- Arrest van 21 maart 2012

21/03/2012 - P.12.0365.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Vanaf 1 januari 2012 worden de personen die het voorwerp uitmaken van een interneringsmaatregel die door de minister van Justitie is beslist, ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank, die bevoegd is om uitspraak te doen over het verzoek tot het verkrijgen van een uitgaans- of verlofvergunning, krachtens artikel 95/11 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0365.F

Y. T.,

Mrs. Clothilde Hoffmann en Stéphanie Bastien, advocaten bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 13 februari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Bij arrest van 8 januari 2009 veroordeelt het hof van beroep te Brussel de eiser tot een gevangenisstraf van vier jaar en een terbeschikkingstelling van de regering gedurende tien jaar. Die straf was uitgezeten op 9 december 2011.

Op 1 december 2011 gelast de minister van Justitie, met toepassing van de artikelen 25 en 25bis Wet Bescherming Maatschappij, de internering van de eiser na afloop van zijn straf, op grond dat zijn reclassering onmogelijk blijkt te zijn daar nog concrete stappen dienen ondernomen te worden, zowel op het vlak van huisvesting, teneinde de aanbevolen structuur en veiligheid biedende situatie te garanderen waarin de betrokkene op eigen benen staat, als op het vlak van tewerkstelling.

Op 20 januari 2012 dient de eiser bij de strafuitvoeringsrechtbank een verzoek in met het oog op het verkrijgen van uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven, op grond van artikel 95/11 Wet Strafuitvoering.

De strafuitvoeringsrechtbank verklaart zich niet bevoegd om kennis te nemen van dit verzoek op grond dat de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, werd uitgesteld naar 1 januari 2013.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

De wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, die niet in werking is getreden, heeft betrekking op de personen die, in de zin van artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij, hetzij in staat van krankzinnigheid, hetzij in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid verkeren, die hen ongeschikt maakt tot het controleren van hun daden, en die als dusdanig met een gerechtelijke beslissing erkend zijn. Artikel 14 Wet Bescherming Maatschappij bepaalt dat de internering plaatsvindt in een inrichting aangewezen door de commissie tot bescherming van de maatschappij, die belast is met het toezicht op die maatregel.

Artikel 25bis Wet Bescherming Maatschappij, vóór de opheffing ervan bij de wet van 26 april 2007 betreffende de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, die in werking is getreden op 1 januari 2012, bepaalde dat de minister van Justitie de internering kon gelasten van een veroordeelde die ter beschikking van de regering is gesteld, wanneer na afloop van een vrijheidsstraf zijn reclassering onmogelijk bleek te zijn of wanneer zijn gedragingen in vrijheid een gevaar voor de maatschappij te zien gaven. Artikel 25ter Wet Bescherming Maatschappij voorzag in een beroep bij de rechterlijke macht tegen die beslissing en artikel 25quater stelde de voorwaarden vast waarin de veroordeelde geïnterneerde zijn invrijheidstelling kon vragen aan de minister van Justitie.

Artikel 12 van de wet van 26 april 2007 bepaalt dat bij de inwerkingtreding van deze wet de dossiers van ter beschikking van de regering gestelden waarin de minister van Justitie hetzij een beslissing tot internering, hetzij een beslissing tot invrijheidstelling op proef heeft genomen ambtshalve en zonder kosten ingeschreven worden op de algemene rol van de strafuitvoeringsrechtbanken. De bijzondere bevoegdheden van die rechtbank zijn vastgesteld in titel XIbis Wet Strafuitvoering, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 26 april 2007.

Uit de vergelijking van die bepalingen volgt dat beide vormen van internering verschillende stelsels volgen : enerzijds, de internering die met een gerechtelijke beslissing is bevolen wegens een geestesstoornis en die dient geregeld te worden door de wet van 21 april 2007, en, anderzijds, de internering die door de minister is bevolen, die niet op dergelijke stoornis is gebaseerd en die voortaan onder de wet van 26 april 2007 valt.

Daaruit volgt dat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 april 2007, de personen die het voorwerp uitmaken van een interneringsmaatregel die door de minister van Justitie is beslist, vanaf 1 januari 2012 ter beschikking worden gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank, die bevoegd is om uitspraak te doen over het verzoek tot het verkrijgen van een uitgaansvergunning of penitentiair verlof, krachtens artikel 95/11 Wet Strafuitvoering.

Nadat de strafuitvoeringsrechtbank heeft vastgesteld dat de minister ten aanzien van de eiser een dergelijke maatregel had genomen, schendt zij, door zich niet bevoegd te verklaren op grond van het feit dat de wet van 21 april 2007 niet in werking is getreden, de artikelen 4 en 12 van de wet van 26 april 2007.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 21 maart 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Bevoegdheid

  • Personen voorwerp van een interneringsmaatregel beslist door de minister van Justitie

  • Uitgaans- of verlofvergunning

  • Verzoek