- Arrest van 14 maart 2012

14/03/2012 - P.11.1966.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de bestuurder die voorrang dient te verlenen aan de persoon die op de ingeslagen weg rijdt, door de plaatsgesteldheid zich alleen kan vergewissen van de aanwezigheid van een bestuurder op die weg door zich daarop te begeven, kan hij die weg oprijden in zoverre dit strikt noodzakelijk is en met de vereiste voorzichtigheid om dit zonder gevaar voor een ongeval te kunnen doen, met inachtneming van het voorspelbaar gedrag van een eventuele voorranghebbende bestuurder; de voorrangsplichtige bestuurder begaat alleen een fout wanneer hij zich verder op de voorrangsweg begeeft dan strikt noodzakelijk om zich van de aanwezigheid van een bestuurder op die weg te vergewissen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1966.F

MAATSCHAPPIJ VOOR HET INTERCOMMUNAAL VERVOER TE BRUSSEL,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A. R.,

2. AXA BELGIUM nv,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Nijvel van 27 oktober 2011, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 17 november 2010.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de eiseres, burgerlijke partij

Middel

De eiseres voert aan dat de appelrechters niet naar recht hebben beslist dat de eerste verweerster, door stil te houden op de tramsporen, geen enkele fout heeft begaan. Het vonnis wordt verweten dat het niet vaststelt dat zij verhinderd zou zijn geweest om de doorgang die is voorbehouden aan spoorvoertuigen, onmiddellijk vrij te maken.

Voor de feitenrechters heeft de eiseres niet aangevoerd dat de bestuurster het tramspoor had kunnen en moeten oversteken zonder stil te houden. Zij heeft integendeel aangevoerd dat de verweerster had moeten stilhouden alvorens de oversteekplaats op te rijden.

Wanneer de bestuurder die voorrang dient te verlenen aan de persoon die op de ingeslagen weg rijdt zich, door de plaatsgesteldheid, alleen kan vergewissen van de aanwezigheid van een bestuurder op die weg door zich daarop te begeven, kan hij die weg oprijden in zoverre dit strikt noodzakelijk is en met de vereiste voorzichtigheid om dit zonder gevaar voor een ongeval te kunnen doen, met inachtneming van het voorspelbaar gedrag van een eventuele voorranghebbende bestuurder.

De voorrangsplichtige bestuurder begaat alleen een fout wanneer hij zich verder op de voorrangsweg begeeft dan strikt noodzakelijk om zich van de aanwezigheid van een bestuurder op die weg te vergewissen.

Die regels gelden wanneer het voorranghebbend voertuig een tram is, ook al rijdt deze in eigen bedding, en de voorrangsplichtige wiens zicht door de plaatsgesteldheid wordt belemmerd, geen andere mogelijkheid heeft dan heel voorzichtig te vorderen om na te gaan of er eventueel een spoorvoertuig komt aangereden.

Het verbod om stil te houden op de in artikel 77.8 Wegverkeersreglement bedoelde dambordmarkering, geldt niet voor het voertuig dat daar alleen tot stilstand is gekomen omdat het dubbel voorzichtig is geweest, zoals vereist zowel door het knipperlicht als de beperkte zichtbaarheid. Dat verbod kan de overgang niet beletten of kan de bestuurder die in een dergelijke situatie verkeert, niet verplichten om de sporen in één ruk over te rijden.

Het vonnis stelt vast dat

- het oranjegele knipperlicht de eerste verweerster het recht gaf om het sein dubbel voorzichtig voorbij te rijden, zonder wijziging van de voorrangsregeling, overeenkomstig artikel 64.1 Wegverkeersreglement;

- het zicht van de verweerster werd belemmerd door de begroeiing;

- zij zeer voorzichtig de sporen is opgereden, waarbij zij de op de grond aangebrachte dambordmarkeringen begon te overschrijden maar dat zo traag deed dat de getuigen het er niet over eens zijn of haar voertuig nog in beweging was op het ogenblik van de aanrijding;

- de stilstand van het voertuig op die markeringen, als die bewezen zou zijn, geen fout oplevert in de zin van artikel 77.8 Wegverkeersreglement, aangezien de stilstand verantwoord was door de slechte zichtbaarheid en de noodzaak om dubbel voorzichtig te zijn.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing aldus naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

B. Cassatieberoep van de eiseres, burgerrechtelijk aansprakelijke partij

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid

Het overige gedeelte van het middel

Het vonnis stelt vast dat de trambestuurder, op het ogenblik dat hij het voertuig opmerkte dat de sporen overstak, de tram nog ruim voor de aanrijding tot stilstand had kunnen brengen, dat hij alleen het geluidssein heeft doen luiden en dat hij noch vertraagd noch geremd heeft, waardoor hij artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, pre-metro, metro, autobus en autocar, overtreden heeft.

De eiseres voert aan dat de eerbiediging van de in dat artikel bepaalde verplichtingen moet beoordeeld worden rekening houdend met de verplichting die op de automobiliste rustte om niet stil te houden op de tramsporen maar zich, integendeel, zo snel mogelijk daarvan te verwijderen.

Zelfs als het tot stilstand te brengen van het voertuig een fout zou zijn, wat het arrest overigens niet vaststelt, dan nog ontslaat die stilstand de bestuurder van het spoorvoertuig niet van de verplichting om te vertragen of stil te houden, wanneer hij bijtijds een verkeersbelemmering opmerkt waardoor het gevaarlijk wordt zijn snelheid aan te houden of verder te rijden. Geen enkele wetsbepaling geeft de trambestuurder het recht om ervan uit te gaan dat de weggebruiker die hij op het spoor waarneemt, het zal verlaten hebben op het ogenblik dat hij zelf die plaats bereikt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de omvang van de schade

Het arrest kent een provisionele vergoeding toe aan de tweede verweerster, beveelt een deskundigenonderzoek en houdt de uitspraak over de overige vorderingen aan.

Dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en houdt geen verband met de gevallen bedoeld in het tweede lid van dat artikel.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 14 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Verplichting voorrang te verlenen aan de voorranghebbende bestuurder

  • Draagwijdte

  • Zicht belemmerd door de plaatsgesteldheid