- Arrest van 7 maart 2012

07/03/2012 - P.12.0321.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Tegen een persoon kan geen veroordeling worden uitgesproken die enkel gegrond is op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met het recht op voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of het recht op bijstand door een advocaat tijdens het verhoor, maar de wet bestraft de niet-naleving van de door haar bepaalde vormvoorschriften niet met nietigheid; de sanctie ligt in het verbod voor het vonnisgerecht om het bewijs dat een misdrijf is gepleegd te zoeken in het verhoor dat op onregelmatige wijze is afgenomen en, bijgevolg, in het verbod voor het onderzoeksgerecht om daaruit aanwijzingen of bezwaren af te leiden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0321.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BERGEN,

tegen

H. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 februari 2012.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Het arrest stelt in substantie vast dat de verweerder, die van zijn vrijheid is beroofd, schriftelijk afstand heeft gedaan van het recht op bijstand door een advocaat tijdens zijn verhoren, maar dat dit geschrift niet betekent dat hij afstand heeft gedaan van het recht op voorafgaandelijk telefonisch overleg.

De kamer van inbeschuldigingstelling leidt daaruit af dat de verhoren van de verweerder tijdens de duur van zijn aanhouding onwettig zijn.

Het arrest baseert de sanctie van die onwettigheid hierop, dat het recht op voorafgaandelijk overleg een substantieel bestanddeel is van de procedure van vrijheidsberoving in zoverre de uitoefening van dat recht betrekking heeft op de bewijsgaring op een tijdstip dat de verdachte in een kwetsbare positie verkeert omdat hij zijn vrijheid van komen en gaan kwijt is.

De appelrechters leiden daaruit af dat er grond was om de processen-verbaal van verhoor en ondervraging van de verdachte nietig te verklaren, alsook het bevel tot aanhouding dat ingevolge die onderzoeksverrichtingen tegen hem is uitgevaardigd.

Artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalt evenwel dat tegen een persoon geen veroordeling kan worden uitgesproken die enkel gegrond is op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met het recht op voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of op de bijstand door een advocaat tijdens het verhoor.

De wet bestraft de niet-naleving van de door haar bepaalde vormvoorschriften dus niet met nietigheid. De sanctie ligt in het verbod voor het vonnisgerecht om het bewijs dat een misdrijf is gepleegd te zoeken in het verhoor dat op onregelmatige wijze is afgenomen en, bijgevolg, in het verbod voor het onderzoeksgerecht om daaruit aanwijzingen of bezwaren af te leiden.

Het arrest vermeldt nergens dat de onderzoeksrechter de beslissing om het bevel tot aanhouding te verlenen, uitsluitend of op doorslaggevende wijze zou gegrond hebben op aanwijzingen van schuld die verkregen zijn uit de verklaringen die tijdens de verzekerde bewaring zijn afgelegd, veeleer dan op voldoende en duidelijke gegevens die van vóór die tijd dateren.

Het arrest schendt de artikelen 47bis, § 6, en 235bis Wetboek van Strafvordering door de onregelmatigheid waarop het wijst te bestraffen met nietigheid, iets waarin de wet niet voorziet.

Het middel is gegrond.

Het eerste middel behoeft geen onderzoek daar het niet tot vernietiging zonder verwijzing kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre

Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 7 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique

Kosynsky.

Vrije woorden

  • Verklaringen in strijd met recht op voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg of recht op bijstand door advocaat tijdens verhoor

  • Sanctie