- Arrest van 13 maart 2012

13/03/2012 - P.11.1750.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter zijn nauw met elkaar verbonden zodat bij de beoordeling van de objectieve onpartijdigheid van de rechter de waarborgen van diens individuele onafhankelijkheid in aanmerking kunnen worden genomen.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1750.N

C M T J E S,

beklaagde en burgerlijke partij,

eiseres,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten, mr. Patrick Hofströssler en mr. Benjamin Gillard, allen met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. P G P L B,

beklaagde,

2. M G S,

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, eerste kamer, zetelend in correctionele zaken, van 14 september 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Exceptie gesteund op de algemene rechtsbeginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter

1. De eiseres voert aan dat zij in het kader van de thans voor dit Hof gevoerde procedure niet de garantie heeft dat over haar zaak kan worden geoordeeld door een onafhankelijke en onpartijdige instantie. Er bestaat bij de eiseres en bij de publieke opinie in hoofde van dit Hof een objectieve schijn van vooringenomenheid en partijdigheid, die een verdere afhandeling van deze zaak door dit Hof onmogelijk maakt. De eiseres grondt die aanvoering op de bewering dat dit Hof bij monde van haar eerste voorzitter Ghislain Londers de eiseres vóór enige uitspraak ten gronde en dus ook vóór de behandeling van deze zaak door dit Hof, herhaaldelijk en publiekelijk als schuldig aan een beweerde schending van beroepsgeheim heeft bestempeld en zo het vermoeden van onschuld heeft miskend.

Aangezien geen enkel lid van dit Hof kan oordelen over een eventueel wrakingsverzoek en de bepalingen met betrekking tot de procedure van verwijzing van de ene naar de andere rechtbank niet van toepassing zijn op dit Hof, kan het Hof per definitie de schending van artikel 6 EVRM en de miskenning van het beginsel van objectieve onpartijdigheid niet herstellen. De eiseres verzoekt dan ook het Hof vast te stellen dat het onmogelijk met de vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid en overeenkomstig artikel 6 EVRM over deze zaak kan oordelen en dat het de zaak zou overmaken aan het parket-generaal om te handelen als naar recht.

Indien het Hof niet ingaat op het verzoek om van de behandeling van de zaak af te zien, vraagt de eiseres dat het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag stelt: "Schenden de artikelen 542 tot 552 Wetboek van Strafvordering, samen gelezen met artikel 6 EVRM en het algemeen beginsel van het recht op een eerlijk proces, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de mate dat het voor een beklaagde in een strafprocedure niet mogelijk is om, in het geval van een gewettigde verdenking ten aanzien van het Hof van Cassatie als dusdanig, de procedure van verwijzing van de ene rechtbank naar de andere zoals bedoeld in de artikelen 542 tot 552 Wetboek van Strafvordering of een gelijkwaardige procedure in te stellen, terwijl de procedure van de verwijzing van de ene rechtbank naar de andere rechtbank wel mogelijk is in het geval van een gewettigde verdenking ten aanzien van een hof van assisen, een hof van beroep, een correctionele rechtbank en een politierechtbank?"

2. Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige rechter.

De vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter zijn nauw met elkaar verbonden. Bij de beoordeling van de objectieve onpartijdigheid van de rechter kunnen de waarborgen van diens individuele onafhankelijkheid in aanmerking worden genomen.

3. De rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen.

4. Bij de beoordeling of er wettige redenen zijn om te twijfelen aan de objectieve onpartijdigheid van een rechtscollege of zijn leden, kan rekening worden gehouden met de overtuiging die een partij op dit punt zegt te hebben. Die overtuiging vormt evenwel geen exclusief criterium. Bepalend is of de vrees voor een partijdige behandeling van de zaak objectief is gerechtvaardigd.

5. Krachtens artikel 151, § 1, Grondwet is de rechter onafhankelijk in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie.

Magistraten van een rechtscollege zijn dan ook in de uitoefening van hun rechtsprekende functie niet onderworpen aan het hiërarchisch gezag van hun korpschef, maar oordelen in alle onafhankelijkheid.

6. De omstandigheid dat de toenmalige eerste voorzitter van het Hof met een brief aan de Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en door het afleggen van verklaringen tegenover een parlementaire onderzoekscommissie het onschuldvermoeden van de eiseres zou hebben miskend en dat hij zich daarbij zou hebben uitgegeven als vertegenwoordiger van de rechterlijke macht en van het Hof, houdt dan ook niet in dat daardoor objectief gezien bij de eiseres, zelf magistrate, en bij de publieke opinie, de schijn is ontstaan dat de leden van de kamer van dit Hof die haar cassatieberoep moeten beoordelen, niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk kunnen beslissen.

De exceptie van de eiseres wordt verworpen.

7. De voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de verkeerde veronderstelling dat dit Hof schijnbaar niet meer onpartijdig over de voorliggende zaak zou kunnen oordelen.

De vraag wordt bijgevolg niet gesteld.

Eerste middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het recht op de behandeling van zijn zaak door een onpartijdige en onafhankelijke rechter en het vermoeden van onschuld; met het oordeel dat:

- de eiseres niet de geijkte wrakingsprocedures heeft aangewend;

- zij niet heeft opgeworpen dat het hof van beroep het vermoeden van onschuld heeft miskend;

- eventuele miskenningen van het vermoeden van onschuld tot schadevergoeding aanleiding kunnen geven;

- een eventuele miskenning van het vermoeden van onschuld door anderen dan het hof van beroep in beginsel niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering dient te leiden;

- dit enkel het geval zou zijn indien de miskenning een ontoelaatbare invloed op het hof van beroep zou hebben gehad, waardoor dit hof van beroep bij de beoordeling van het ten laste gelegde niet anders zou kunnen besluiten dan tot een schuldigverklaring;

- het hof van beroep zich geenszins gehouden acht door de verklaringen, uitlatingen en geschriften van de eerste voorzitter van het Hof naar aanleiding van de zogenaamde Fortis-zaak;

- uit moet worden gegaan van het principe dat magistraten moeten worden geacht bestand te zijn tegen de beeldvorming door publieke verklaringen van partijen, betrokken derden, loutere derden of de media,

miskent het arrest de betekenis en de draagwijdte van het beginsel van objectieve onpartijdigheid; in hoofde van de strafrechter mag, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, zelfs geen schijn van objectieve partijdigheid bestaan (eerste onderdeel); het arrest beantwoordt het in de conclusie van de eiseres aangevoerde verweer omtrent de miskenning van de objectieve onpartijdigheid niet, maar beperkt zich tot het weerleggen van de criteria die eigen zijn aan het beginsel van subjectieve onpartijdigheid (tweede onderdeel).

9. Bij de beoordeling of er wettige redenen zijn om te twijfelen aan de objectieve onpartijdigheid van een rechtscollege en zijn leden, kan rekening worden gehouden met de overtuiging die de beklaagde op dit punt zegt te hebben. Die overtuiging vormt evenwel geen exclusief criterium. Bepalend is of de vrees voor een partijdige behandeling van de zaak objectief gerechtvaardigd is.

Bij het onderzoek naar het objectief gerechtvaardigd zijn van de ingeroepen schijn van partijdigheid, kan de impact op het verloop van het strafproces van de omstandigheden waaruit die schijn wordt afgeleid, mee in overweging worden genomen.

10. Met de redenen dat:

- de door de eiseres aangevoerde miskenning van het vermoeden van onschuld geen ontoelaatbare invloed heeft gehad op het hof van beroep;

- het hof van beroep zich geenszins gehouden acht door de verklaringen, uitlatingen en geschriften van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;

- magistraten principieel bestand moeten zijn tegen de in deze zaak publieke verklaringen van partijen, betrokken derden, derden of de media uitgaande beeldvorming;

- een miskenning van het onschuldvermoeden van de eiseres door anderen dan het hof van beroep, een eerlijk proces door dit hof van beroep niet onmogelijk maakt,

geeft het arrest te kennen dat de door de eiseres aangevoerde schijn van partijdigheid in hoofde van de appelrechters niet bestaat, miskent het niet de betekenis en de draagwijdte van het beginsel van de objectieve onpartijdigheid en beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres op dit punt.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

11. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiseres minstens op doorslaggevende wijze op door haar afgelegde verklaringen zonder dat zij bij de aanvang van de desbetreffende verhoren op haar zwijgrecht werd gewezen; de mededeling dat de verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden aangewend, is geen afdoende kennisgeving van het zwijgrecht.

13. Het arrest oordeelt niet enkel dat de verwijzing naar artikel 47bis Wetboek van Strafvordering een cautieplicht inhoudt, maar het stelt ook vast dat gedurende het verhoor geen enkele druk werd uitgeoefend op de verdachten, dat zij gelet op hun vrijheid van komen en gaan een feitelijk recht op consultatie van een advocaat hadden en het voegt daaraan toe dat een medebeklaagde verklaarde dat hij wist dat hij mocht zwijgen.

Aldus kon het hof van beroep in de zaak, gelet op de door artikel 47bis Wetboek van Strafvordering bedoelde kennisgeving en de overige aangehaalde elementen, oordelen dat het recht van verdediging van de eiseres niet was miskend.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiseres op uitsluitende, minstens doorslaggevende wijze op haar eigen verklaringen die werden afgelegd buiten de aanwezigheid en de bijstand van een advocaat en terwijl zij zich in een kwetsbare positie bevond.

15. Noch uit het arrest noch uit het onderdeel blijkt dat de eiseres werd schuldig verklaard op basis van tijdens een periode van vrijheidsberoving afgelegde verklaringen.

16. In zoverre het onderdeel het Hof verplicht tot een nazicht van de omstandigheden waarin de verklaringen werden afgelegd, vergt het een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

17. In zoverre het onderdeel uitgaat van de verkeerde rechtsopvatting dat tijdens het vooronderzoek geen verhoren kunnen worden uitgevoerd zonder bijstand van een advocaat, faalt het naar recht.

Derde middel

Eerste en tweede onderdeel

18. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 458 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het overmaken met het oog op een taalkundige nalezing van een ontwerptekst van een deel van een arrest aan een ere-magistrate uit zijn aard onder het beroepsgeheim van de eiseres valt; aldus miskent het arrest de draagwijdte van het strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim; een ontwerptekst van een niet door rechters ondertekend en uitgesproken arrest is niets meer dan een vrijblijvend en privaat werkdocument zonder enige relevantie (eerste onderdeel); het arrest oordeelt ten onrechte dat het overmaken van een ontwerptekst van een deel van een arrest aan een ere-magistrate, waardoor deze kon kennis nemen van het persoonlijk standpunt met betrekking tot de te beoordelen zaak uit zijn aard onder het beroepsgeheim van de eiseres valt; aldus miskent het arrest de draagwijdte van het strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim; dit beroepsgeheim strekt zich enkel uit tot de geheimen die aan de houder ervan zijn toevertrouwd, maar slaat niet op een persoonlijk standpunt van een rechter tijdens een beraad (tweede onderdeel).

19. Artikel 458 Strafwetboek bestraft personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hen zijn toevertrouwd en die deze geheimen bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken.

Behalve in de wettelijk bepaalde uitzonderingen, moeten rechters het geheim bewaren over het beraad waaraan zij hebben deelgenomen. De niet-naleving van deze geheimhoudingsplicht wordt bestraft volgens artikel 458 Strafwetboek.

Tot het geheim van het beraad behoren de opgestelde ontwerpen van beslissing en de standpunten die de rechters omtrent de te nemen beslissing hebben ingenomen, ook als over die ontwerpen of standpunten nog niet collegiaal werd beraadslaagd.

De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen in zoverre naar recht.

20. Het arrest dat oordeelt dat het overmaken aan een ere-magistrate met het oog op een taalkundige nalezing van een door de eiseres opgestelde ontwerptekst van een deel van een arrest en het meedelen aan die ere-magistrate van een tijdens het beraad door de eiseres ingenomen persoonlijk standpunt onder haar beroepsgeheim vallen, is naar recht verantwoord.

De onderdelen kunnen in zoverre niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 458 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de overdracht van gegevens van de Fortis-zaak door de eiseres aan een ere-magistrate helemaal niet noodzakelijk was voor de uitoefening van een vertrouwensopdracht en dat de mededeling van de ontwerptekst een schending inhield van het beroepsgeheim; de tussenkomst van andere personen moet niet noodzakelijk zijn; het volstaat dat die tussenkomst enkel van aard is om het doel, namelijk het uitspreken van een arrest, mede te helpen bereiken; aldus miskent het arrest de begrippen beroepsgeheim en gedeeld beroepsgeheim.

22. Hij die tot het beroepsgeheim is gehouden, overtreedt artikel 458 Strafwetboek niet indien hij onder het beroepsgeheim vallende informatie meedeelt aan anderen die optreden met eenzelfde doelstelling en ten aanzien van dezelfde opdrachtgever en die mededeling bovendien noodzakelijk en pertinent is voor de opdracht van de geheimhouder.

23. De rechter oordeelt onaantastbaar of het mededelen van onder het beroepsgeheim vallende informatie pertinent en noodzakelijk is voor de opdracht van de geheimhouder.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

24. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling in feite door het hof van beroep omtrent het noodzakelijk karakter van de mededeling aan een derde, of van het Hof een beoordeling van feiten vraagt, is het niet ontvankelijk.

25. Het arrest dat oordeelt dat er geen sprake kan zijn van een zogenaamd gedeeld of toevertrouwd beroepsgeheim omdat de overdracht van gegevens van de Fortis-zaak door de eiseres helemaal niet noodzakelijk was voor de uitoefening van de vertrouwensopdracht, namelijk de behandeling, het beraad en het maken van een ontwerp-arrest, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 320,46 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Pierre Cornelis, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 maart 2012 uitgesproken door raadsheer Pierre Cornelis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Rechter

  • Onpartijdigheid

  • Onafhankelijkheid

  • Beoordeling van de objectieve onpartijdigheid van de rechter

  • Criterium