- Arrest van 20 maart 2012

20/03/2012 - P.12.0437.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De omstandigheid dat een verdachte in vrijheid is gelaten na het overschrijden van de in artikel 12 Voorlopige Hechteniswet bedoelde termijn van 24 uur, zonder dat tegen hem een aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd, belet de onderzoeksrechter niet, indien nieuwe en ernstige omstandigheden dit noodzakelijk maken, lastens de verdachte overeenkomstig artikel 28 Voorlopige Hechteniswet later een bevel tot aanhouding te verlenen.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0437.N

P S,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, en meester Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 maart 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 12 Grondwet en de artikelen 3, 12, 15bis, 21, 28 en 30 Voorlopige Hechteniswet: de periode van vrijheidsberoving van ten hoogste 24 uur ingevolge een bevel tot medebrenging kan op geen enkele wijze, ook niet op basis van artikel 15bis Voorlopige Hechteniswet, worden verlengd; na het verstrijken van de termijn van 24 uur moet de verdachte in vrijheid worden gesteld omdat de detentie vanaf dan is behept met een onherstelbare onwettigheid; tegen een verdachte die aldus in vrijheid is gesteld of gelaten kan noch op grond van artikel 16 Voorlopige Hechteniswet noch op grond van artikel 28 Voorlopige Hechteniswet, in geval van nieuwe en ernstige omstandigheden, een bevel tot aanhouding worden verleend; uit de vaststelling door het arrest dat op 3 februari 2012 om 15 uur aan de eiser een bevel tot medebrenging werd betekend en dat de invrijheidstelling slechts [op 4 februari 2012] om 17.45 uur is gebeurd, volgt dat eisers vrijheidberoving vanaf 4 februari 2012 om 15 uur onrechtmatig was en de onderzoeksrechter geen enkele beoordelingsbevoegdheid meer had; het arrest dat oordeelt dat het bevel tot verlenging van de arrestatieduur wetsconform is geschied, zodat eisers arrestatieduur op 4 februari 2012 om 00.10 uur nog met 24 uur kon worden verlengd en de onderzoeksrechter op 16 februari 2012 op grond van nieuwe en ernstige omstandigheden een "nieuw" bevel tot aanhouding kon verlenen, handhaaft op onwettige wijze de door de onderzoeksrechter bevolen onwettige vrijheidsberoving.

2. Artikel 28, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet bepaalt onder meer dat de onderzoeksrechter in elke stand van de zaak een bevel tot aanhouding kan uitvaardigen tegen een in vrijheid gelaten verdachte, indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken.

3. De omstandigheid dat een verdachte in vrijheid is gelaten na het overschrijden van de in artikel 12 Voorlopige Hechteniswet bedoelde termijn van 24 uur, zonder dat tegen hem een aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd, belet de onderzoeksrechter niet, indien nieuwe en ernstige omstandigheden dit noodzakelijk maken, lastens de verdachte overeenkomstig artikel 28 Voorlopige Hechteniswet later een bevel tot aanhouding te verlenen.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 28 Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen beginsel van het recht op tegenspraak, zoals dit voor de onderzoeksgerechten is vastgelegd in artikel 23, 4° Voorlopige Hechteniswet en in de artikelen 127, 135, § 3, en 235bis, § 3 en § 4, Wetboek van Strafvordering: wanneer een verdachte in vrijheid werd gesteld of gelaten om redenen vreemd aan het al dan niet niet bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld, kan het door artikel 28 Voorlopige Hechteniswet bedoelde bevel niet worden verantwoord op grond van nieuwe en ernstige omstandigheden, die dergelijke aanwijzingen van schuld opleveren; het arrest laat na vast te stellen of de eiser werd vrijgelaten omwille van een gebrek aan ernstige aanwijzingen van schuld dan wel omwille van een gebrek aan volstrekte noodzaak voor de openbare veiligheid dan wel omwille van de onrechtmatigheid van de detentie, of laat dit in het midden; het sluit aldus niet uit dat de eiser in vrijheid werd gesteld of gelaten om redenen die vreemd zijn aan het al dan niet bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld; aldus verantwoordt het arrest niet naar recht zijn beslissing dat er geen grond is om het bevel tot aanhouding van 16 februari 2012 nietig te verklaren; minstens belet het arrest het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.

5. Met de redenen die het arrest (p. 18) bevat, stelt het vast dat de onderzoeksrechter op 4 februari 2012 besliste de eiser in vrijheid te stellen wegens het niet aanwezig zijn van afdoende ernstige aanwijzingen van schuld.

Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

6. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen werden nageleegd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 110,42 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 20 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • In vrijheid gelaten verdachte wegens overschrijding van de termijn van 24 uur

  • Geen aanhoudingsbevel uitgevaardigd

  • Verlenen van een bevel tot aanhouding lastens die verdachte in een later stadium van het onderzoek