- Arrest van 9 maart 2012

09/03/2012 - C.10.0330.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De door artikel 1907, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek vastgelegde grens van de verhoging van de rentevoet wegens vertraging in de betaling is van toepassing ongeacht of de partijen een verhoging van de rentevoet wegens vertraging in de betaling, dan wel een verlaging van die rentevoet in het geval van een stipte betaling hebben bedongen (1). (1) Zie De Page, dl. V, nr. 154, p. 155; Ch. Biquet-Mathieu, Le sort des intérêts dans le droit du crédit, Actualité ou désuétude du Code civil?, Luik, 1998, nr. 335, p. 601 en aldaar vermelde verwijzingen, o.m. naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 juli 1934 die een derde lid heeft ingevoegd in art. 1907.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0330.F

IMMOBILIÈRE A.D.I. nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

CREDIMO nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 25 mei 2009.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 16 februari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 1907, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest wijst, op basis van de uiteenzetting van de feiten van de zaak door de bodemrechter, die ze overneemt, op het volgende:

"Op 30 april 1999 heeft de (verweerster) de (eiseres) een kredietopening toegestaan van 6.500.000 Belgische frank (of 161.130,79 euro) tegen een rentevoet van 8,5 pct. per jaar, terugbetaalbaar in 20 annuïteiten vanaf 30 mei 1999, betaalbaar in maandelijkse schijven van 63.308 Belgische frank.

De terugbetaling van dat krediet was gewaarborgd door een onderpand op een handelszaak en door een hypotheek in eerste rang op het pand in Beaufays.

De (verweerster) heeft op 1 september 1999 de (eiseres) een bijkomend krediet van 8.750.000 Belgische frank (of 216.906,83 euro) toegestaan tegen een rentevoet van 8,5 pct. per jaar, terugbetaalbaar in 20 annuïteiten vanaf 1 oktober 1999, betaalbaar in maandelijkse schijven van 85.222 Belgische frank.

De terugbetaling van dat krediet was gewaarborgd door een hypothecaire inschrijving op het pand in Beaufays en op het pand in Fléron.

Op 7 oktober 1999 heeft de (verweerster) de (eiseres) een krediet van 500.000 Belgische frank (of 12.394,68 euro) toegestaan tegen een rentevoet van 9,5 pct. per jaar, terugbetaalbaar in 5 annuïteiten vanaf 7 november 1999, betaalbaar in maandelijkse schijven van 11.574 Belgische frank.

In die kredietakten zijn de heer en mevrouw P.-Z. als ontleners hoofdelijk en ondeelbaar verbonden met de (eiseres).

Op 8 april 1999, 26 augustus 1999 en 4 oktober 1999, dus enkele dagen vóór de ondertekening van de authentieke akten waarbij de drie voornoemde kredieten worden vastgesteld, ondertekenen de partijen en de heer en mevrouw P.-Z. een ‘avenant' bij elk van die drie contracten.

De drie bijvoegsels bepalen, in artikel 2, het volgende:

‘In afwijking van artikel 3 van de voornoemde authentieke akte komen de partijen thans bij onderhandse akte overeen dat de rentevoet van de lening [vanaf de eerste maandelijkse schijf ] verminderd zal worden [tot 5,5 pct. per jaar voor de twee eerste kredieten en tot 7,5 pct. per jaar voor het derde]'.

Artikel 3 van elk bijvoegsel luidt bovendien als volgt:

‘De verlaagde rentevoet die volgens artikel 2 wordt toegekend, is niet langer van toepassing:

- zodra de door de vennootschap voor vergelijkbare leningen toegekende rentevoet verhoogt tot boven de toegekende verlaagde rentevoet; in dat geval zal de vennootschap een voorstel doen tot aanpassing van de rentevoet;

- zodra de ontleners niet langer de clausules van de voornoemde akte en van bijgevoegd bestek naleven, meer bepaald in geval van vertraging in de betaling, hoe gering die ook is; in dat geval wordt de in artikel 3 van de authentieke akte vastgelegde rentevoet opnieuw en blijvend van toepassing.

Bovendien zal de vennootschap de ontleners per brief op de hoogte moeten brengen van de rentestijging, ten minste één maand vóór de eerste vervaldag waarop de stijging van toepassing zal zijn. De vennootschap zal in geen enkel geval een rentestijging met terugwerkende kracht kunnen opleggen".

De (verweerster) heeft met betrekking tot de eerste twee voornoemde kredieten in haar brieven van 26 mei 2000 aan de (eiseres) het volgende geschreven:

‘Wij verwijzen naar het bijvoegsel bij de akte van de hypothecaire lening, waarin onze vennootschap u een tijdelijke vermindering van de rentevoet van uw krediet heeft toegekend.

Intussen is de marktrente opnieuw gestegen.

In die context zien wij ons verplicht om de rentevoet van uw lening op te trekken naar 6,75 pct. per jaar vanaf [30 mei 2000 voor het eerste krediet en vanaf 1 juni 2000 voor het tweede]; dat is de rentevoet die onze vennootschap thans voor vergelijkbare leningen toepast'.

De (verweerster) kondigde bijgevolg aan dat de nieuwe maandelijkse schijf opgetrokken was van 47.058 naar 53.829 Belgische frank voor het eerste krediet en van 63.347 naar 72.462 Belgische frank voor het tweede.

De (verweerster) heeft in haar brieven van 23 juni 2000 aan de (eiseres) het volgende geschreven:

‘... Als antwoord op uw vraag om terug te komen op onze beslissing om de rentevoet op te trekken en gelet op de kwaliteit van het dossier kunnen wij uitzonderlijk ermee instemmen de geplande stijging te beperken tot 0,50 pct. in plaats van 1,25 pct.', zijnde een rentevoet van 6 pct. per jaar vanaf 30 mei 2000 voor het eerste krediet en vanaf 1 juni 2000 voor het tweede.

De (verweerster) kondigde bijgevolg de nieuwe maandelijkse schijf aan, zijnde 49.766 Belgische frank voor het eerste krediet en 66.993 Belgische frank voor het tweede krediet.

Met betrekking tot de eerste drie voornoemde kredieten heeft de (verweerster) in haar brieven van 13 juli 2001 de (eiseres) het volgende geschreven:

‘Na controle van uw dossier hebben wij een aanzienlijke vertraging in de terugbetaling van uw hypothecaire lening vastgesteld.

Die vertraging verplicht ons artikel 3 van het bijvoegsel nummer 1 bij de akte van hypothecaire lening toe te passen [...].

Zodoende delen wij u mee dat de in de authentieke akte vermelde rentevoet opnieuw van toepassing zal zijn [vanaf 30 juli 2001 voor het eerste krediet, vanaf 1 augustus 2001 voor het tweede en vanaf 7 augustus 2001 voor het derde]'.

De (verweerster) meldde bijgevolg dat de oorspronkelijke maandelijkse schijven die in de authentieke akten waren vastgesteld, opnieuw zouden worden toegepast".

Na die herinnering vermeldt het arrest, in zijn doorslaggevende redenen, "dat de lener de wettelijke bepalingen m.b.t. de variabele rentevoeten niet heeft omzeild" en dat hij "evenmin artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek heeft omzeild". Het baseert die beslissing op al zijn redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven en inzonderheid, op de onderstaande redenen:

"De lening, zoals zij is omschreven in de notarisakte werd toegekend tegen een vaste rentevoet in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet; de lener kende echter wel een vermindering van de rente toe voor zover de rentevoet die de lener toepaste niet boven de bedongen vaste rentevoet was gestegen - in die onderstelling zouden de partijen onderhandelen over een nieuwe rentevoet - of voor zover de debiteuren de vervaldata voor de terugbetaling respecteerden, wat zij niet hebben gedaan; in laatstgenoemde onderstelling zullen er geen onderhandelingen plaatsvinden maar zal de oorspronkelijk bedongen rentevoet worden toegepast.

De verweerster toont aan, zonder op dat punt te worden tegengesproken, dat zij in mei 2000, toen zij gebruik maakte van de mogelijkheid om een rentestijging voor te stellen, geen rentevoet heeft voorgesteld die hoger was dan die welke in de notarisakte was vastgesteld en zij dat gedaan heeft om objectieve redenen.

In haar conclusie zet zij immers uiteen dat, met betrekking tot de lening 9900266, de index E die gold in april 1999, bij de aanvang van het contract, 3,541 pct. bedroeg en in mei 2000 5,238 pct., zijnde een stijging met 38 pct.

Die index E is echter gelijk aan het gemiddelde van de dagelijkse rendementspercentages opgetekend gedurende de twee maanden die eindigen op de vijftiende dag van de in artikel 9, § 1, 4°, van de wet van 4 augustus 1992 bedoelde kalendermaand. Dat gemiddelde wordt door de Nationale Bank van België meegedeeld aan de Controledienst voor de verzekeringen die het om de maand doet bekendmaken in het Belgisch Staatsblad (...).

Aangezien dat voorstel om de vaste rentevoet te verminderen, gedaan werd in de aldus beschreven omstandigheden, moeten we stellen dat de lener de wettelijke bepalingen betreffende de variabele rentevoeten niet heeft omzeild en dat de verwijzing naar een objectief marktgegeven of naar een verzuim van de debiteuren voor de lener in geen geval een potestatief beding vormt.

De lener heeft evenmin artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek omzeild in zoverre de bedongen rentevoet die is welke vermeld is in de notarisakte en dat er m.b.t. die rentevoet geen nalatigheidsinterest van meer dan 0,5 pct. per jaar wordt toegepast".

Grieven

Artikel 1907, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, in de overeenkomsten van geldlening terugbetaalbaar door middel van annuïteiten, de rentevoet van de lening en de voor de wederherstelling van het kapitaal bedongen rentevoet, vastgesteld moeten worden door afzonderlijke bepalingen van de akte en dat de verhoging van de interest wegens vertraging in de betaling in geen geval een half pct. per jaar op het verschuldigd gebleven kapitaal mag overschrijden.

De verrichting die de partijen contractueel zijn overeengekomen, bestond erin dat de verweerster, bij onderhands overeengekomen avenanten een rentevoet van 3 pct. toekende die lager lag dan die welke was bedongen in de authentieke leningsakten die enkele dagen later werden ondertekend. De avenanten vermelden uitdrukkelijk dat ze afwijken van de authentieke akte en beschrijven de omstandigheden waarin en de wijze waarop die verminderde rentevoet niet langer van toepassing zal zijn.

De eiseres voerde in haar conclusie aan dat "de werkelijke bedoeling van de partijen dus erin bestond een rentevoet te bedingen die duidelijk lager was dan die welke in de notarisakten vermeld stond" en "dat die werkwijze geen ander doel had dan dwingende wettelijke voorschriften, zoals artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek, te omzeilen", anders gezegd dat "de in het contract gebruikte bewoordingen kennelijk geen ander doel hebben dan het omzeilen van het wettelijke voorschrift, meer bepaald de beperking van de rentestijging die wordt opgelegd door" die bepaling.

Artikel 1907, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat op dwingende wijze bepaalt dat de rentevoet vastgesteld moet worden door afzonderlijke bepalingen van de akte en dat de verhoging van die interest wegens vertraging in de betaling in geen geval, 0,5 pct. per jaar op het verschuldigd gebleven kapitaal mag overschrijden, staat eraan in de weg dat een kredietinstelling een hoge rentevoet vastlegt in de notarisakte en tegelijk, in een onderhands bijvoegsel, een lagere rentevoet vastlegt die, enerzijds, kan worden verhoogd "zodra de door de vennootschap voor vergelijkbare leningen toegekende rentevoet vanaf een bepaalde verhoging hoger zal zijn dan de toegekende verlaagde rentevoet", op "een voorstel (van de lener) tot aanpassing van de rentevoet" en, anderzijds, dat die lagere rentevoet niet langer van toepassing is "in geval van vertraging in de betaling, hoe gering die ook is".

Zowel de ene als de andere onderstelling hebben immers een stijging tot gevolg van de rentevoet die daadwerkelijk bedongen is in een onderhands bijvoegsel dat de partijen bindt. Die stijging bedraagt meer dan de wettelijke limiet van 0,5 pct. De omstandigheid dat de authentieke leningsakte een rentevoet bedingt die beduidend hoger is dan die welke daadwerkelijk bedongen is, heeft in een dergelijke context alleen maar de bedoeling de werkelijke toedracht van de verrichting langs artificiële weg te verhullen.

In zoverre het bestreden arrest beslist dat "de lener de wettelijke bepalingen betreffende de variabele rentevoeten niet heeft omzeild" en dat hij "evenmin artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek heeft omzeild in zoverre de bedongen rentevoet die is welke vermeld is in de notarisakte en dat er m.b.t. die rentevoet geen nalatigheidsinterest van meer dan 0,5 pct. per jaar wordt toegepast", terwijl de verrichting waarvan het heeft kennisgenomen in haar geheel ertoe leidt dat de dwingende wettelijke beperking van de rentestijging langs artificiële weg wordt omzeild, schendt het artikel 1907, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Over de door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang

Het middel komt op tegen de overweging van het arrest dat de door de partijen overeengekomen rentevoet die is welke in de notarisakte is vastgelegd, en het verwijt daarbij het arrest dat het aldus artikel 1907, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt.

Het middel is gericht tegen een reden die de dragende grond vormt van een beslissing van het arrest die de eiseres nadeel berokkent en het is bijgevolg niet zonder belang.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel zelf

Krachtens artikel 1907, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek mag de verhoging van de interest wegens vertraging in de betaling in geen geval een half pct. per jaar op het verschuldigd gebleven kapitaal overschrijden.

De door die bepaling vastgelegde limiet is van toepassing wanneer de partijen een verhoging van de interest wegens vertraging in de betaling of een verlaging van die interest in het geval van een stipte betaling hebben bedongen.

Het bestreden arrest stelt vast dat:

- de verweerster bij drie notarisakten aan de eiseres drie leningen heeft toegestaan die terugbetaalbaar waren door middel van annuïteiten; die akten een rentevoet van 8,5 pct. per jaar voor de eerste twee en van 9,5 pct. voor de laatste hebben vastgesteld;

- enkele dagen voordat die akten werden verleden, de partijen een onderhands bijvoegsel hebben ondertekend waarin was bedongen dat, in afwijking van de notarisakte, de rentevoet vanaf de eerste maandelijkse schijf verminderd zou worden tot 5,5 pct. per jaar voor de twee eerste leningen en tot 7,5 pct. per jaar voor de derde maar dat "in geval van vertraging in de betalingen" de verminderde rentevoet niet langer zou worden toegepast en dat de in de notarisakte vastgelegde rentevoet opnieuw zou gelden;

- de verweerster in haar brieven van 13 juli 2001 een vertraging heeft vastgesteld in de terugbetaling van elk van de leningen en de eiseres gemeld heeft dat, overeenkomstig de clausules van de bijvoegsels, de in de notarisakte vermelde rentevoeten in de toekomst opnieuw zouden worden toegepast.

Het bestreden arrest vermeldt het volgende: "De lening, zoals zij is omschreven in de notarisakte werd toegekend tegen een vaste rentevoet in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet; de lener kende echter wel een vermindering van de rente toe voor zover [...] de debiteuren de vervaldata voor de terugbetaling respecteerden, wat zij niet hebben gedaan; in [die] onderstelling [...] zal de oorspronkelijk bedongen rentevoet worden toegepast"; het beslist vervolgens dat "de bedongen rentevoet die is welke vermeld is in de notarisakte en dat er m.b.t. die rentevoet geen nalatigheidsinterest van meer dan 0,5 pct. per jaar wordt toegepast".

Het arrest dat, om die redenen, beslist dat de verweerster artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek niet heeft "omzeild", schendt het derde lid van dat artikel.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist dat de verweerster artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek niet heeft geschonden en dat de kosten voor de tenuitvoerlegging van de zekerheden in de overeenkomst ten laste van de ontleners komen;

Doet het arrest van 7 september 2010 teniet;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest en van het vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 9 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Lening met interest

  • Vertraging in de betaling

  • Verhoging van de rentevoet

  • Stipte betaling

  • Verlaging van de rentevoet