- Arrest van 13 maart 2012

13/03/2012 - P.11.1088.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De herstelmaatregel van de gemachtigde ambtenaar van het onroerend erfgoed beoogt niet zoals de schadevergoeding de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar strekt ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad (1). (1) Zie: Cass. 24 mei 2011, AR P.10.2052.N, AC, 2011, nr. 343.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1088.N

I

R. J. P. V. C.,

beklaagde,

eiser.

II

M.-T. S.,

beklaagde,

eiser,

tegen

DE GEMACHTIGDE AMBTENAAR VAN HET ONROEREND ERFGOED, optredend namens het Vlaamse Gewest, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, bus 22,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 3 mei 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste grief

1. De grief voert aan dat de telastlegging verjaard is; de voorlopige en dringende werken werden uitgevoerd in de loop van de jaren 1985-1987 en de definitieve werken werden reeds aangevraagd in de loop van het jaar 1989; pas op 4 juli 2004, dit is ongeveer 20 jaar na deze feiten, werd een dagvaarding aan de eisers betekend.

2. De eisers worden bij dagvaarding van 17 maart 2008 vervolgd om in de periode van 8 maart 1999 tot en met 14 september 2006, verzuimd te hebben om de nodige instandhouding- en onderhoudwerken uit te voeren teneinde een beschermd onroerend goed in goede staat te behouden.

De grief berust op een verkeerde lezing van het arrest, en mist feitelijke grondslag.

Tweede grief

3. De grief voert de onredelijkheid aan van de termijn van vijftien jaar tussen de aanvraag van de definitieve werken in 1989 en het instellen van de strafprocedure in 2004, alsmede van de termijn van twintig jaar tussen de aanvraag van de voorlopige werken en de inleiding van de strafprocedure.

4. Aan de eisers wordt niet ten laste gelegd de definitieve restauratiewerken waarvoor zij in 1989 een aanvraag tot betoelaging zouden hebben ingediend, niet te hebben uitgevoerd, maar afgezien van elke financiële tegemoetkoming of subsidiëring in het kader van de restauratie, hun instandhouding- en onderhoudsplicht tot behoud van een beschermd monument te hebben verwaarloosd.

De grief berust op een verkeerde lezing van het arrest, en mist feitelijke grondslag.

Derde grief

5. De grief voert schending aan "op basis van de voorschriften van de beschermde woningen" en "de artikelen betreffende het onbehoorlijk bestuur": de eisers worden ten onrechte schuldig bevonden aan een inbreuk op artikel 11, § 1, Monumentendecreet; zij hebben immers de voorlopige en dringende werken uitgevoerd; de dichting van de bestaande vensters en ramen waren daar niet inbegrepen; dit maakt immers deel uit van de definitieve restauratiewerken waarvoor een betoelaging principieel was beloofd maar nooit werd verkregen; de eisers hebben een bouwvergunning verkregen en alle inspanningen geleverd ten einde de toegekende betoelaging en het bevel tot aanvang van de werken te verkrijgen, maar tot heden vruchteloos; grondslag daarvan zijn de ontoereikende budgettaire voorzieningen door het bestuur.

6. De grief die ervan uitgaat dat de bij artikel 11, § 1, Monumentendecreet bepaalde verplichting tot het in goede staat behouden van een beschermd monument door het uitvoeren van de nodige instandhouding- en onderhoudwerken afhankelijk is van een eventuele financiële tegemoetkoming of subsidiëring in het kader van een restauratie, faalt in zoverre naar recht.

7. Voor het overige komt de grief op tegen de beoordeling van feiten door de rechter of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.

In zoverre is de grief niet ontvankelijk.

Vierde grief

8. De grief voert aan dat de eisers op grond van overmacht en daden van onbehoorlijk bestuur dienden te worden vrijgesproken: na de uitvoering van de voorlopige en dringende werken werd een volledig definitief restauratiedossier ingediend en door het bestuur goedgekeurd; dit dossier werd medegedeeld aan de minister met het oog op inschrijving in de begroting, maar de beslissing werd om budgettaire redenen steeds uitgesteld; door het uitblijven van het bevel tot aanvang van de werken beschikken de eisers nog steeds niet over de ministeriële machtiging die is bepaald in artikel 11, § 3, Monumentendecreet ingeval van betoelaging; de eisers zijn volledig afhankelijk van de wil van de politieke overheid en bevinden zich aldus in een toestand van overmacht, minstens, gelet op de adviezen van monumenten en landschappen, in een toestand van onoverwinnelijke dwaling.

9. In zoverre de grief is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde derde grief, is hij niet ontvankelijk.

10. Voor het overige komt de grief op tegen de beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht hij tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is de grief niet ontvankelijk.

Vijfde grief

11. De grief voert aan dat het feit dat de overheid reeds meer dan twintig jaren het dossier laat aanslepen en geen bevel tot uitvoering der werken heeft verleend, meteen aangeeft dat de overheid zich te buiten is gegaan aan daden van onbehoorlijk bestuur.

12. De grief preciseert niet hoe en waardoor het arrest onwettig is.

De grief is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Zesde grief

13. De grief voert aan dat de herstelvordering onterecht wordt toegekend: de eisers hebben de voorlopige en dringende werken uitgevoerd waarbij de dichting van ramen en vensters niet was inbegrepen; de restauratiewerken kunnen pas worden uitgevoerd nadat het bevel tot uitvoering van de werken door de overheid aan de eisers is medegedeeld en de uitkering van de betoelaging ervan is vastgesteld; straffen kunnen niet retroactief worden opgelegd; de beschrijving van het gebouw komt overeen met de staat van het gebouw zoals bepaald in het voorlopige en dringende restauratiedossier; de thans gevorderde stuttingswerken werden reeds uitgevoerd; de gevorderde werken werden reeds volledig beschreven in het definitieve restauratiedossier; de fases zoals beschreven in de herstelvordering zijn strijdig met het goedgekeurde restauratiedossier van de definitieve werken en er zou opnieuw moeten worden afgebroken; de herstelvordering is niet dienend en de toekenning van een dwangsom is onterecht.

14. De grief preciseert niet hoe en waardoor het arrest onwettig is.

De grief is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Zevende grief

15. De grief voert aan dat ten onrechte een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerder, gemachtigd ambtenaar van het onroerend erfgoed, wordt toegekend.

16. Artikel 162bis Wetboek van Strafvordering beperkt de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken tot de verhoudingen tussen eensdeels de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, anderdeels de burgerlijke partij.

17. De herstelmaatregel beoogt niet zoals de schadevergoeding de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar strekt ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt geschaad.

Het optreden van de gemachtigde ambtenaar van het onroerend erfgoed, die een wettelijke opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, kan niet worden gelijkgesteld met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering.

18. De appelrechters die met bevestiging van het beroepen vonnis de eisers veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerder, verantwoorden deze beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerder.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eisers in vier vijfden van de kosten.

Veroordeelt de verweerder in de overige kosten.

Zegt dat er geen reden is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten in het geheel op 102,67 euro waarvan de eiser I 51,33 euro verschuldigd is en de eiseres II 51,34 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 13 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Gemachtigde ambtenaar van het onroerend erfgoed

  • Herstelvordering

  • Doel