- Arrest van 12 maart 2012

12/03/2012 - S.10.0154.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Mortier.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0154.N

DE BEROEPSVERENIGING VAN DE SINT-HUBERTUSCLUB VAN BELGIE - JAGERSLIGA, met zetel te 1030 Schaarbeek, Lambermontlaan 410,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. H.L., die woonplaats heeft gekozen bij gerechtsdeurwaarder Didier Vloeberghs, met kantoor te 1020 Brussel, Buro & Design Center - Heizel Esplanade, Lokaal 309, bus 15,

verweerder,

2. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 25 mei 2010.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 23 december 2011 ter griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 3 Gerechtelijk Wetboek, zijn de wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging van toepassing op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

2. De artikelen 328, 331, 332 en 333, Titel XIII van de programmawet (I) van 27 december 2006, (hierna: Arbeidsrelatiewet) bepalen de regels en de algemene criteria om het bestaan te beoordelen van een gezagsrelatie, op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten.

Deze bepalingen van de Arbeidsrelatiewet zijn geen wet op de rechtspleging, in de zin van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek.

3. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Krachtens artikel 343 Arbeidsrelatiewet, zijn de artikelen 328, 331, 332 en 333 van dezelfde wet in werking getreden op de eerste dag van de maand na de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is verschenen, dit is op 1 januari 2007.

5. Krachtens artikel 2 Burgerlijk Wetboek is een nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten.

Inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing ervan voorschrijft op de lopende overeenkomsten.

Deze uitzonderingsregel met betrekking tot het overgangsrecht inzake overeenkomsten betreft enkel de rechtsgevolgen van lopende overeenkomsten, niet die van overeenkomsten die reeds voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn beëindigd.

6. Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerking van de wet, dat vervat is in artikel 2 Burgerlijk Wetboek, zijn de artikelen 328, 331, 332 en 333 Arbeidsrelatiewet niet van toepassing op een arbeidsrelatie die reeds vóór 1 januari 2007 is beëindigd.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

7. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerking van de wet, dat vervat is in artikel 2 Burgerlijk Wetboek, is een nieuwe wet in beginsel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan onherroepelijk vastgestelde rechten.

De beoordeling na 1 januari 2007 van de aard van een arbeidsrelatie die beëindigd is voor de inwerkingtreding van de Arbeidsrelatiewet, is geen toestand ontstaan na de inwerkingtreding van de Arbeidsrelatiewet, noch een toekomstig gevolg van een onder de vroegere regeling ontstane situatie.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Vierde onderdeel

8. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede en het derde onderdeel, volgt uit het beginsel van de niet-terugwerking van de nieuwe wet dat de artikelen 328, 331, 332 en 333 Arbeidsrelatiewet niet van toepassing zijn op een arbeidsrelatie die reeds vóór 1 januari 2007 is beëindigd.

9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de rechter de aard van een reeds vóór 1 januari 2007 beëindigde arbeidsrelatie dient te beoordelen toepassing makend van de bepalingen van de Arbeidsrelatiewet, omdat die toepassing geen afbreuk doet aan definitief verkregen rechten, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 629,93 euro en voor de verweerder 2 op 295,97 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtzitting van 12 maart 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Arbeidsrelatiewet

  • Arbeidsrelatie die reeds vóór de datum van inwerkingtreding beëindigd is

  • Toepassing