- Arrest van 14 maart 2012

14/03/2012 - P.12.0404.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Aangezien de meerderjarige ondervraagde persoon krachtens artikel 2bis, §2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, vrijwillig en weloverwogen afstand kan doen van de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor, verantwoorden de appelrechters hun beslissing betreffende de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding naar recht, door vast te stellen dat de eiser, zodra hij zich in de lokalen van de politie bevond, uitdrukkelijk en nog vóór zijn verhoor, aan de bijstand van een advocaat heeft verzaakt en dat hij vervolgens die bijstand heeft gekregen op het moment dat hij erom heeft verzocht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0404.F

J. N.,

Mrs. Thibault Maudoux, advocaten bij de balie te Namen, en Caroline Brotcorne, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

De eiser verwijt het arrest dat het de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis bevestigt ofschoon het bevel tot aanhouding met name gegrond is op de telastlegging verboden wapendracht, dat die telastlegging betrekking heeft op een feit dat op 23 november 2010 zou gepleegd zijn en waarvoor de eiser reeds eerder was aangehouden en vervolgens in vrijheid gesteld, en dat de voorlopige hechtenis, wat dat betreft, alleen verantwoord zou kunnen zijn op grond van artikel 28 Voorlopige Hechteniswet en niet met verwijzing naar artikel 16 van de voormelde wet. Daarnaast wordt de kamer van inbeschuldigingstelling verweten dat zij niet op de conclusie heeft geantwoord waarin dat verweermiddel werd aangevoerd.

Nieuwe feiten, op grond waarvan de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding uitvaardigt tegen een in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde, kunnen nieuwe en ernstige omstandigheden zijn die, met toepassing van artikel 28, § 1, 2°, van de wet, die maatregel noodzakelijk maken in het licht van de vroeger onderzochte feiten.

Het bevel tot aanhouding dat tegen de eiser is uitgevaardigd heeft betrekking op het voormelde artikel 28 en vermeldt dat de betrokkene in verdenking is gesteld wegens belaging, misbruik van telecommunicatiemiddelen, zedenmisdrijf door het bevorderen van de ontucht of het bederf van een minderjarige boven de leeftijd van zestien jaar, teneinde aan andermans driften te voldoen, valsheid op het vlak van informatica, verboden wapendracht en zware slagen.

Het bevel tot aanhouding brengt die nieuwe feiten, die gepleegd zouden zijn tussen 25 oktober 2010 en 11 februari 2012, in verband met het fysieke of psychologische geweld dat de eiser, die aan één bepaalde drug verslaafd is, de neiging heeft te ontwikkelen tegenover de tegenslagen van het dagelijks bestaan.

De in artikel 28, § 1, 2°, bedoelde nieuwe en ernstige omstandigheden zijn dus in het bevel tot aanhouding vermeld zodat de appelrechters, door het geldig te verklaren, antwoorden op het aangevoerde verweer en noch die bepaling, noch artikel 12, tweede lid, Grondwet, noch artikel 6.1 EVRM schenden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het middel voert de schending aan van artikel 47bis, § 1 en 2, Wetboek van Strafvordering. Het voert in hoofdzaak aan dat het bevel tot aanhouding onregelmatig is omdat het werd uitgevaardigd na een huiszoeking in de loop waarvan de verdachte ten overstaan van de speurders verklaringen heeft afgelegd die niet werden voorafgegaan door de mededeling van zijn rechten.

De aangevoerde wetsbepaling somt de rechten op die de politie aan de ondervraagde persoon moet meedelen alvorens hem te verhoren over misdrijven die hem tenlastegelegd kunnen worden of alvorens hem in een andere hoedanigheid te verhoren.

De noodzakelijke dialoog tussen de agenten die met een huiszoeking zijn belast en de persoon bij wie die onderzoekshandeling wordt uitgevoerd, heeft niet tot gevolg dat de antwoorden die hij heeft gegeven op de vragen die de speurders hem moeten stellen om de hun toevertrouwde onderzoekshandeling materieel ten uitvoer te kunnen leggen, worden aangemerkt als verhoor in de zin van het voormelde artikel 47bis.

Uit het feit dat de verdachte naar aanleiding van een huiszoeking, spontaan of terloops een verklaring aflegt die een erkenning van zijn schuld inhoudt, blijkt niet dat hij werd verhoord, aangezien een verhoor veronderstelt dat degene die verhoort op systematische wijze gerichte vragen begint te stellen.

De appelrechters hebben bijgevolg de in het middel bedoelde wetsbepaling niet geschonden, door te weigeren de informatie, ook al is zij zelfbeschuldigend, die door de verdachte is verstrekt aan de speurders die de opdracht hadden om zijn woning de doorzoeken, als een verhoor aan te merken.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat zijn recht van verdediging, dat wordt gewaarborgd bij artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en artikel 6.3 EVRM werd miskend. De grief is afgeleid uit de omstandigheid dat de eiser niet werd bijgestaan door een advocaat vanaf het begin van zijn verhoor maar alleen op het einde daarvan.

In zoverre het middel steunt op de bewering dat het verhoor een aanvang nam op het ogenblik van de huiszoeking, kan het middel, zoals hierboven in antwoord op het eerste onderdeel vermeld, niet worden aangenomen, vermits uit de vaststellingen van het arrest en de bestreden beschikking blijkt dat de huiszoeking niet gepaard ging met een gericht en systematisch verhoor betreffende de misdrijven die de verdachte ten laste worden gelegd.

Krachtens artikel 2bis, § 2, van de wet van 20 juli 1990, kan de meerderjarige ondervraagde persoon vrijwillig en weloverwogen afstand doen van de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor.

Het arrest en de beschikking die het arrest bevestigt stellen vast dat de eiser, zodra hij zich in de lokalen van de politie bevond, uitdrukkelijk en nog vóór zijn verhoor, aan de bijstand van een advocaat heeft verzaakt en dat hij vervolgens die bijstand heeft gekregen op het moment dat hij erom verzocht.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing aldus naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 14 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique

Kosynsky.

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Verhoor van een verdachte

  • Van zijn vrijheid beroofde verdachte

  • Recht op bijstand van advocaat

  • Afzien van