- Arrest van 20 maart 2012

20/03/2012 - P.11.1952.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vermelding van de motieven voor de raming van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf en van de ernstige en concrete aanwijzingen die de inbeslagneming rechtvaardigen, is noch substantieel noch op straffe van nietigheid voorgeschreven; het niet-naleven van deze pleegvormen leidt enkel tot nietigheid indien het recht van verdediging is miskend (1). (1) Zie: Cass. 10 maart 2004, AR P.03.1233.F, AC, 2004, nr. 137; Cass. 17 okt. 2006, AR P.06.0486.N, AC, 2006, nr. 493; Cass. 31 maart 2010, AR P.10.0054.F, AC, 2010, nr. 235.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1952.N

1. W V C,

verzoeker tot de opheffing van een onderzoekshandeling,

2. M S,

verzoekster tot de opheffing van een onderzoekshandeling,

eisers,

met als raadsman mr. Tim De Hertogh, advocaat bij de balie te Mechelen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 november 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest doet uitspraak over de hogere beroepen tegen de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij het door artikel 61quater Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoek van de eisers tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot hun goederen wordt afgewezen.

Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het evenmin uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

De cassatieberoepen zijn in zoverre voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR: het vermoeden van onschuld houdt in dat de vervolgende partij in beginsel de bewijslast draagt, wat er in het raam van het strafrechtelijk beslag op neerkomt dat niet de eisers, maar wel de vervolgende partij dan wel de onderzoeksrechter dient te bewijzen, minstens aan te geven, dat het beslag wettig en gerechtvaardigd is; het arrest kon dan ook niet volstaan met een verwijzing naar niet nader gespecificeerde aanwijzingen dat de batige saldi op de rekeningen ontvangen werden uit de ten laste gelegde feiten of met het oordeel dat eisers' verweer over de legale herkomst allesbehalve duidelijkheid biedt.

3. Het niet-vermelden van de aanwijzingen dat de inbeslaggenomen goederen door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde voorwerpen zijn, houdt op zich geen schending in van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR of een miskenning van het in die bepalingen vervatte onschuldvermoeden.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

4. Met het oordeel dat het verweer van de eisers omtrent de legale herkomst van de inbeslaggenomen voorwerpen allesbehalve duidelijkheid biedt, verwerpt het arrest (p. 5, ro 3.3.3) dit verweer als ongeloofwaardig zonder artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR te schenden of het in die bepalingen vervatte onschuldvermoeden te miskennen.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van de artikelen 35ter en 89 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door artikel 35ter, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde pleegvormen inzake de motivering van de raming van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf en van de ernstige en concrete aanwijzingen die de inbeslagneming rechtvaardigen, niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven; aan die voorwaarden moet op het ogenblik van het beslag voldaan zijn en een ongeldig beslag kan achteraf niet worden geregulariseerd.

6. Krachtens artikel 89, eerste lid, Wetboek van Strafvordering gelden de bepalingen van artikel 35ter Wetboek van Strafvordering ook voor de onderzoeksrechter.

Artikel 35, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat:

- ingeval er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat de verdachte een vermogensvoordeel in de zin van de artikelen 42, 3°, 43bis of 43quater Strafwetboek heeft verkregen en de zaken die dit vermogensvoordeel vertegenwoordigen als zodanig niet of niet meer in het vermogen van de verdachte kunnen worden aangetroffen, beslag kan worden gelegd op andere zaken die zich in het vermogen van de verdachte bevinden ten belope van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf;

- in het kantschrift de raming van het bedrag wordt gemotiveerd en ook de ernstige en concrete aanwijzingen worden vermeld die de inbeslagneming rechtvaardigen;

- deze gegevens worden hernomen in het proces-verbaal van inbeslagneming.

7. De vermelding van de motieven voor de raming van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf en van de ernstige en concrete aanwijzingen die de inbeslagneming rechtvaardigen, is noch substantieel noch op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het niet-naleven van deze pleegvormen leidt enkel tot nietigheid indien het recht van verdediging is miskend, omstandigheid die de eisers niet aanvoeren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers' in de appelconclusie aangevoerd verweer dat de inbeslagneming bij equivalent niet voldeed aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

9. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over het hoger beroep tegen een door de onderzoeksrechter bij toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering verleende beschikking.

Het middel dat schending van die bepaling aanvoert, faalt in zoverre naar recht.

10. Met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest (p. 4, ro 3.3.4) het door het middel bedoelde verweer.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek

11. In zoverre het arrest uitspraak doet over de regelmatigheid van het beslag zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op 60,26 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 20 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beslag met het oog op bijzondere verbeurdverklaring of om de waarheid aan het licht te brengen

  • Rechtsvormen

  • Miskenning

  • Nietigheid