- Arrest van 20 maart 2012

20/03/2012 - P.11.1314.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De veroordeling tot een bedrag gelijk aan de verkregen meerwaarde van het goed wil voorkomen dat het bestuur billijkheidshalve van een herstel in de vorige staat of van de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken zou afzien omwille van de ernstige gevolgen die dit voor de overtreder zou meebrengen en aldus een toestand zou aanvaarden die strijdig is met de goede ruimtelijke ordening waarbij de overtreder bovendien het voordeel van zijn overtreding zou behouden; de maatregel strekt aldus tot het herstel van de goede ruimtelijke ordening door het tenietdoen van de gevolgen van de wetsovertreding, zij het in dit geval door het tenietdoen van de onwettige verrijking, door de betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde (1). (1) Zie: Cass. 13 dec. 1977, AC, 1978, 443.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1314.N

L F D B,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest stelt vast dat de strafvordering voor de telastlegging A vervallen is door verjaring, ontslaat de eiser van rechtsvervolging voor de telastlegging B, en verklaart zich niet bevoegd om kennis te nemen van de herstelmaatregel die strekt tot het verwijderen van de reliëfwijziging.

Het cassatieberoep tegen die beslissingen is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest is intern tegenstrijdig; met de overweging dat de herstelvordering ontvankelijk is omdat zij het "herstel van de goede ruimtelijk ordening" tot doel heeft en aldus "het doen verdwijnen van een met de strafwet strijdige toestand" beoogt, beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat de herstelvordering onontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn; dit antwoord geldt alleen voor de gevorderde herstelwerkzaamheden, maar niet voor de gevorderde veroordeling tot een meerwaarde; de meerwaarde heeft immers betrekking op een gedeelte van de onvergunde werken dat geen herstel behoeft in het licht van de goede ruimtelijke ordening; op dat punt wordt eisers verweer niet beantwoord en is het arrest niet naar recht gemotiveerd; het arrest preciseert immers niet waarom ook de vordering tot het betalen van een meerwaarde ontvankelijk wordt verklaard, niettegenstaande de ontvankelijkheid ervan bij conclusie werd betwist.

3. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest de als geschonden vermelde artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering schendt.

Het middel is in zoverre onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

4. De veroordeling tot een bedrag gelijk aan de verkregen meerwaarde van het goed wil voorkomen dat het bestuur billijkheidshalve van een herstel in de vorige staat of van de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken zou afzien omwille van de ernstige gevolgen die dit voor de overtreder zou meebrengen. Aldus zou een toestand worden aanvaard die strijdig is met de goede ruimtelijke ordening en waarbij de overtreder het voordeel van zijn overtreding zou behouden.

De maatregel strekt aldus tot het herstel van de goede ruimtelijke ordening door het tenietdoen van de gevolgen van de wetsovertreding, zij het in dit geval door het tenietdoen van de onwettige verrijking, door de betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde.

Het middel dat ervan uitgaat dat de maatregel van betaling van de meerwaarde voor onvergunde werken geen herstel van de goede ruimtelijke ordening beoogt, faalt in zoverre naar recht.

5. Voor het overige zijn de aangevoerde schending van de artikelen 6.1 en 13 EVRM evenals de gebreken in de motivering volledig afgeleid uit de voormelde verkeerde rechtsopvatting.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 82,20 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 20 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Veroordeling tot betaling van een meerwaarde

  • Doel