- Arrest van 5 maart 2012

05/03/2012 - S.11.0058.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de omstandigheid dat artikel 42bis, eerste lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het kinderen die zich in dezelfde situatie als de begunstigden bevinden uitsluit van het voordeel dat het verleent, kan niet worden afgeleid dat het artikel een leemte vertoont die moet verholpen worden om de ongrondwettelijkheid ervan op te heffen (1). (1) Zie de concl. van het openbaar ministerie onder Cass. 5 maart 2012, AR S.11.0057.F, Pas. 2012, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0058.F

RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

S. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 25 januari 2011.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft op 14 februari 2012 een schriftelijke conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan :

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 33, 35, 36, 37, 40, 105, 108, 144 en 159 van de Grondwet;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de scheiding der machten;

- artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

- artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zowel voor als na de wijziging ervan bij de wetten van 4 mei 1999 en 12 augustus 2000, maar voor de wijziging ervan bij de wetten van 27 december 2005 en 27 december 2006.

Aangevochten beslissingen

Het arrest zegt voor recht dat verweerster kan genieten van/betoogt dat verweerster recht heeft op de verhoogde kinderbijslag voor kinderen van een rechthebbende werkloze voor zover voldaan is aan de voorwaarden van de hoedanigheid van rechthebbende en vraagt de eiser om het bedrag te bepalen dat op die basis eventueel onverschuldigd is. Het arrest beveelt daartoe de heropening van het debat. Het arrest verantwoordt die beslissingen door alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en in het bijzonder door de volgende redenen:

"1. Artikel 42bis van de samengeordende wetten bepaalt: ‘De toeslagen bedoeld in dit artikel verhogen de bedragen bedoeld in artikel 40, voor de kinderen [...] 2° van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze bedoeld in artikel 56novies, vanaf de zevende maand werkloosheid';

In zijn arrest van 30 oktober 2008 heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat ‘artikel 42bis, § 1, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de rechtgevende kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en de rechtgevende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, aangezien het het voordeel van de verhoogde kinderbijslag vanaf de zevende maand werkloosheid voorbehoudt aan de eerstgenoemden' ;

In dit geval hoeft er geen nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld aangezien dat Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag met hetzelfde voorwerp, namelijk of artikel 42bis, eerste lid, van de samengeordende wetten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de rechtgevende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en de rechtgevende kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen. De rechter moet zich voegen naar het door het Grondwettelijk Hof eerder gewezen arrest;

2. Het staat aan [het arbeidshof] om de leemte te verhelpen waarbij geen rekening wordt gehouden met de kinderen van rechtgevende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen voor het toekennen van een toeslag voor zover het zich niet in de plaats stelt van de wetgever. Niet het gerecht maar de wetgever is bevoegd indien de leemte van dien aard is dat zij noodzakelijkerwijs de invoering van een nieuwe regel vereist waarbij de wetgever de sociale belangen opnieuw moet evalueren of een of meerdere wettelijke bepalingen gewijzigd moeten worden [...];

[De eiser] voert vooreerst aan dat het toekennen van een toeslag aan alle personen die op dat ogenblik de hoedanigheid hebben van rechthebbenden als volledig volledig werklozen, vanaf zes jaar werkloosheid, als zij voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42 bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeider, een budgettaire weerslag heeft die, in een stelsel van loonarbeid, een jaarlijkse meerkost van 1.735.980 euro tot gevolg heeft. Het[arbeidshof] betoogt dat de meerkost betrekkelijk laag is en dat de toekenning ervan de vigerende wetgeving niet ter discussie stelt;

Vervolgens voert [de eiser] aan dat een bepaald aantal personen zonder sociaal beroepsstatuut of zonder voormalig sociaal beroepsstatuut het recht op toeslag makkelijker zou verwerven in een stelsel van loonarbeid dan in een stelsel van gewaarborgde gezinsprestaties, hetgeen volledig indruist tegen de logica die de betrekkingen tussen het algemeen stelsel en het residuair stelsel regelt. Het [arbeidshof] wijst er nogmaals op dat de werklozen volgens de samengeordende wetten in principe vallen onder het algemeen stelsel en niet onder het residuair stelsel en dat men discriminatie moet vermijden tussen de uitkeringsgerechtigden van het algemeen stelsel. Ook dient erop te worden gewezen dat het algemeen stelsel de regel is en het residuair stelsel de uitzondering en dat twee verschillende stelsels met verschillende regels van toekenning en uitkering niet mogen worden vergeleken. Ten slotte, kunnen de personen die betrokken zijn bij de georganiseerde sociale fraude in principe niet wettig genieten van een onverschuldigde verhoogde kinderbijslag;

Ten gevolge van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008 heeft de wetgever met artikel 205 van de wet van 22 december 2008 artikel 42bis van de samengeordende wetten gewijzigd om een einde te stellen aan die discriminatie. Die bepaling moest krachtens artikel 207 van de wet van kracht worden op de datum bepaald in een ministerraad overlegd koninklijk besluit. Dat koninklijk besluit werd niet genomen en artikel 205 is nog niet van toepassing;

Het [arbeidshof] wijst erop, samen met het openbaar ministerie, dat om een einde te stellen aan de discriminatie en aan de ongrondwettigheid er geen nieuwe volledig verschillende procedureregel en ook geen wijziging van één of meerdere wetsbepalingen nodig zijn. Het volstaat om de norm die van toepassing is op de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen toe te passen op de niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen. Het [arbeidshof] stelt immers vast dat het geenszins nodig is om het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 te wijzigen om een einde te stellen aan discriminatie die bestaat tussen de rechtgevende kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en de rechthebbende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen. Dat koninklijk besluit bepaalt de hoedanigheid van rechthebbende van de werkloze ten overstaan van zijn gezinstoestand en zijn inkomsten en kan zowel op de uikeringsgerechtigde werkloze als op de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ontegenzeggelijk worden toegepast;

3. De beslissing moet niet worden aangehouden totdat het Hof van Cassatie een arrest wijst op een op 25 juni 2010 door [de eiser] ingestelde voorziening aangezien die voorziening een geschil betreft dat niet vergelijkbaar is met datgene dat thans aan het [arbeidshof] wordt voorgelegd;

Het [arbeidshof] beslist bijgevolg dat in casu de verhoogde kinderbijslag moet worden toegekend vanaf de zevende maand werkloosheid, voor zover de hoedanigheid van rechthebbende erkend wordt op basis van de gezinstoestand, de persoonlijke situatie en de inkomsten. [De eiser] moet worden gevraagd om op die basis een eventuele onverschuldigde som te berekenen".

Grieven

1.1. Artikel 42bis, eerste lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt dat de in dat artikel bedoelde toeslagen de in artikel 40 bedoelde bedragen verhogen voor de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze bedoeld in artikel 56nonies, vanaf de zevende maand werkloosheid.

Volgens artikel 42bis, vierde lid, van de samengeordende wetten moet de rechthebbende bedoeld in § 1, de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste hebben aan de voorwaarden bepaald door de Koning en mag hij geen door de Koning bepaalde vervangingsinkomsten genieten die het door hem bepaalde bedrag overschrijden. Luidens het vijfde en zesde lid van hetzelfde artikel staat het eveneens aan de Koning om de voorwaarden te bepalen voor het behoud van het recht op de in het eerste lid aangegeven toeslagen.

Artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 februari 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen bepaalt dat de volledig werkloze, onder de in die paragraaf bepaalde voorwaarden, recht heeft op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

Het koninklijk besluit van 12 april 1984 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten wijst in de versie die van toepassing was voor de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 26 oktober 2004, vermeldt wie beschouwd wordt als rechthebbende met personen ten laste in de zin van artikel 42bis, vierde lid, samen met de vervangingsinkomsten die de rechthebbende mag ontvangen.

Het koninklijk besluit van 19 maart 1996 tot uitvoering van artikel 42bis van de samengeordende wetten in de versie die van toepassing was voor de opheffing ervan bij het koninklijk besluit van 1 maart 2000 bepaalt de voorwaarden voor het bereiken van de periode van zes maanden werkloosheid. Vanaf 1 mei 1999, leggen de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 1 maart 2000 tot uitvoering van artikel 42bis van de samengeordende wetten en tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis van de samengeordende wetten de voorwaarden vast waaraan de volledig werkloze, voor de stage en voor het behoud van de verhoogde kinderbijslag, moet voldoen. Die voorwaarden veronderstellen dat de werkloze uitkeringsgerechtigd is en kunnen naar analogie niet worden toegepast op een niet uitkeringsgerechtigde werkloze.

In zijn arrest nr. 145/2008 van 30 oktober 2008, heeft het Grondwettelijk Hof voor recht gezegd dat artikel 42bis, eerste lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 19 december 1939, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Er werd aan het Grondwettelijk Hof gevraagd of dat artikel 42bis de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het een verschil in behandeling invoerde tussen de rechtgevende kinderen van uitkeringsgerechtigde werklozen en de rechtgevende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, daar voornoemd artikel het voordeel van de verhoogde kinderbijslag vanaf de zevende maand werkloosheid voorbehoudt aan de eerstgenoemden. Het Grondwettelijk Hof heeft die vraag positief beantwoord.

1.2. Luidens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moet het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Wanneer de rechter, die gebruik maakt van de bevoegdheid die hem is toegekend bij artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zich voegt naar een arrest dat het Grondwettelijk Hof heeft gewezen in antwoord op een prejudiciële vraag die was gesteld in een andere zaak, en beslist om zelf een leemte in de wet te verhelpen die de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt en waarvan het Grondwettelijk Hof het bestaan heeft vastgesteld, kan hij dat alleen maar doen in zoverre die leemte dat toestaat.

Zo kan en moet hij de leemte verhelpen indien hij de ongrondwettelijkheid kan beëindigen door gewoonweg gebruik te maken van de bestaande wettelijke bepalingen om de ontoereikendheid van de litigieuze wettelijke bepaling te verhelpen door die bepaling aan te vullen en ze zo in overeenstemming te brengen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Hij kan zich echter niet in de plaats van de wetgever stellen indien de leemte van dien aard is dat zij noodzakelijkerwijs de invoering van een nieuwe regel vereist, waarbij de wetgever de sociale belangen opnieuw moet evalueren of een of meer wettelijke bepalingen gewijzigd moeten worden.

1.3. De leemte van artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, die door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld in zijn arrest van 30 oktober 2008, kan niet worden verholpen door het voordeel van de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze toe te kennen aan de kinderen van de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze.

De toekenning van de toeslag aan niet uitkeringsgerechtigde werklozen vereist immers dat bepaalde voorwaarden worden bepaald zoals in het koninklijk besluit van 1 maart 2000. Artikel 2 van dat koninklijk besluit bevat bepaalde regels voor de berekening van de stageperiode van zes maanden die artikel 42bis van de samengeordende wetten vereist. En artikel 3 bepaalt hoe de rechthebbende de hoedanigheid kan behouden van een persoon waardoor het recht op kinderbijslag wordt geopend in het voordeel van de kinderen van een werkloze. Die reglementaire voorwaarden gaan uit van een uitkeringsgerechtigde werkloosheid. Het negeren in die artikelen van het woord "uitkeringsgerechtigde" volstaat niet om ze op niet uitkeringsgerechtigde werklozen te kunnen toepassen. De bepaling van de uitvoeringsmaatregelen die nodig zijn voor de toekenning van de toeslag aan die werklozen vergt een evaluatie van de sociale en budgettaire belangen. Het staat niet aan de rechter om in de plaats te treden van de wetgever en die evaluatie te maken, hetzij door zelf de voorwaarden waarvan sprake in het koninklijk besluit van 1 maart 2000 te bepalen , hetzij door elke andere voorwaarde dan die waarvan sprake in artikel 42bis van de samengeordende wetten te negeren.

2. Het arrest stelt vast dat artikel 42bis, § 1, 2°, van de samengeordende wetten het voordeel van de betreffende toeslag toekent aan de kinderen van de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die is aangegeven in artikel 56nonies en het merkt op dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 30 oktober 2008 beslist heeft dat dat artikel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen de rechthebbende kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en de rechthebbende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, waarbij dat artikel het voordeel van de verhoogde kinderbijslag vanaf de zevende maand werkloosheid voorbehoudt aan de eerstgenoemden en dus niet aan de laatstgenoemden.

Het arrest merkt op dat de rechter zich moet voegen naar dat arrest van het Grondwettelijk Hof en dat hij de leemte kan verhelpen waarbij de rechthebbende kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen niet in aanmerking komen voor de toekenning van een toeslag voor zover hij zich niet in de plaats stelt van de wetgever.

Vervolgens verwerpt het arrest de stelling van de eiser dat, gelet op de budgettaire impact en de logica die de verhoudingen tussen het algemeen stelsel en het residuair stelsel moet regelen, de toekenning van toeslagen aan volledig werklozen wel degelijk een nieuw evenwicht impliceert tussen de belangen die in het geding zijn, en dus een beleidskeuze wat met andere woorden betekent dat de bestaande regels aan herziening toe zijn om volgende redenen:

- een budgettaire weerslag die een jaarlijkse meerkost met zich meebrengt ten belope van 1.735.980 euro in loonarbied, is betrekkelijk laag en de toekenning stelt de vigerende wetgeving niet ter discussie;

- in het licht van de samengeordende wetten bevinden de werklozen zich in principe in het algemeen stelsel en niet in het residuair stelsel en dient discriminatie tussen de rechthebbenden van het algemeen stelsel te worden vermeden, aangezien dat algemeen stelsel de regel is en het residuair stelsel de uitzondering, en twee verschillende stelsels met verschillende regels van toekenning en uitkering niet mogen worden vergeleken;

- de personen die betrokken zijn bij georganiseerde sociale fraude kunnen in principe niet wettig genieten van een onverschuldigde verhoogde kinderbijslag.

Het arrest stelt vast dat de wetgever na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 oktober 2008 artikel 42bis van de samengeordende wetten heeft gewijzigd bij de wet van 22 december 2008 (artikel 205) om een einde te stellen aan de aangevoerde discriminatie maar dat die bepaling nog niet van toepassing is.

Het arrest wijst erop dat er geen nieuwe volledig verschillende procedureregel en ook geen wijziging van één of meerdere wetsbepalingen nodig zijn om een einde te stellen aan de discriminatie en aan de ongrondwettelijkheid en dat het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 zowel op de uikeringsgerechtigde werkloze als op de niet uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ontegenzeggelijk kan worden toegepast. Het arrest beslist dat het volstaat om de norm die van toepassing is op de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen toe te passen op de niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen.

3. Het arrest steunt op het subjectieve recht op gelijke behandeling en niet-discriminatie en op de wettelijke verplichting om zich te voegen naar het voormelde arrest waarmee het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag heeft beantwoord, om zich bevoegd te achten om de kwestie van de ongrondwettelijheid op te lossen door de verhoogde kinderbijslag, bedoeld in artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939, toe te kennen aan de kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en schendt aldus artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, miskent het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, en schendt ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het arbeidshof heeft eveneens zijn bevoegdheid overschreden en de bevoegdheden miskend van de regulerende instantie (schending van de artikelen 33, 35, 36, 37, 40, 105, 108, 144 en 159 van de Grondwet).

Het arrest dat om de voormelde redenen beslist dat in casu de verhoogde kinderbijslag, bedoeld in artikel 42bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders moet worden toegekend vanaf de zevende maand werkloosheid, voor zover de hoedanigheid van rechthebbende erkend wordt gelet op de gezinstoestand, de persoonlijke situatie en de inkomsten, schendt dat artikel 42bis.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 56nonies van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals het van toepassing is op het geschil, bepaalt dat zowel de uitkeringsgerechtigde volledig of gedeeltelijk werklozen als de niet uitkeringsgerechtigde volledig of gedeeltelijk werklozen, binnen de door de Koning te bepalen voorwaarden, recht hebben op de kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40, eventueel verhoogd met de in artikel 42bis bepaalde toeslagen.

Krachtens voormeld artikel 42bis, eerste lid, zoals het van toepassing is op het geschil, worden de in artikel 40 bedoelde bedragen vanaf de zevende maand werkloosheid verhoogd met een toeslag voor de kinderen van de in artikel 56nonies bedoelde uitkeringsgerechtigde volledig werkloze.

Het Grondwettelijk Hof heeft bij het arrest nr. 145/2008 van 30 oktober 2008 voor recht gezegd dat artikel 42bis, eerste lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, door de kinderen van niet uitkeringsgerechtigde volledig werklozen niet de verhoogde kinderbijslag te geven die het toekent aan de kinderen van uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, hoewel die kinderen zich in dezelfde situatie bevinden.

Uit de omstandigheid dat artikel 42bis, eerste lid, weigert het bepaalde voordeel toe te kennen aan kinderen die zich in dezelfde situatie bevinden als de uitkeringsgerechtigden, en aldus de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, kan niet worden afgeleid dat het een leemte bevat die moet worden verholpen om de ongrondwettelijkheid ervan ongedaan te maken.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht.

Dictum,

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 5 maart 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Prejudicieel geschil

  • Verschil in behandeling

  • Discriminatie

  • Leemte in de wetgeving

  • Begrip

  • Beperkingen