- Arrest van 19 maart 2012

19/03/2012 - S.10.0094.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het bedrag van de aanvullende vergoeding waarop de bejaarde werknemers in geval van ontslag recht hebben krachtens artikel 5 van de C.A.O. nr. 17 van 19 december 1974, is gelijk aan de helft van het verschil tussen het nettoreferteloon en de werkloosheidsuitkering; het nettoreferteloon wordt berekend op grond van het maandelijks brutoloon dat de werknemer heeft ontvangen voor een refertemaand die in onderlinge overeenstemming werd vastgesteld of, bij gebrek aan een dergelijke overeenstemming, voor de kalendermaand die aan het ontslag voorafgaat; wanneer de werknemer tijdens die refertemaand, overeenkomstig artikel 102bis van de wet van 22 januari 1985, zijn arbeidsprestaties heeft verminderd en een vergoeding heeft genoten zonder dat hij een deeltijdse arbeidsovereenkomst heeft gesloten, is het brutoloon dat de werknemer voor de refertemaand heeft ontvangen, het loon waarop de werknemer krachtens zijn voltijdse arbeidsovereenkomst recht heeft voor voltijdse prestaties.


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0094.F

SOCIAAL FONDS VAN HET AANVULLEND NATIONAAL PARITAIR COMITE VOOR DE BEDIENDEN,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. H.,

2. ETABLISSEMENTS SIBILLE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 27 november 2009.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 4, 3° en 4°, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juni 1997 tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 10 augustus 1997 ;

- artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 16 januari 1975 ;

- voor zover nodig, artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het hoofdberoep van de eiser ongegrond, bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen en verwijst elke partij in haar eigen appelkosten. Die beslissing is gegrond op de volgende redenen:

"Het feit ten andere dat uit artikel 4, 3° en 4°, van de binnen de sector gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juni 1997 volgt dat [de eiser] ten aanzien van de bediende een waarborgverplichting en ten aanzien van de werkgever een verplichting tot terugbetaling heeft, betekent nog niet dat [de eiser] betrokken is bij de totstandkoming van de conventionele brugpensioenregeling die, zodra ze is ingegaan, hem alleen maar kan worden tegengeworpen, zoniet zouden die verplichtingen elk praktisch nut missen.

De rechtbank heeft terecht erop gewezen dat krachtens de bij dat artikel 4, 3° en 4°, ingevoerde regeling de eiser enkel de verplichting heeft om de uitbetaling aan de bediende te waarborgen wanneer de werkgever, te wiens aanzien hij een verplichting tot terugbetaling heeft, in gebreke is gebleven, zodat eerst de werkgever veroordeeld moest worden om aan [de eerste verweerster] de aanvullende vergoeding te betalen en [de eiser] achteraf veroordeeld moest worden om die vergoeding terug te betalen.

Er is dus geen reden om het vonnis te wijzigen.

Het hoofdberoep [van de eiser] en het incidenteel beroep [van de eerste verweerster] zijn bijgevolg niet gegrond terwijl het incidenteel beroep [van de tweede verweerster] niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien het strekt tot het verkrijgen van een beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroepen vonnis.

Aangezien geen van de partijen in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, verwijst het [arbeids]hof op grond van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, elke partij in haar eigen kosten van deze appelprocedure".

Grieven

1. Luidens artikel 4, 3°, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juni 1997, heeft de eiser tot doel de uitbetaling van de aanvullende vergoeding bij de werkloosheidsuitkeringen aan de ontslagen oudere bedienden te waarborgen ingeval de werkgever in gebreke blijft, overeenkomstig artikel 12 van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975.

Luidens artikel 4, 4°, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juni 1997, heeft de eiser tot doel aan de werkgever de aanvullende brugpensioenvergoeding en de daarop betrekking hebbende socialezekerheidsbijdragen terug te betalen.

Volgens artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121.

Uit die bepalingen volgt dat de eiser slechts de aanvullende brugpensioenvergoeding, berekend overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974, en de desbetreffende socialezekerheidsbijdragen moet terugbetalen aan de werkgever. Wanneer de werkgever aan zijn bediende een hogere vergoeding toekent dan die waarop hij recht heeft krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974, is de eiser niet gehouden het verschil tussen die twee bedragen te dragen.

2. Luidens artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 19 december 1974, is het bedrag van de aanvullende vergoeding gelijk aan de helft van het verschil tussen het nettoreferteloon en de werkloosheidsuitkering.

Wanneer de werknemer zijn arbeidsprestaties heeft verminderd voordat hem het brugpensioen werd toegekend, is het nettoreferteloon op grond waarvan de aanvullende brugpensioenvergoeding wordt berekend, het loon dat de werknemer daadwerkelijk heeft ontvangen (met name het loon voor deeltijdse arbeid). Geen enkele wettelijke bepaling laat in die gevallen toe de aanvullende vergoeding te berekenen op grond van het loon voor voltijdse arbeid.

De werkgever die, hoewel de bediende zijn arbeidsprestaties heeft verminderd, aanvaardt om de aanvullende brugpensioenvergoeding te berekenen op grond van het loon voor voltijdse arbeid, kent aan die bediende een voordeel toe waarop deze geen recht heeft krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974.

Dat voordeel valt bijgevolg ten laste van de werkgever, die de terugbetaling van dat voordeel niet van de eiser kan vorderen.

3. Het bestreden arrest stelt vast dat de aanvullende brugpensioenvergoeding, ingevolge het akkoord tussen de eerste en de tweede verweerster berekend moet worden op grond van het nettoreferteloon voor een voltijdse betrekking.

Het beslist vervolgens dat dit akkoord aan de eiser kan worden tegengeworpen en dat laatstgenoemde gehouden is aan de tweede verweerster de aanvullende brugpensioenvergoedingen terug te betalen die zij aan de eerste verweerster zal hebben uitbetaald.

Het bestreden arrest legt aldus de eiser een aanvullend voordeel ten laste waarop de eerste verweerster geen recht heeft krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974.

Het bestreden arrest schendt artikel 4, 3° en 4°, van de collectieve ar-beidsovereenkomst van 11 juni 1997, artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 en artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Volgens artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werk-nemers indien zij worden ontslagen, gesloten op 19 december 1974 in de Nationa-le Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 ja-nuari 1975, is het bedrag van de aanvullende vergoeding waarop de ontslagen be-jaarde werknemers krachtens artikel 4 van de overeenkomst recht hebben ten laste van hun werkgever, gelijk aan de helft van het verschil tussen het nettoreferteloon en de werkloosheidsuitkering.

Krachtens de artikelen 6 en 7, § 2 en § 6, van de collectieve arbeidsovereenkomst wordt het netto-referteloon berekend op grond van het maandelijks brutoloon dat de werknemer heeft ontvangen voor een refertemaand die in onderlinge overeen-stemming werd vastgesteld of, bij gebrek aan een dergelijke overeenstemming, voor de kalendermaand die aan het ontslag voorafgaat.

Wanneer de werknemer tijdens die refertemaand, overeenkomstig artikel 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zijn arbeids-prestaties heeft verminderd en een vergoeding heeft genoten zonder dat hij is overgestapt naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 107bis, § 1, van de wet, is het in de voormelde artikelen 6 en 7, § 2 en § 6, be-doelde maandelijkse brutoloon dat de werknemer voor de refertemaand heeft ont-vangen, het loon waarop de werknemer krachtens zijn voltijdse arbeidsovereen-komst recht heeft voor volledige prestaties.

Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylviane Velu, Alain Simon,

Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 19 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier

Chantal Vandenput.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Loopbaanonderbreking

  • Vermindering van de arbeidsprestaties

  • Overeengekomen brugpensioen

  • Aanvullende vergoeding voor sommige bejaarde werknemers in geval van ontslag

  • Berekening