- Arrest van 2 maart 2012

02/03/2012 - C.11.0089.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het cassatieberoep tegen het dictum van het bestreden arrest dat de eiser benadeelt is ontvankelijk.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0089.F

1. J-Cl. B.,

2. M. S.,

Mr François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D-A. cvba,

2. P. D.,

3. V. A.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 13 oktober 2010 van het hof van beroep te Bergen.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebraht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan:

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1134, 1135, 1184, 2044, 2048, 2049 en 2052 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 5, 9, 563, 584, 593, 621, 868, 883 en 895 Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest beslist dat het door de eisers op 29 maart 2002 ingestelde hoger beroep geen bestaansreden meer heeft omdat de eisers en de voorlopig bewindvoerder op 5 april 2002 een dading hebben aangegaan, veroordeelt de eisers tevens om aan elke verweerder een schadevergoeding van 4.000 euro te betalen wegens tergend en roekeloos geding en veroordeelt hen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 7.000 euro op grond dat "uit het geheel van de hierboven vermelde gegevens, namelijk de verschillende brieven die de raadslieden van de partijen eind maart 2002 - begin april 2002 met elkaar hebben gewisseld, uit de betalingen die de (eisers) als gevolg hiervan hebben gedaan alsook uit de inhoud van de appelconclusie waarin (de eisers) klaar en duidelijk herinneren aan het feit dat (zij) de ‘uit de dading voortvloeiende verbintenissen stipt zijn nagekomen' volgt dat het hoger beroep dat (de eisers) bij het op 29 maart 2002 op de griffie van het hof van beroep neergelegde verzoekschrift hebben ingesteld tegen de beschikking van de voorzitter van 27 maart 2002, geen bestaansreden meer heeft" en dat "binnen het kader van de rechtspleging in kort geding, onverminderd het onderwerp van de vordering, de neerlegging van het verslag van de informaticavennootschap Organi op 24 september 2009 en de conclusies die het bevat, geen invloed hebben op de toepassing van de door (de eisers) aangehaalde artikelen van het Burgerlijk Wetboek (1134, 1184)."

Grieven

De dading die de wederkerige overeenkomst is waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen, heeft tussen de partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg en verbindende kracht zodat elke partij haar respectievelijke verbintenissen nauwgezet moet nakomen.

Zoals elke wederkerige overeenkomst kan de dading beëindigd worden als een van de partijen de erin vervatte verbintenissen niet nakomt, daar artikel 1184 Burgerlijk Wetboek erop van toepassing is, zodat de medecontractant die zich benadeeld acht door de fout bestaande in de niet-uitvoering van de dading de ontbinding ervan mag vorderen voor de rechter.

De gerechtelijke ontbinding die wordt uitgesproken heeft in de regel met terugwerkende kracht tot gevolg dat de partijen worden teruggeplaatst in de situatie waarin zij zich bevonden voor het sluiten van het contract.

De rechter voor wie een van de gedingvoerende partijen de exceptie van dading opwerpt tegen de rechtsvordering van de tegenpartij, dient, op straffe van schending van artikel 5 Gerechtelijk Wetboek en zelfs als zijn volstrekte bevoegdheid de uitzondering is, daarover uitspraak te doen, daar de rechter voor wie de vordering wordt gebracht tevens uitspraak moet doen over alle tussengeschillen die rijzen naar aanleiding van die vordering, tenzij de wet uitdrukkelijk anders bepaalt. Die bevoegdheid volgt uit het onderling verband tus-sen de artikelen 9, 563, 593, 621, 868, 883 en 895 Gerechtelijk Wetboek. Dat geldt eveneens voor de rechter die in kort geding uitspraak moet doen krachtens artikel 584 Gerechtelijk Wetboek.

Daaruit volgt noodzakelijkerwijs dat, wanneer de partij tegen wie de exceptie van dading wordt opgeworpen beweert dat die dading nietig is of moet worden ontbonden omdat de excipiens zijn verbintenissen niet nakomt, de rechter voor wie de verweerder of de gedaagde in hoger beroep de exceptie opwerpt, over die kwestie uitspraak moet doen. Zijn bevoegdheid om kennis te nemen van de vordering of van het rechtsmiddel hangt hierbij af van de rechtsgeldigheid en de reële uitwerking van de voor hem aangevoerde dading die, in geval van ontbinding, elke uitwerking verliest ab initio.

Het hof van beroep had na de heropening van het debat kennisgenomen van een conclusie waarin de eisers hadden aangevoerd dat de door de verweerders aangevoerde dading voor laatstgenoemden de verplichting inhield om hun de gelden van derden terug te geven die de eisers in hun plaats hadden voorgeschoten en dat de niet-nakoming van die verbintenis bleek uit het op 24 september 2009 ingediende verslag van de gerechtsdeskundige Organi.

Zij verzochten bijgevolg het hof van beroep om de tegen hun rechtsmiddel aangevoerde dading waardoor dat rechtsmiddel volgens de verweerders geen bestaansreden meer had, ontbonden te verklaren wegens ernstige tekortkoming aan hun uit de dading voortvloeiende contractuele verbintenissen, daar die ontbinding elke uitwerking kon ontnemen aan de dading, en meer bepaald een einde kon maken aan het in artikel 2052 Burgerlijk Wetboek bepaalde gevolg, en dat reeds vanaf het tijdstip waarop de dading was aangegaan.

Het bestreden arrest dat de door de verweerders opgeworpen exceptie van dading aanneemt, heeft derhalve niet wettig op grond dat de appelrechter geen uitspraak diende te doen over het geschil zelf en dat het verslag van de gerechtsdeskundige dat de eisers hadden aangevoerd als bewijs van het feit dat de verweerders de uit de dading voortvloeiende verbintenissen niet waren nagekomen, niet kon worden gebruikt in de rechtspleging in kort geding, kunnen beslissen dat het door de eisers opgeworpen verweermiddel niet hoefde te worden onderzocht en dat de rechter geen uitspraak hoefde te doen over de vordering tot gerechtelijke ontbinding van de door hen aangegane dading (schending van alle in het middel aangegeven bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

Het bestreden arrest is althans niet regelmatig met redenen omkleed daar het de redenen in feite en in rechte niet aangeeft waarom het door de eisers aangevoerde deskundigenverslag geen weerslag heeft op de door de verweerders opgeworpen dading en het Hof bijgevolg niet in staat is zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, opgeworpen door de verweerders: het cassatieberoep heeft geen belang.

De eisers verwijten het bestreden arrest dat het beslist dat hun hoger beroep geen bestaansreden meer heeft ten gevolge van de dading.

De eisers hebben er belang bij dat dictum te bekritiseren daar het hen benadeelt.

Het middel van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel zelf

Als de zaak spoedeisend is, kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewa-ring van recht bevelen, indien er een schijn van recht is die het nemen van een be-slissing verantwoordt; hij mag hierbij geen declaratoir van rechten doen, noch de rechtspositie van de partijen definitief regelen.

Uit het op 10 februari 2010 in de zaak gewezen arrest waarnaar het bestreden ar-rest verwijst blijkt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, uitspraak doende in kort geding, bij de bestreden beschikking die uitvoerbaar is bij voor-raad, de eisers heeft veroordeeld tot betaling van verschillende bedragen aan de verweerster.

Het bestreden arrest beslist, zonder op dat punt te worden bekritiseerd, dat de ei-sers en de verweerders achteraf een dading hebben aangegaan, dat "die dading door [de eisers] stipt werd uitgevoerd, [...] zodat de voorlopig bewindvoerder [van de verweerster] ervan afgezien heeft de bestreden beschikking uit te voeren [...] en een nieuwe dagvaarding in ‘kort geding bij voorraad' te doen betekenen".

In hun appelconclusie verzochten de eisers "de rechter om de ontbinding van de dading uit te spreken" op grond dat uit het door hun neergelegde deskundigenver-slag volgens hen bleek dat de verweerders hun verbintenissen niet waren nageko-men.

Het bestreden arrest beslist dat, onverminderd de uitspraak over de vordering zelf, het hof van beroep "binnen het kader van de rechtspleging in kort geding" niet bevoegd is om de vordering van de eisers te onderzoeken die ertoe strekt de da-ding te doen ontbinden omdat volgens hen de verweerders hun verbintenissen niet waren nagekomen.

Het bestreden arrest dat het Hof aldus de mogelijkheid biedt zijn wettigheidstoe-zicht uit te oefenen, is regelmatig met redenen omkleed en verantwoordt naar recht zijn beslissing dat "het hoger beroep [van de eisers] geen bestaansreden meer heeft."

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain

Simon en Michel Lemal, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2012 uitgespro-ken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Gemis aan belang

  • Beslissing die de eiser benadeelt

  • Ontvankelijkheid