verweerder niet kennelijk in strijd is met de belangen van het kind en hij niet mag nagaan of het feit dat die afstamming in de plaats komt van de wettelijke afstamming en de aan die afstamming verbonden gevolgen opgeheven worden, niet in strijd zijn met de belangen van dat kind (schending van alle in het middel aangewezen bepalingen, inzonderheid van de artikelen 318, § 5, en 332quinquies, Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 24.2 en 24.3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 en 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989).

Tweede onderdeel

Het arrest beslist dat de toetsing van de belangen van het kind marginaal moet blijven en dat de rechter enkel moet nagaan of de vaststelling van de afstammingsband met de biologische vader kennelijk in strijd is met de belangen van het kind of daar in ernstige mate afbreuk aan zou doen.

Die overwegingen zijn onwettig.

Weliswaar doelt artikel 332quinquies, § 2, op een vaststelling van afstamming die kennelijk in strijd is met de belangen van het kind.

Krachtens de in het middel aangegeven algemene rechtsbeginselen evenwel mag de rechter die voorwaarde niet toepassen, aangezien zij een schending inhoudt van de bepalingen van internationaal recht (artikel 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind) en van gemeenschapsrecht (artikel 24.2 en 24.3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007, dat krachtens het in het middel aangegeven artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie dezelfde waarde heeft als de verdragen). Volgens die bepalingen vormt het hoger belang van het kind voor de rechter de eerste overweging. Dat sluit uit dat de toetsing van dat belang alleen van marginale aard zou mogen zijn en dat de rechter enkel acht zou mogen slaan op omstandigheden die kennelijk in strijd zijn met de belangen van het kind of daaraan in ernstige mate afbreuk zouden doen.

Daaruit volgt dat het arrest, zelfs afgezien van de in het eerste onderdeel aangeklaagde onwettigheden, niet naar recht verantwoord is, in zoverre het zijn beslissing grondt op een voorwaarde die in strijd is met bepalingen van internationaal recht en van gemeenschapsrecht waaraan het de voorrang diende te geven (schending van de artikelen 318, § 1 en 5, en 332quinquies, § 2, Burgerlijk Wetboek, 24.2 en 24.3 van het Handvest van de grondrechten van 12 december 2007, 6.1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, die in het middel worden aangegeven, alsook de aldaar aangegeven algemene rechtsbeginselen).

Derde onderdeel

1. Het in de aanhef van het middel vermelde artikel 22bis, vierde lid, Grondwet waarin het beginsel wordt vastgelegd dat omschreven wordt in de bepalingen van internationaal en Europees recht, bepaalt dat "het belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat".

Artikel 318, § 5, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, maar gegrond is als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke de vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen"

Artikel 332quinquies, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, "indien het verzet uitgaat van een minderjarig kind dat niet ontvoogd is en de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, of van degene van de ouders ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan § 3, de vordering slechts afwijst indien ze betrekking heeft op een kind dat minstens één jaar oud is op het ogenblik van de indiening ervan, en de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind".

Die tekst moet evenwel worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 22bis, vierde lid, Grondwet, volgens hetwelk het belang van het kind de eerste overweging dient te zijn van de rechter en voor hem geen marginale overweging mag zijn. Die tekst sluit alleen de maatregelen uit die kennelijk strijdig zijn met de belangen van het kind.

In zoverre het arrest beslist dat de toetsing van de belangen van het kind marginaal moet zijn en dat de rechter alleen dient na te gaan of de vaststelling van de afstammingsband met de biologische vader kennelijk in strijd is met de belangen van het kind of in ernstige mate aan die belangen afbreuk zou doen, en in zoverre het beslist dat het toezicht op de belangen van het kind marginaal en niet primordiaal is, schendt het de artikelen 318, § 5 en 332quinquies, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, artikel 22bis, vierde lid, Grondwet, alsook de overige bepalingen en algemene beginselen die in het middel zijn aangegeven.

2. Zelfs als het artikel 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek aldus zou moeten worden uitgelegd dat de rechter de belangen van het kind enkel op marginale wijze zou mogen toetsen, dan nog zou het niet mogen worden toegepast daar het strijdig zou zijn met het artikel 22bis, vierde lid, Grondwet.

Het arrest dat de toepassing van die wetsbepaling grondt op een uitlegging die in strijd is met artikel 22bis, vierde lid, Grondwet, schendt bijgevolg artikel 22bis, vierde lid, Grondwet (schending van voormeld artikel 22bis Grondwet, miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt een bepaling toe te passen die in strijd is met een hogere rechtsregel en, voor zoveel nodig, schending van artikel 142, inzonderheid tweede lid, 3°, Grondwet en van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989).

De eisers verzoeken bijgevolg het Hof subsidiair om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof: "Is artikel 332quinquies, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, als het letterlijk wordt uitgelegd in de betekenis dat de rechtbank het daarin bedoelde verzoek alleen mag afwijzen ‘als de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind' (wat een marginale toetsing van die belangen impliceert), in strijd met artikel 22bis, vierde lid, Grondwet volgens hetwelk ‘het belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat'"?

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het arrest grondt zijn beslissing niet op artikel 2229 Burgerlijk Wetboek.

Artikel 318, § 1, Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 1 juli 2006, bepaalt dat, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, het vermoeden van vaderschap kan worden betwist door de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

Krachtens artikel 331nonies van dit wetboek wordt het bezit van staat, dat voort-durend moet zijn, bewezen door feiten die samen of afzonderlijk, de betrekking van afstamming aantonen. Die feiten zijn onder meer:

- dat degene van wie wordt gezegd dat het kind afstamt, het als zijn kind heeft behandeld;

- dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;

- dat het kind als zijn kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;

- dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juli 2006 blijkt dat de wet-gever zoveel mogelijk het gezin van het kind heeft willen beschermen door het bezit van staat dat overeenkomt met de toestand van een kind dat door allen als het werkelijk kind van zijn ouders wordt beschouwd, te behouden zelfs als dat niet overeenstemt met de biologische afstamming.

Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat het bezit van staat dat het instellen van de vordering tot betwisting van vaderschap belet, niet dubbelzinnig mag zijn.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Het arrest beslist dat het ondubbelzinnig karakter van het bezit van staat impliceert dat "degenen die het kind als hun eigen kind behandelen dat moeten doen als ouders en niet om andere redenen zoals affectie, plichtsbesef, liefdadigheid, de belofte aan de ouders, de wens om het kind van de echtgenoot op te nemen met het oog op verzoening ..., zonder dat de gewekte schijn voor andere interpretaties vatbaar mag zijn".

Het arrest leidt uit de aan het hof van beroep voorgelegde gegevens af dat, "hoe-wel [de eiser] zich al jarenlang als een vader gedragen heeft jegens het kind, het bezit van staat dubbelzinnig is aangezien hij zijn vaderrol niet van meet af aan heeft opgenomen, het kind heeft aanvaard om zijn huwelijksleven te kunnen voortzetten, dus met het oog op de verzoening van de echtgenoten", en dat "tal van mensen van ver buiten de naaste familie en vrienden van het paar" wisten wie de vader was van het kind.

Het arrest dat niet als regel aanneemt dat het bezit van staat dubbelzinnig is zodra het kind van de echtgenoot wordt opgenomen om het huwelijk te redden, schendt de artikelen 318, § 1, en 331nonies Burgerlijk Wetboek niet door uit die feitelijke beoordeling af te leiden dat het bezit van staat dubbelzinnig was hoewel de eiser zich in de praktijk jarenlang gedragen heeft als de vader van het kind.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan bepaalt dat, in afwijking van artikel 330, § 1, vierde lid, Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet, en van artikel 318, § 1, tweede lid, van dat wetboek, zoals ingevoegd bij deze wet, de erkenning en het vermoeden van vader-schap van de echtgenoot kunnen worden betwist door de persoon die het moeder-schap of vaderschap van het kind opeist gedurende een termijn van een jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien er meer dan een jaar verstreken zou zijn sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind.

Die bepaling sluit de toepassing van de bijzondere termijn voor het instellen van de erin bedoelde vordering niet uit wanneer het kind reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding ervan een voortdurend bezit van staat had ten aanzien van zijn wettelijke vader.

Het onderdeel dat het tegendeel betoogt, faalt naar recht.

Vierde onderdeel

Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de aan de persoon ver-bonden gevolgen enkel kunnen terugwerken tot het tijdstip van de verwekking van het kind als het in zijn belang is. Bovendien hebben de artikelen 725, 1°, en 906 Burgerlijk Wetboek geen betrekking op de betwisting van vaderschap.

In zoverre het middel de schending van die bepalingen aanvoert, is het niet ont-vankelijk.

De rechter heeft zijn overtuiging kunnen gronden op de "talrijke procedures die [de verweerder] heeft ingesteld teneinde zich een regeling of recht van omgang met [het kind] te doen toekennen" en "teneinde een deskundige te doen aanwijzen om uit te maken of het in het belang van het kind is het geheim over zijn afstamming nog langer te bewaren", welke "procedures bekend waren in de brede kringen van het echtpaar".

Het arrest beslist niet dat de gevolgen van het bezit van staat zouden worden aan-getast door de bijzondere termijn waarbinnen de in artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006 bedoelde vordering moet worden ingesteld.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het arrest beslist dat "het kind er belang bij heeft zijn biologische vader te kennen, a fortiori als die met hem een afstammingsband wil hebben", dat "die biologische waarheid, ingeval zij zou inhouden dat [de verweerder] de vader is, het kind dan nog niet belet een harmonieuze relatie te hebben met de echtgenoot van zijn moe-der", dat de relatieproblemen "worden gecompenseerd door de vaststelling van gezinsbanden die meer stroken met de biologische en sociologische realiteit als men ervan uitgaat dat de toestand van het kind reeds nu in ruime kringen bekend is", dat de "redenering van de eisers mank loopt [...] in zoverre zij betogen dat het belang van het kind ernstig gevaar loopt als de afstamming langs vaderszijde in het gezin waarin het leeft zou worden vervangen door een nieuwe afstammingsband buiten dat gezin, terwijl, zoals hierboven is gezegd, te dezen de rechtspositie van het kind binnen het gezin een dubbelzinnig karakter vertoont zoals hierboven is gezegd" en "dat het niet de bedoeling is dat het kind zou worden gescheiden van zijn ouders maar dat het recht op vaderschap van de biologische vader zou worden erkend. Dat zal weliswaar tot gevolg hebben dat het kind gescheiden ouders zal hebben maar niet dat het er geen meer zal hebben".

Bij de beoordeling van de belangen van het kind houdt het arrest aldus rekening met de verdwijning van zijn band van afstamming met de eiser en met de gevol-gen van die verdwijning.

Die overwegingen hebben tot gevolg dat de in het onderdeel bekritiseerde rechts-gronden overtollig zijn.

Het onderdeel is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek wijst de recht-bank, indien het verzet tegen de vordering tot betwisting van het vaderschap uit-gaat van degene van de ouders ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de vordering slechts af indien de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.

Het middel betoogt dat voornoemd artikel in strijd is, enerzijds, met artikel 3.1 van het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, anderzijds, met de artikelen 24.2 en 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007.

De regel van een internationaal verdrag heeft slechts directe werking als zij vol-doende nauwkeurig en volledig is.

Artikel 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door open-bare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

Artikel 3 van het Handvest van de grondrechten legt het recht op menselijke inte-griteit vast. Artikel 24.2 van het Handvest bepaalt dat bij alle handelingen in ver-band met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. Artikel 24.3 bepaalt dat ieder kind het recht heeft regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.

Geen van die bepalingen is op zich voldoende nauwkeurig en volledig om directe werking te kunnen hebben, omdat zij aan de Staat verschillende mogelijkheden la-ten om aan de vereisten van het belang van het kind te voldoen. Zij kunnen geen subjectieve rechten en verplichtingen doen ontstaan voor particulieren. Zij bieden met name de Staat en de verdragsluitende overheden de mogelijkheid om de be-langen van het kind bij de wijze van vaststelling van de biologische afstamming zo goed mogelijk te behartigen. De artikelen 318, 331nonies en 332 Burgerlijk Wetboek bevatten een regeling die de belangen van het kind beschermt.

Het staat niet aan de rechter om de wettelijke regeling tot bescherming van de be-langen van het kind te vervangen door zijn eigen beoordeling die volgens hem passender is.

Overeenkomstig artikel 51 van het voormelde Handvest van de grondrechten, zijn de bepalingen van dit handvest bovendien enkel tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Artikel 332quinquies van het Bur-gerlijk Wetboek brengt dat recht niet ten uitvoer.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

Krachtens artikel 318, § 5, Burgerlijk Wetboek is de vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of de voorwaarden van artikel 332quinquies zijn vervuld. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.

Krachtens artikel 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek wijst de recht-bank, indien het verzet uitgaat van degene van de ouders van het kind ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, de vordering slechts af indien de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.

Het arrest beslist dat het onderzoek betreffende de vraag "of de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met het belang van het kind" "een opportuniteits-toetsing veronderstelt die marginaal moet blijven", dat "het [aan de eiser] staat te bewijzen dat de vaststelling van de afstamming ten aanzien [van de verweerder] kennelijk strijdig is met het belang van [het kind]" en dat "de verslagen [...] het niet mogelijk maken te bewijzen dat de vaststelling van zijn afstamming kennelijk strijdig is met het belang van het kind".

Artikel 22bis, vierde lid, Grondwet bepaalt dat het belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat.

Het onderdeel werpt de vraag op of artikel 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, als het aldus wordt uitgelegd dat de rechter de belangen van het kind enkel marginaal moet toetsen, artikel 22bis Grondwet schendt.

Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" van de Grondwet.

Krachtens artikel 26, § 2, van voornoemde wet is het Hof gehouden de in het dic-tum van dit arrest gestelde vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof.

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag:

Schendt artikel 332quinquies, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek artikel 22bis, vierde lid, Grondwet als het aldus wordt uitgelegd dat de rechter de belangen van het kind enkel marginaal moet toetsen?

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Si-mon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2012 uitgespro-ken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • De aan de persoon verbonden gevolgen mogen enkel terugwerken tot de verwekking van het kind als het in zijn belang is