- Arrest van 5 maart 2012

05/03/2012 - S.11.0057.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 26, §2, tweede lid, 2°, en 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof volgt dat het rechtscollege waarvoor een vraag werd opgeworpen betreffende de schending, door een wet, van de artikelen van titel II en van de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet, niet gehouden is het Grondwettelijk Hof te vragen bij wijze van prejudiciële beslissing over die vraag uitspraak te doen wanneer dat hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met hetzelfde voorwerp, maar dat voornoemd rechtscollege, voor de oplossing van het hem voorgelegde geschil, kan beslissen om zich te voegen naar het door het Grondwettelijk Hof eerder gewezen arrest (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0057.F

RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F. E. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 24 januari 2011 van het arbeidshof te Luik.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 13 februari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 33, 35, 36, 37, 40, 144, 149 en 159 van de Grondwet;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de scheiding der machten;

- artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

- artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vóór de wijziging ervan bij artikel 205 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I);

- artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 februari 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het beslist dat het beginsel van de gelijke behandeling vereist dat de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde kinderbijslag op dezelfde wijze vervuld worden voor de kinderen van de niet-uitkeringsgerechtigde volledig werkloze als voor die van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze. Alvorens over de overige punten uitspraak te doen, heropent het arrest het debat opdat de partijen hun standpunt kunnen toelichten over de naleving, vanaf 1 oktober 2008, van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde kinderbijslag. Het verantwoordt die beslissingen om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en in het bijzonder om de volgende redenen:

"[De eiser] verwijt het bestreden vonnis ten slotte dat het [de verweerster] de in artikel 42bis, § 1, 2°, van de samengeordende wetten bedoelde toeslag toekent. Die bepaling, zoals ze thans nog van kracht is, heeft betrekking op de toeslag die toegekend wordt voor de kinderen ‘van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze bedoeld in artikel 56novies, vanaf de zevende maand werkloosheid';

Op grond van dat artikel 56nonies heeft [de eiser] aan [de verweerster], vanaf september 2008, spontaan de hoedanigheid van gerechtigde toegekend. Het artikel luidt als volgt: ‘zijn tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen, eventueel verhoogd met de bijslagen, bepaald in artikel 42bis, op kinderbijslag gerechtigd en onder de door de Koning te bepalen voorwaarden: 1° de volledige of gedeeltelijke uitkeringsgerechtigde werklozen; 2° de volledige of gedeeltelijke niet uitkeringsgerechtigde werklozen'.

Terloops moet worden opgemerkt dat, aangezien de rechtbank beslist heeft dat [de verweerster] sinds 21 oktober 2007 werkloos was, de termijn van zes maanden die volgt uit artikel 42bis, § 1, 2°, ruimschoots overschreden was vóór de datum waarop de kinderbijslag is ingegaan;

In tegenstelling tot wat [de eiser] thans aanvoert, heeft de rechtbank terecht beslist dat [de verweerster] sinds 21 oktober 2007 een niet uitkeringsgerechtigde volledig, en niet gedeeltelijk, werkloze was. Zoals de arbeidsauditeur op pertinente wijze uitlegde in zijn schriftelijk advies vóór het beroepen vonnis, vloeit die hoedanigheid van niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze voort uit de beslissing waarbij de directeur van het werkloosheidsbureau [de verweerster] uitsluit van het voordeel van de uitkeringen die zij vorderde in haar hoedanigheid van vrijwillig deeltijds werknemer, op grond dat zij niet kon aantonen dat ze, tijdens de referteperiode, voldoende halve werkdagen of hiermee gelijkgestelde dagen had gepresteerd;

Artikel 42bis, § 1, 2°, in zijn voormelde versie, schijnt het voordeel van de betrokken toeslag bovendien alleen toe te kennen voor kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 145/2008 van 30 oktober 2008 evenwel beslist dat ‘artikel 42bis, § 1, 2°, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt [...] door de kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen niet de verhoogde kinderbijslag te geven die het toekent aan de kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen'.

De door het Grondwettelijk Hof aangeklaagde discriminatie kan ongedaan worden gemaakt door te beslissen dat artikel 42bis, § 1, 2°, het voordeel van de bij die wetsbepaling ingevoerde verhoogde toeslag zowel aan de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze als aan de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze toekent: ‘de gelijke behandeling van die kinderen komt tenslotte hierop neer dat er, in de tekst, geen rekening wordt gehouden met het woord "uitkeringsgerechtigde'" [...];

In dezelfde zin moet worden beslist dat ook artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 februari 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen, dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet mag worden toegepast, daar het bepaalt dat de volledig werkloze, voor de niet vergoede werkloosheidsperiodes, recht heeft op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40 van de samengeordende wetten, en niet op de in artikel 42bis van dezelfde wetten bedoelde toeslag [...];

De rechter kwijt zich zodoende van zijn taak om de vastgestelde ongrondwettigheid ongedaan te maken, daar die vaststelling van het Grondwettelijk Hof voldoende precies en volledig is verwoord om de betrokken wetsbepaling te kunnen toepassen conform de artikelen 10 en 11 van de Grondwet [...] ;

Artikel 205, 1°, van de wet van 22 december 2008 (I) houdende diverse bepalingen, die op een door de Koning te bepalen datum van kracht zal worden, schrapt overigens net het woord ‘uitkeringsgerechtigde' in de tekst van artikel 42bis, § 1, 2°, teneinde die bepaling in overeenstemming te brengen met de Grondwet;

Toch vereist het beginsel van de gelijke behandeling dat de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde kinderbijslag op dezelfde wijze vervuld zijn voor de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze als voor de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze;

In dat verband wijst [de eiser] erop dat, volgens artikel 42bis, § 4, ‘de rechthebbenden bedoeld in § 1, 1° en 2°, bovendien de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste moeten hebben aan de voorwaarden bepaald door de Koning'. Die voorwaarden worden vermeld in het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42 bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;

[De eiser] verwijt de eerste rechters daarenboven dat zij niet hebben nagegaan of de in dat koninklijk besluit vermelde voorwaarden te dezen waren vervuld vanaf 1 oktober 2008. Die kritiek blijkt gegrond;

Alvorens uitspraak te doen over het geschil betreffende de toekenning van de verhoogde kinderbijslag, moet het debat dan ook heropend worden om de in het dictum van dit arrest weergegeven redenen".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 42bis, § 1, 2°, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt dat de in dat artikel bedoelde toeslagen de in artikel 40, bedoelde bedragen verhogen voor de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze bedoeld in artikel 56novies, vanaf de zevende maand werkloosheid.

Artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 februari 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen bepaalt dat de volledig werkloze, onder de in die paragraaf bepaalde voorwaarden, recht heeft op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

De artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 1 maart 2000 tot uitvoering van artikel 42bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders leggen de voorwaarden vast waaraan de volledig werkloze, voor de stage en voor het behoud van het in artikel 42bis van de samengeordende wetten bedoelde recht op de verhoogde kinderbijslag, moet voldoen. Die voorwaarden veronderstellen dat de werkloze uitkeringsgerechtigd is en kunnen niet mutatis mutandis toegepast worden op de niet uitkeringsgerechtigde werkloze.

In zijn arrest nr. 145/2008 van 30 oktober 2008 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat artikel 42bis, eerste lid, van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 19 december 1939, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij de wet van 27 december 2006, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Het Grondwettelijk Hof was gevraagd of dat artikel 42bis de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het een verschil in behandeling invoerde tussen de rechtgevende kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en de rechtgevende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, daar voornoemd artikel het voordeel van de verhoogde kinderbijslag vanaf de zevende maand werkloosheid voorbehoudt aan de eerstgenoemden. Het Grondwettelijk Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord.

2. Luidens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moet enkel het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Wanneer de rechter de bevoegdheid die hem is toegekend bij artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof gebruikt om zich te voegen naar een arrest dat het Grondwettelijk Hof heeft gewezen in antwoord op een prejudiciële vraag die was gesteld in een andere zaak, en beslist om zelf een leemte in de wet op te vullen die de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt en waarvan het Grondwettelijk Hof het bestaan heeft vastgesteld, kan hij dat alleen maar doen in zoverre die leemte dat toestaat.

Zo kan en moet hij de leemte opvullen indien hij de ongrondwettigheid kan beëindigen door gewoon de litigieuze wettelijke bepaling aan te vullen binnen het kader van de bestaande wettelijke bepalingen en door die bepaling zo in overeenstemming te brengen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Hij kan zich echter niet in de plaats van de wetgever stellen indien de leemte van dien aard is dat zij noodzakelijkerwijs de invoering van een nieuwe regel vereist. In dat geval moet de wetgever de sociale belangen opnieuw evalueren of een of meer wettelijke bepalingen wijzigen.

3. De leemte van artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, die door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld in zijn arrest van 30 oktober 2008, kan niet worden opgevuld door het voordeel van de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze toe te kennen aan de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze.

Om die leemte te verhelpen, moeten immers met name de uitvoeringsmaatregelen voor de toekenning van de toeslag worden uitgewerkt en moeten de sociale belangen opnieuw worden geëvalueerd. De rechter kan zich daarbij niet in de plaats stellen van de wetgever.

4. Het arbeidshof heeft vastgesteld dat artikel 42bis, § 1, 2°, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 het voordeel van de betrokken toeslag schijnt voor te behouden aan de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, met uitsluiting van de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde werkloze, en heeft erop gewezen dat het Grondwettelijk Hof, in zijn arrest nr. 145/2008 van 30 oktober 2008, beslist heeft dat artikel 42bis de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, door de kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen niet de verhoogde kinderbijslag te geven die het toekent aan de kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen.

Het arbeidshof heeft daarna het volgende beslist:

- de door het Grondwettelijk Hof aangeklaagde discriminatie kan ongedaan worden gemaakt door te beslissen dat artikel 42bis, § 1, 2°, de door die wettelijke bepaling ingevoerde verhoogde kinderbijslag zowel aan de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze als aan de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze toekent: "de gelijke behandeling van die kinderen komt tenslotte hierop neer dat er, in de tekst, geen rekening wordt gehouden met het woord 'uitkeringsgerechtigde'";

- in dezelfde zin moet worden beslist dat ook artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 februari 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen, dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet mag worden toegepast, daar het bepaalt dat de volledig werkloze, voor de niet vergoede werkloosheidsperiodes, recht heeft op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40 van de samengeordende wetten, en niet op de in artikel 42bis van dezelfde wetten bedoelde toeslag;

- de rechter kwijt zich zodoende van zijn taak om de vastgestelde ongrondwettigheid ongedaan te maken, daar die vaststelling van het Grondwettelijk Hof voldoende precies en volledig is verwoord om de betrokken wetsbepaling te kunnen toepassen conform de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;

- artikel 205, 1°, van de wet van 22 december 2008 (I) houdende diverse bepalingen, die op een door de Koning te bepalen datum van kracht zal worden, schrapt overigens net het woord ‘uitkeringsgerechtigde' in de tekst van artikel 42bis, § 1, 2°, teneinde die bepaling in overeenstemming te brengen met de Grondwet;

- toch vereist het beginsel van de gelijke behandeling dat de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde kinderbijslag op dezelfde wijze vervuld zijn voor de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze als voor de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze;

Het bestreden arrest, dat aan het arbeidshof, gelet op het subjectieve recht op gelijke behandeling en niet-discriminatie en gelet op de wettelijke verplichting om zich te voegen naar het voormelde arrest waarmee het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag heeft beantwoord, de bevoegdheid toekent om de kwestie van de ongrondwettigheid op te lossen door de verhoogde kinderbijslag, bedoeld in artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939, toe te kennen aan de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, schendt artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, miskent het algemeen rechtsbeginsel betreffende de scheiding der machten en schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het arbeidshof overschrijdt tevens zijn bevoegdheden en miskent de bevoegdheden van de regulerende instantie (schending van de artikelen 33, 35, 36, 37, 40, 144 en 159 van de Grondwet).

Het bestreden arrest, dat om de voormelde redenen beslist dat de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde kinderbijslag, bedoeld in artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, op dezelfde wijze moeten worden vervuld voor de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze als voor de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, schendt dat artikel 42bis.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

(...)

Eerste onderdeel

Het onderdeel, dat niet preciseert in hoeverre het arrest artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 februari 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen zou schenden, is in zoverre niet ontvankelijk.

Voor het overige bepaalt artikel 56nonies van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals het van toepassing is op het geschil, dat zowel de uitkeringsgerechtigde volledig of gedeeltelijk werklozen als de niet uitkeringsgerechtigde volledig of gedeeltelijk werklozen, binnen de door de Koning te bepalen voorwaarden, recht hebben op de kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40, eventueel verhoogd met de in artikel 42bis bepaalde toeslagen.

Krachtens voormeld artikel 42bis, § 1, 2°, zoals het van toepassing is op het geschil, worden de in artikel 40 bedoelde bedragen vanaf de zevende maand werkloosheid verhoogd met een toeslag voor de kinderen van de in artikel 56nonies bedoelde uitkeringsgerechtigde volledig werkloze.

Het Grondwettelijk Hof heeft bij het arrest nr. 145/2008 van 30 oktober 2008 voor recht gezegd dat artikel 42bis, § 1, 2°, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, door de kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen niet de verhoogde kinderbijslag te geven die het toekent aan de kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, hoewel die kinderen zich in dezelfde situatie bevinden.

Uit de artikelen 26, § 2, tweede lid, 2°, en 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof volgt dat het rechtscollege waarvoor een vraag werd opgeworpen betreffende de schending, door een wet, van de artikelen van titel II en van de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet, niet gehouden is het Grondwettelijk Hof te vragen bij wijze van prejudiciële beslissing over die vraag uitspraak te doen wanneer dat hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met hetzelfde voorwerp, maar dat voornoemd rechtscollege, voor de oplossing van het hem voorgelegde geschil, kan beslissen om zich te voegen naar het door het Grondwettelijk Hof eerder gewezen arrest.

Het bestreden arrest, dat beslist dat het herstel van de gelijke behandeling, die werd verbroken in het nadeel van het kind van de verweerster, een niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, vereist dat er in de tekst van voormeld artikel 42bis, § 1, 2°, geen rekening wordt gehouden met het woord "uitkeringsgerechtigd", dat geleid heeft tot de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde discriminatie, schendt geen van de grondwettelijke en wettelijke bepalingen en miskent evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, zoals zij in dit onderdeel worden vermeld.

Het onderdeel, in zoverre het ontvankelijk is, kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain

Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 maart 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Prejudicieel geschil

  • Verplichting tot het stellen van een vraag aan het Grondwettelijk Hof

  • Voorgaand arrest

  • Vraag of beroep met hetzelfde voorwerp