- Arrest van 13 maart 2012

13/03/2012 - P.11.1426.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het op duurzame wijze hebben opgehouden te betalen vereist niet dat de staking van betaling totaal is (1). (1) Zie Cass. 5 dec. 2000, AR P.99.0203.N, AC, 2000, nr. 669.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1426.N

E. R. P. J. V.,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Walter Van Steenbrugge, beiden advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. J.-P. W.,

burgerlijke partij,

2. C. D. R.,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 28 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser doet afstand van het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de niet-definitieve beslissingen op de burgerlijke rechtsvordering waarbij het beroepen vonnis wordt bevestigd en de zaak voor verdere behandeling wordt verwezen naar de eerste rechter.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastlegging A.1.

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 489, 489bis en 489ter Strafwetboek en artikel 2 Faillissementswet 1997: de met de telastleggingen A.2, B.3, C.3 en D.3 omschreven faillissementsmisdrijven kunnen maar worden gepleegd als er staking van betaling is; daartoe dient de rechter vast te stellen dat er sprake is van een duurzame staking van betaling; het arrest oordeelt met betrekking tot het faillissement van Horecastar-Sikb-Albert nv dat, zelfs al was de staking van betaling niet totaal, ze wel een zekere duurzaamheid vertoonde; als de staking van betaling niet totaal is, is er geen staking van betaling; een staking van betaling die een zekere duurzaamheid vertoont, is geen duurzame staking van betaling in de zin van artikel 2 Faillissementswet; bijgevolg verantwoordt het arrest eisers schuldigverklaring aan de vermelde telastleggingen niet naar recht.

3. Artikel 489 Strafwetboek bepaalt dat de daarin omschreven misdrijven kunnen worden gepleegd door kooplieden die zich in staat van faillissement bevinden in de zin van artikel 2 Faillissementswet 1997 of door de bestuurders in rechte of in feite van handelsvennootschappen die zich in een dergelijke staat bevinden. De artikelen 489bis en 489ter Strafwetboek verwijzen naar de in artikel 489 Strafwetboek bedoelde personen.

Artikel 2 Faillissementswet 1997 bepaalt dat hij die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet is geschokt, zich in staat van faillissement bevindt.

4. Het op duurzame wijze hebben opgehouden te betalen vereist niet dat de staking van betaling totaal is.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

5. Het arrest (p. 12-14) oordeelt op grond van een geheel van feitelijke gegevens die het vermeldt en die het in het licht van het door de eiser gevoerde verweer bespreekt dat de staking van betaling van Horecastar-Sikb-Albert nv op 1 januari 2001 een zekere duurzaamheid vertoonde, zelfs al was die niet totaal. Aldus stelt het arrest vast dat Horecastar-Sikb-Albert nv op 1 januari 2001 op duurzame wijze had opgehouden te betalen in de zin van artikel 2 Faillissementswet 1997 en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het arrest verwerpt enerzijds eisers verweer in verband met de gevolgen van de miskenning van de redelijke termijn en zijn laattijdig verhoor op de grond dat de stukken die hij als gevolg daarvan niet heeft kunnen voorleggen, niet veel zouden veranderen aan het dossier en dat de beschikbare stukken toelaten om met kennis van zaken zijn schuld te beoordelen; het arrest oordeelt anderzijds met betrekking tot de schuld van de eiser aan de telastleggingen B.2, C.2, D.2 en E.2 en met betrekking tot de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 1 dat de eiser zonder enig bewijs voorhoudt dat de btw- en de rsz-schulden betwist zijn; deze oordelen zijn tegenstrijdig; bovendien wordt aan de eiser een bewijslast gelegd.

7. Het arrest (p. 8) verwerpt eisers op de miskenning van de redelijke termijn, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging gesteund verweer niet alleen op de in het onderdeel aangehaalde gronden, maar ook omdat de eiser niet nader uitlegt over welke stukken het gaat en daaromtrent zeer vaag blijft.

Het onderdeel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist in zoverre feitelijke grondslag.

8. Het arrest (p. 11) verwerpt eisers verweer met betrekking tot het betwist karakter van de btw- en rsz-schulden niet enkel op grond van het ontbreken van stukken, maar ook wegens het niet kunnen aanhalen van de reden van de betwisting en het niet op omstandige wijze kunnen toelichten van de door de belastingplichtige aangehaalde argumenten.

Het onderdeel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist in zoverre feitelijke grondslag.

9. Het arrest (p. 22) verwerpt wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 1 eisers verweer met betrekking tot het betwist karakter van de btw-schuld niet alleen op grond van het niet kunnen voorbrengen van enig stuk daaromtrent, maar ook omdat uit het verhoor van de heer D. blijkt dat er geen contact is geweest tussen de btw-administratie en BBB nv.

Het onderdeel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest, mist in zoverre feitelijke grondslag.

10. Het oordeel van het arrest over, eensdeels, eisers op de miskenning van de redelijke termijn, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging gesteund verweer en het oordeel, anderdeels de schuld van de eiser aan de telastleggingen B.2, C.2, D.2 en E.2 en over de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 1 zijn dan ook niet tegenstrijdig.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

11. Bij de beoordeling van de schuld van de eiser aan de telastleggingen B.2, C.2, D.2 en E.2 en omtrent de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 1, legt het arrest aan de eiser geen bewijslast op, maar oordeelt het zonder miskenning van het vermoeden van onschuld dat de aangevoerde grond van niet-strafbaarheid niet geloofwaardig is.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt eisers in appelconclusie aangevoerd verweer met betrekking tot het ontbreken van het voor de telastleggingen B.2, C.2, D.2 en E.2 vereiste bedrieglijk opzet niet of niet afdoende, noch verduidelijkt het arrest om welke redenen dit bedrieglijk opzet wordt aangenomen; het moreel element van een misdrijf kan niet zonder meer worden gelijkgeschakeld met het materieel element ervan; het arrest is bijgevolg niet naar recht verantwoord.

13. De rechter oordeelt onaantastbaar of het door artikel 489bis¸1°, en 4°, eerste zin, Strafwetboek vereiste bijzonder opzet van het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen of het door artikel 73, eerste lid, Btw-wetboek vereiste bedrieglijk oogmerk of het oogmerk om te schaden om de bepalingen van dit wetboek of de uitvoeringsbesluiten ervan te overtreden, aanwezig zijn.

De rechter vermag het bestaan van het moreel misdrijfbestanddeel af te leiden uit dezelfde feitelijke gegevens als die waaruit hij het bestaan van het materieel misdrijfbestanddeel afleidt.

14. Het arrest (p. 11) verklaart met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 29-30) de eiser schuldig aan de telastlegging B.2 onder meer op de gronden dat:

- twee bijzondere rekeningen inzake btw werden geopend nadat de eiser afgevaardigde bestuurder werd van BBB nv;

- door het niet-betalen van de verschuldigde btw die voortspruit uit het verder zetten van de activiteiten van BBB nv, er schulden werden opgebouwd en er een kunstmatig krediet werd verschaft;

- de eiser weliswaar voorhield dat er afbetalingsplannen waren, maar dat er in het dossier geen spoor terug te vinden is van enig afbetalingsplan;

- de interesten en boetes met betrekking tot de bijzondere rekeningen van vóór het bestuurderschap van de eiser bleven lopen;

- de bijzondere rekeningen betrekking hadden op een vaststaande btw-schuld ingevolge het ten onrechte aftrekken van de btw van facturen, waarvoor na een betalingsbericht slechts enkele betalingen werden verricht en er uiteindelijk een dwangbevel werd uitgevaardigd dat aanleiding gaf tot hogere boetes en interesten;

- in de periode dat de eiser het zaakvoerderschap opnam er rsz-verhogingen zijn geweest wegens niet-tijdige betaling;

- het systematisch niet-betalen van de publieke traditioneel geduldige schuldeisers het frauduleus inzicht van de eiser benadrukt;

- de eiser tijdens een verhoor verklaarde dat wie het hardst riep eerst werd betaald en er te weinig liquiditeiten waren om iedereen te betalen;

- op de datum van het faillissement er geen andere schuldenaars waren behalve een zekere Folens.

Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer omtrent de afwezigheid van het voor de telastlegging B.2 vereiste bijzonder opzet en verantwoordt het die beslissing naar recht. Het arrest hoeft niet verder te antwoorden op de argumenten van de eiser die tot staving van zijn verweer werden aangevoerd, zonder evenwel zelf een afzonderlijk middel te vormen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

15. Het arrest (p. 11) verklaart met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 31) de eiser schuldig aan de telastlegging C.2 op de gronden dat:

- de laattijdigheid van de aangifte van de toestand van staking van betaling werd erkend aangezien in de conclusie de datum van staking van betaling in februari 1999 wordt gesitueerd;

- de eiser erkende dat er te weinig liquiditeiten waren;

- het doen van staking van betaling spijts het bestaan van een grote schuldenlast getuigt van een bedrieglijk inzicht het faillissement uit te stellen met benadeling van de schuldeisers tot gevolg.

Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer omtrent de afwezigheid van het voor de telastlegging C.2 vereiste bijzonder opzet en verantwoordt het die beslissing naar recht. Het arrest hoeft niet verder te antwoorden op de argumenten van de eiser die tot staving van zijn verweer werden aangevoerd, zonder evenwel zelf een afzonderlijk middel te vormen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

16. Het arrest (p. 11) verklaart met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 31-32) de eiser schuldig aan de telastlegging E.2 (beperkt tot de periode van 16 april 1999 tot 13 juni 2000) op de gronden dat:

- uit het strafdossier niet blijkt dat er omtrent de btw-schuld een bezwaar of een gerechtelijke procedure werd ingeleid;

- na het uitvaardigen van een dwangbevel de belastingschuld vaststaand was;

- het niet geloofwaardig is dat de eiser niet op de hoogte zou zijn geweest van de problematiek aangezien ze voortkwam uit de facturaties van Meerver en Exmaver voor onder andere door de eiser geleverde diensten ten tijde van zijn bestuurderschap via Exmaver;

- in het dossier geen spoor is te vinden van enig contact tussen BBB nv en de btw-administratie;

- de eiser tijdens een verhoor heeft erkend dat er een schuld aan de btw werd opgebouwd;

- uit de door de btw-administratie overhandigde gegevens het bestaan van een afbetalingsplan niet kan worden afgeleid;

- het bedrieglijk opzet wel degelijk bewezen is daar geen stappen werden ondernomen ten aanzien van de btw-administratie om de ten tijde van het bestuurdersschap van de eiser ontstane btw-schuld te voldoen of de voorheen ontstane btw-schuld te verminderen.

Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer omtrent de afwezigheid van het voor de telastlegging E.2 vereiste bijzonder opzet en verantwoordt het die beslissing naar recht. Het arrest hoeft niet verder te antwoorden op de argumenten van de eiser die tot staving van zijn verweer werden aangevoerd, zonder evenwel zelf een afzonderlijk middel te vormen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

17. Voor zover het onderdeel gericht is tegen de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging D.2 moet worden vastgesteld dat op strafgebied de uitgesproken straf naar recht verantwoord is wegens de bewezen verklaarde telastleggingen A.2, B.1, B.2, B.3, C.1, C.2, C.3, D.1, D.3, E.1, E.2 en E.3. Ook op burgerlijk gebied is de tegen de eiser uitgesproken veroordeling naar recht verantwoord op grond van de telastlegging C.2.

Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent de afstand zoals voormeld.

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 119,82 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 13 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Op duurzame wijze opgehouden hebben te betalen

  • Begrip