- Arrest van 8 maart 2012

08/03/2012 - C.11.0121.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een tussenvordering, die door een partij in het geding tegen een andere partij in het geding bij conclusie wordt ingesteld en een veroordeling nastreeft die, hoewel zij met de hoofdvordering verband houdt, een daarvan onafhankelijk voorwerp heeft, blijft als hoofdvordering bestaan wanneer de gedinginleidende hoofdvordering niet ontvankelijk of niet gegrond wordt verklaard (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0121.N

CEMAT - SOCIETA NATIONALE PER IL TRASPORTO COMBINATO STRADA ROTAIA spa, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 20159 Milaan (Italië), Via Valtellina 5-7,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. ENVIRONMENTAL FREIGHT SERVICES (E.F.S.), vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk, met zetel te Lodge Lane (Verenigd Koninkrijk), Gt. Blakenham, Ipswich Suffolk IPG OLB,

2. BELGISCHE VENNOOTSCHAP VOOR TRANSPORT VAN HET GECOMBINEERD RAIL-WEG SYSTEM nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Tweestationsstraat 80,

verweersters,

3. OUTOKUMPU STAINLESS Ltd, vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 januari 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 8 februari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 12, 13, 15, 16, lid 2, 17, 18, 716, 717, 812, 813, tweede lid, 860 en 861 Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 4, 8 en 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing en motieven

Na te hebben vastgesteld dat (1) de inleidende vordering van EFS (eerste verweerster) bij exploot van 14 augustus 2003 ertoe strekte om TRW (tweede verweerster) te laten veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van euro 145.000; dat (2) TRW op haar beurt verscheidene partijen, waaronder eiseres CEMAT, bij exploten van 20 en 21 augustus 2003 voor dezelfde rechter gedagvaard had om hun vrijwaring te bekomen voor elke veroordeling die tegen haar zou worden uitgesproken en deze partijen te horen veroordelen tot betaling aan TRW van een bedrag van euro 1.000.000; dat (3) CEMAT bij conclusie van 22 september 2003 een tussenvordering ingesteld had "tegen alle in het geding zijnde partijen, zijnde op dat ogenblik EFS, TRW, Ferryways, NMBS, Trenitalia en Ferroviaria", ter vergoeding van haar eigen schade ingevolge de bewuste ontsporing; dat (4) CEMAT bij exploot van 1 oktober 2004 een "dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring en op rechtstreekse eis" aan Norfolk Line en Avesta Polarit (later Outokumpu geworden) had laten betekenen teneinde deze partijen te horen veroordelen CEMAT te vrijwaren voor elke veroordeling die tegen haar zou worden uitgesproken en deze partijen te horen veroordelen tot betaling van een nog nader te bepalen som, provisioneel geschat op euro 1.000.000; alsmede dat (5) geen enkele partij de beslissing van de eerste rechter bekritiseert in zoverre deze de inleidende dagvaarding van EFS tegen TRW dd. 14 augustus 2003 nietig had verklaard op grond van artikel 40, eerste lid van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Oordeelt het arrest, enerzijds, dat CEMAT geen rechtsgeldige tussenvordering bij conclusie kon instellen tegen EFS en TRW en, anderzijds, dat de geldigheid van de door haar bij exploot van 1 oktober 2004 ingestelde proceshandeling tegen Norfolk en Outokumpu afhankelijk was van de niet rechtsgeldige inleiding van de vordering door exploot van 14 augustus 2003 om hieruit af te leiden dat de eerste rechter aldus terecht geoordeeld heeft dat alle navolgende proceshandelingen in het geding A/03/07083 samen met de gedinginleidende akte eveneens teniet zijn gegaan, om motieven dat "een nietig verklaarde proceshandeling als zodanig ex tunc geen rechtsgevolgen [heeft] en dat behoudens andersluidende wetsbepalingen de nietigheid van een proceshandeling in de regel [gaat] over op de daarop volgende en onlosmakelijk verbonden proceshandelingen".

Grieven

Eerste onderdeel

De nietigheid van de oorspronkelijke vordering heeft, behoudens de vorderingen in vrijwaring die zonder voorwerp worden, niet tot gevolg dat de vorderingen tot tussenkomst (artikelen 12 en 13 Gerechtelijk Wetboek), regelmatig ingesteld hetzij bij conclusie tegen partijen al betrokken bij het geding, hetzij bij afzonderlijk exploot tegen derden, door de nietigheid van de hoofdvordering tot vergoeding van de schade geleden door een partij (terzake EFS) en gericht tegen één gebeurlijke aansprakelijke andere partij (terzake TRW) worden aangetast aangezien de tussenvorderingen, die de uitspraak van een veroordeling beogen die niet afhangt van de veroordeling waartoe de hoofdvordering strekt, zoals ten deze de tussenvorderingen van eiseres tegen TRW, EFS, Norfolk Line en Outokumpu tot vergoeding van de schade opgelopen door eerstgenoemde als gevolg van de ontsporing in Italië, geen aan de hoofdvordering ondergeschikte vorderingen zijn daar hun bestaan niet onlosmakelijk verbonden is met de hoofdvordering behept met een nietigheid, zodat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen beslissen dat de tussenvorderingen van de eiseres eveneens teniet zijn gegaan (schending van de artikelen 12, 13, 16, lid 2, 812, 813, lid 2, 860 en 861 Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

De nietigheid van de oorspronkelijke dagvaarding van EFS gericht enkel tegen TRW tot vergoeding van de aangevoerde schade van eerstgenoemde en waarvoor TRW verantwoordelijk werd gesteld, zijnde luidens de appelrechters, dé hoofdvordering, kan niet de nietigheid met zich meebrengen van het op verzoek van de eiseres, gedaagde op de vordering van TRW, betekende exploot van 1 oktober 2004, , tegen derde - niet in het geding zijnde - partijen, zijnde Norfolk Line en Outokumpu, en houdende niet alleen een vordering in tussenkomst maar ook een rechtstreekse eis tot het bekomen van een schadevergoeding gelet op de aansprakelijkheid van deze gedaagden wat, in strijd met de bewering van het arrest, wel een inleidende vordering in de zin van artikel 13 Gerechtelijk Wetboek uitmaakt, zelfs indien deze nieuwe vordering geen apart rolnummer krijgt en er geen rolrecht voor wordt betaald (artikelen 716 en 717 Gerechtelijk Wetboek), minstens een autonome tussenvordering betreft waarvan de regelmatigheid niet afhankelijk is van deze van de hoofd - oorspronkelijke - vordering (schending van de artikelen 12, 13, 16 lid 2, 812, 813, lid 2, 860 en 861 Gerechtelijk Wetboek), dat indien het arrest zou worden uitgelegd dat bij exploot van 1 oktober 2004 eiseres uitsluitend een vordering in tussenkomst zou hebben ingediend en geen rechtstreekse eis tot veroordeling, schendt het arrest de bewijskracht van deze akte aan dewelke het een onverenigbare draagwijdte toekent (schending van de artikelen 1319, 1320, 1322 Burgerlijk Wetboek).

Derde onderdeel

De mededeling als bijlage, bij de dagvaarding van 1 oktober 2004 uitgaande van CEMAT en gericht tegen Norfolk en Outokumpu van de later nietig verklaarde dagvaarding van 14 augustus 2003, ter informatie van de gedaagden, mag geen weerslag hebben op de geldigheid van de betekende dagvaarding als deze laatste als dusdanig niet in overtreding is met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 over het gebruik der talen in gerechtszaken zodat het arrest niet rechtsgeldig heeft kunnen beslissen dat de dagvaarding van CEMAT van 1 oktober 2004 met absolute nietigheid behept is (schending van de artikelen 4, 8 en 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Een tussenvordering, die door een partij in het geding tegen een andere partij in het geding bij conclusie wordt ingesteld en een veroordeling nastreeft die, hoewel zij met de hoofdvordering verband houdt, een daarvan onafhankelijk voorwerp heeft, blijft als hoofdvordering bestaan wanneer de gedinginleidende hoofdvordering niet ontvankelijk of niet gegrond wordt verklaard.

2. De tussenvordering in gedwongen tussenkomst die een veroordeling beoogt die, hoewel zij daarmee samenhangt, niet afhangt van de veroordeling waartoe de hoofdvordering strekt, is evenmin een ondergeschikte vordering. Zij blijft als hoofdvordering bestaan wanneer de gedinginleidende hoofdvordering niet ontvankelijk of niet gegrond wordt verklaard.

3. De appelrechters stellen vast dat:

- de eiseres bij conclusie van 22 september 2003 een tussenvordering instelde tegen alle in het geding zijnde partijen teneinde haar schade vergoed te zien;

- de vordering tot gedwongen tussenkomst die de eiseres bij deurwaardersexploot van 1 oktober 2004 instelde, er mede toe strekte de tot tussenkomst gedwongen partijen hoofdelijk of "in solidum", minstens de ene bij gebreke aan de andere te doen veroordelen tot het betalen van een bepaalde som geld.

4. De appelrechters wijzen deze tussenvorderingen af omdat de nietigheid van de gedinginleidende akte de nietigheid van alle navolgende proceshandelingen tot gevolg heeft en de ingestelde tussenvorderingen ook geen gedinginleidende vorderingen zijn.

Door aldus te oordelen miskennen de appelrechters het autonoom karakter van bedoelde tussenvorderingen en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

5. Een akte van rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld of, in het geval een aanhaling in een andere taal van de rechtspleging is opgenomen, wanneer in de akte tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging is weergegeven.

De enkele omstandigheid dat een stuk dat niet of niet geheel in de taal van de rechtspleging is gesteld, wordt gevoegd bij een akte van rechtspleging, zonder dat zulks is vereist voor de geldigheid van de akte van rechtspleging en zonder dat de inhoud ervan in de akte van rechtspleging wordt aangehaald, heeft niet tot gevolg dat de akte van rechtspleging niet in de taal van de rechtspleging is gesteld.

6. De appelrechters die oordelen dat de dagvaarding van 1 oktober 2004 niet in de taal van de rechtspleging is gesteld omdat de nietige dagvaarding van 14 augustus 2003 mede werd betekend en derhalve een geheel uitmaakte met het exploot van 1 oktober 2004, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

7. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de tussenvorderingen van de eiseres tegen de verweersters en over de kosten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Tussenvordering

  • Tussenvordering die een veroordeling beoogt

  • Verband met de hoofdvordering

  • Onontvankelijkheid of ongegrondheid van de hoofdvordering